De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 41

Chapter 413,861 wordsPublic domain

Toch moet men tot de 6_de_ dynastie opklimmen, om in de historie van Abydos namen te vinden, die tot ons gekomen zijn en die een waardige plaats hebben ingenomen in wat men de geschiedenis der menschheid noemt. Dank zij den talrijken zuilen, die Mariette bij zijn opgravingen vond, kennen wij enkele gebeurtenissen uit de geschiedenis van Abydos, en enkele hooge ambten, toevertrouwd aan leden der bevolking van het stadje. De talrijke egyptische bureaucratie had er zich als overal elders ontwikkeld, en men vereenigde er ook reeds burgerlijke en geestelijke ambten, alsof de brave geloovigen van dien tijd reeds hadden overwogen, dat God te dienen wel iets is, maar dat den Pharao zijn diensten te bewijzen, hem, het beeld van den onzichtbaren god, echten afstammeling van den in het niet der tijden teruggezonken heer, nog veel beter was, want de een kon niets geven, en de andere daarentegen gaf zeer veel, daar de tempels, ofschoon ze rijk begiftigd werden en met tijdelijke goederen werden gezegend, van den Pharao afhankelijk waren.

Onder de 6_de_ dynastie wist een der inwoners van Abydos, Oena genaamd, iemand, die op een der laagste sporten stond van de ladder der eere, zich op te werken tot den hoogsten post, die ooit aan een eenvoudig sterveling was toevertrouwd. Onder de sprekendste feiten van zijn bestuur noemt die gelukkige sterveling, die eerste minister werd, de omstandigheid, dat een der Pepi's van de zesde dynastie het bevel gaf, een leger bijeen te brengen, waarover hij bevel zou voeren, om de volksstammen te gaan bestrijden, die reeds vaste woonplaatsen hadden, die steden bezaten, velden, waar de oogst rijpte, en tuinen met wijngaarden en olijfboomen. Oena, aan de spits van zijn leger, drong binnen in het land der Heroesjaïtoe, de "meesters van het zand", verwoestte het, vernielde de steden en het menschenwerk, velde vijgenboomen en wijndruiven, verbrandde wat hij niet op andere manier vernietigen kon, lichtte mannen, vrouwen en kinderen op, "wat zijn meester nog meer genoegen deed dan al het andere", en in den zegezang, dien hij op zijn grafzuil liet graveeren, werd al het ongeluk, dat hij had gebracht over den weerspannigen en onwilligen volksstam, zooveel geluk voor hemzelven, wat hij uitdrukt in deze woorden: "Dit leger ging in vrede heen", terwijl het verwoestte en doodde en in slavernij wegvoerde alles, wat door het zwaard was ontzien.

Als belooning voor zooveel geluk en succes werd de roemrijke Oena benoemd tot gouverneur van Boven-Egypte en genoot de groote eer, van voor den Pharao te mogen verschijnen met sandalen aan zijn voeten. Hij had zijn tijd en zijn kracht vrijwillig gegeven, had zijn leven bij honderden gelegenheden in de waagschaal gesteld en achtte zich voldoende beloond! Als de menschen uit onze dagen niet anders dan die eer tot belooning kregen, zouden zij zich stellig niet zooveel moeite geven als de oude Oena.

Na die overmaat van eer voor een bewoner van Abydos daalt er nog eens stilte neer op de geschiedenis van de stad van Osiris, en men moet tot de 12de dynastie gaan onder het middelste egyptische keizerrijk, om de stad Abydos weer in bloeienden staat aan te treffen. Te dien tijde had het gezins -en familiegevoel een groote ontwikkeling gekregen; een behoefte aan rechtvaardigheid en gelijkheid scheen zich van alle weldenkenden te hebben meester gemaakt.

Inderdaad begonnen de bewoners van Abydos toen, evenals nog heden ten dage het geval is, groote clans te vormen, door het hoofd der familie met vaste hand en met liefde bestierd, maar zóó, dat die liefde niet de grenzen overschreed van eigen woonplaats, en tegenover de andere familiën van de maatschappij was zulk een hoofd bezield met de gevoelens, die Robert Macaire in zijn land had voor de menschen uit zijn tijd.

Onder de regeering van de 12de en 13de dynastie had Abydos veel rijkdommen en een hoogen rang verkregen. Dat viel terstond in het oog, want veertig jaren later kon men in de doodenstad de mastaba's zien met kleine, witte pyramiden erboven als tenten van het leger van den dood, waar deze domicilie had gekozen in de buurt der stad van Osiris.

Men moet dan voortschrijden tot de 19de dynastie, om Abydos weer tot een periode van bloei te zien komen. Het is niet uit te maken, of de stad vóór Seti I geen tempels en andere groote monumenten bezat; er waren er zeker wel. De tempel van Osiris, heer van Abydos, bestond reeds bij den heuvel zooals tegenwoordig, onder den naam _Kom-es-soeltan_, dat is "de heuvel van den Sultan", waaruit ik meen te moeten begrijpen: den heuvel van den heer van Abydos, Osiris. Maar die tempels waren zeker niet van natuursteenen gebouwd, want steenen, die voor architectorale gebouwen gebruikt kunnen worden, zijn schaarsch in het bergland van Abydos. Men heeft daar niet anders dan losse zandsteen, die zich niet goed voor versiering leent, en om andere materialen van grooten afstand te laten komen, moest men nog iets meer dan welwillendheid voor Abydos gevoelen.

Wel natuurlijk dus, dat alle bouwwerken, die men te Abydos tot den eersten of tweeden keizertijd moet rekenen, van gebakken steenen zijn. Seti I liet voor het allereerst een tempel oprichten geheel van zandsteen of van kalkgesteente. Het gebouw, dat verrees ter eere van de goden en de vorsten, die hem waren voorafgegaan op den dubbelen troon van het dubbele Egypte, is niet alleen een wonder van bouwkunst en inrichting, maar ook van echte kunst van allerlei aard.

De Pharao had er alle schatten van Egypte aan ten koste gelegd, kunstschatten en materiëele schatten. Niet enkel verblindde het goud het oog, zooals het in overvloed was aangebracht in de gouden zaal, waarvan de muren, de zuilen, de zoldering elkander den matten glans van het kostbare metaal toezonden, doch bovendien straalde het geheele gebouw in kunstglans door de schoone basreliefs, die alle muren bedekten en die tot de schoonste voorbeelden der decoratieve kunst in Egypte behooren.

Het is niet waarschijnlijk, dat de inwoners van Abydos ooit hebben begrepen, hoe groot de eer was, door den Pharao Seti I hun stad bewezen door den bouw van dien tempel op hun gebied; maar wat zij wel duidelijk inzagen, was het voordeel, dat zij zouden hebben van de pelgrims, door het wonder naar hun stad gelokt, en van de prachtige feesten, die binnen het rijke gebouw zouden worden gehouden.

Toen de leidende gedachte, die bij den bouw van den tempel had voorgezeten, verloren was gegaan met den dood van Seti I, was het gebouw nog niet voltooid. Ramses II was, zooals ik reeds gezegd heb, de eerste, die aan het werk van zijn vader roof pleegde, die het zonder schaamte bedierf, zooveel hij kon, door het onvoltooid te laten in die gedeelten, die men niet bij den eersten aanblik bemerkte, en waar alleen de hooge personnages van hof en geestelijkheid binnentraden, meestal dezelfde personen.

De tempel van Seti I is niet de eenige uit Abydos; Ramses II moest er wel uiting geven aan zijn bouwmanie. Hij heeft er inderdaad een tempel doen verrijzen, die zijn naam draagt, en die ondanks de historische tooneelen, op de muren aangebracht, een duidelijk getuigenis aflegt van de minderwaardigheid der kunstenaars, aan wie de versiering werd opgedragen.

Hij beperkte zijn eerzucht niet tot een bleeke navolging van het vaderlijk paleis, hij liet ten zuiden van den Kom-es-Soeltan een tweeden tempel bouwen ten westen van den tempel van Osiris; maar hij had de onvoorzichtigheid, die beide gebouwen van kalksteen te laten optrekken, en nu is er bijna niets meer van overgebleven, daar de kalkbranderijen er bruikbaar materiaal in vonden voor hun industrie.

Buitendien bouwde hij te Abydos een kleine kapel dichtbij het westelijke gebergte, middenin de doodenstad. Daarvan is nu niets meer over dan het gebroken voetstuk van een kolossaal beeld van Nekhao. Abydos is dus uit het oogpunt van monumenten in 't geheel niet te vergelijken met enkele andere steden, zooals Thebe bij voorbeeld, omdat Memphis is verwoest; wat dit betreft, kan men de stad niet op één lijn stellen met de beide hoofdsteden van het oude Egypte; maar van het standpunt der decoratieve kunst, der intieme kunst, die tot het hart meer spreekt dan tot het verstand, is Abydos zonder weêrga in geheel Egypte, en alle reizigers, die den tempel van Seti I hebben bezocht, zijn onder de bekoring gekomen en hebben van daar de levendigste herinnering aan hun reis in Egypte medegenomen.

Doch wat het meest bewonderenswaardig was in Abydos, was zijn reusachtige doodenstad, necropool van meer dan twee mijlen lengte bij een gemiddelde breedte van ongeveer een kilometer. Daar zijn, het eene na het andere, alle geslachten ter ruste gegaan, die sinds het ontstaan der stad in Abydos hebben geleefd. Mariette heeft er negentien jaren aaneen opgravingen gedaan; hij hield ermee op, omdat het werk hem tegenstond, juist op een plek, waar het bijzonder interessant werd; maar de doodenstad had hem bij de vijftienhonderd gedenkzuilen opgeleverd, die op hun manier de geschiedenis van de stad bevatten. En toch, hetgeen Mariette vond in de negentien jaar, door zijn opgravingen ingenomen, gevoegd bij hetgeen men onlangs heeft gevonden, is slechts een zeer klein, ongelukkig gedeelte van de rijkdommen, die er begraven waren. De inboorlingen zijn, van den ouden keizertijd af tot op onze dagen, de grootste vernielers der monumenten geweest; er is geen enkel graf in deze doodenstad, dat niet geschonden is, zoo het niet twee keer aan roof heeft blootgestaan.

Maar het is recht en billijk, naast die eerste oorzaak van verwoesting, die terstond moet opvallen, een tweede te stellen, namelijk de dweepzucht der christenen, die even ruw en dom en bijgeloovig te werk gingen, en vooral van die christenen, die reikhalzend naar een leven, dat volmaakter moest zijn dan dat van andere stervelingen, schitterende daden wilden doen, waardoor ze op eenmaal zouden uitmunten boven hun gewone medemenschen. Wat de christelijke monniken al kwaads hebben gedaan in Egypte en vooral te Abydos, is eenvoudig onberekenbaar, en ik wil nu nog alleen spreken van den roof, gepleegd aan de grootsche bouwwerken, door het genie van 't oude Egypte nagelaten aan de bewonderende nakomelingschap. Hun domme woede keerde zich vooral tegen de groote beelden der groote goden, alsof die kunstwerken den nieuwen god, in wien zij geloofden, op zijn troon zouden hebben kunnen doen beven.

Tot de zesde eeuw van onze jaartelling was Abydos zoo goed als bevrijd gebleven van den ijver der christenen, ofschoon de monumenten niet voltooid waren en niemand acht sloeg op hun verval en ofschoon de inboorlingen, die behoefte hadden aan goud en zilver, en de geslachten, die elkander rijkdommen betwistten, vernield hadden wat zij konden. Toch werd er in de tempels, vooral in dien van Seti I nog dienst gehouden, en een deel der pracht was in stand gebleven. Vreemdelingen kwamen van heinde en ver de wonderen zien, en ten bewijze van hun bewondering namen ze de toevlucht tot kleineering van wat zij bewonderden, door te schrijven op de muren, op de voorstellingen der godentafereelen, zelfs in de geheimste kapellen. Daar prijkten dan hun aanmatigende, onbeduidende namen als schitterende blijken van hun dwaasheid. Ondanks die parasietische vereering, die altijd toenam, was de tempel van Seti I nog zetel van den pharaonischen eeredienst, dat is van den dienst, dien heel Egypte voor zijn grootste koningen hield en die hier vooral den vader van Ramses II betrof; de plechtigheden legden nog op veel personeel beslag, toen tegen de eerste jaren van de zesde eeuw een monnik, die zijn klooster ten noordwesten van de stad gebouwd had en die Mozes heette, met één slag èn den tempel èn den eeredienst, dien men den ouden koningen van Egypte wijdde, wilde vernietigen, zoowel als den invloed, dien de aan den tempel verbonden geestelijkheid nog bezat. Het was een grootsche strijd, en de dweepzieke monnik wist de zege te behalen. Op een dag van bloed en tranen ging de schijnheilige Mozes bidden, riep den toorn van zijn god in over den tempel en de priesters van den tempel, en even daarna schudde een aardbeving het huis tot in zijn diepste diepten, en alles stortte in, waarbij drie-en-twintig gewone en zes hooge offerpriesters omkwamen.

Als men dat zoo vertelt, lijkt het een wonder; maar de werkelijkheid is anders geweest. De monniken, geleid door hun opperhoofd Mozes, kwamen uit het Noordwesten; zij openden een bres, wat betrekkelijk gemakkelijk was, en, gewapend met zware ijzeren staven, beproefden zij, in grooten getale opgekomen en gerecruteerd uit alle aanhangers der nieuwe leer, die zich in de stad bevonden, een aanval. Op de stevige steenen van het gebouw vermocht de brand niet veel, maar de schilderingen op de muren werden een gemakkelijke prooi van het vuur, en al wat zij verder konden vernielen, bezweek onder de slagen.

Toch stieten zij op weerstand, en hoewel de tegenstanders een gruwelijken dood stierven, ook de dweepzieke bende had veel verliezen te lijden. Als men nog maar kon denken, dat het vernielingswerk plaats had in een oogenblik van toorn en opgewekte volkswoede! Maar de vernielingsarbeid duurde een heelen tijd, de woede was al lang bekoeld, toen nog de dweepzucht bleef gelden.

Te midden van de oude pracht, die zooveel herinneringen wekt, doorleefde ik een viertal winters. Het moderne leven der bewoners van Abydos was niet zoo begeerlijk voor mij, dat het mij weg kon lokken van de oude ruïnen. Elken dag en ieder oogenblik werd mijn aandacht getrokken door tooneelen uit de oudheid, die hun stempel hebben gedrukt op de tegenwoordige geslachten.

De dorpen, die thans verrijzen op de plek der oude stad van Osiris, zijn altijd in twee kampen verdeeld, dat der heftigen en dat der vreedzamen. Set heeft zelfs nog meer aanhangers dan de goede god, Osiris. De heftigen zijn goed georganiseerd onder leiders, die even slim zijn als geveinsd. Er bevond zich tijdens mijn verblijf in Abydos een bende boosdoeners, die werkte onder eene bij allen bekende leiding. Zij verwoestten het land tien mijlen in den omtrek, en de plaatselijke autoriteit onderhandelde met die menschen, blij, dat ze er met weinig kosten af was en daarbij nog haar deel ontvangend van den buit, door nachtelijke expedities opgebracht.

Als de leden van de bende van iemand in den omtrek hoorden spreken, die door slimmen handel en groote spaarzaamheid eenig geld had gewonnen en het zoo goed mogelijk had verborgen, en hun spionnen waren daarvan spoedig op de hoogte, dan begaven zich zestig of tachtig man, met goede geweren gewapend, naar de plek, sloten de huizen in, verwekten schrik en angst in de nabuurschap, traden overal binnen, zonder verlof te vragen en maakten zich van de begeerde schatten meester, alsof dat de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld was. Tijdens mijn derde verblijf plunderde die schrikwekkende bende een huis in een dorp, ten noorden van Abydos gelegen, en dreigde den oudsten zoon van het gezin, hem in stukken te snijden, als hij niet aanwees, waar zijn vader zijn geld bewaarde. De zoon hechtte meer aan zijn leven dan aan het geld, zooals te begrijpen is; hij wees den boosdoeners wat zij zochten, en de schurken trokken af met hun buit.

Zij gingen toen hun plunderingen zuidelijker vervolgen, en toen daar de man, op wiens geld zij het voorzien hadden, erin slaagde te ontvluchten, doodden zij hem den volgenden dag. Deze beide voorvallen hadden plaats in een tijdsbestek van veertien dagen. De plaatselijke autoriteit, ik bedoel den provincialen gouverneur, werd opgeschrikt door deze voorvallen en schreef een enquête uit, terwijl hij een bezoek ter plaatse bracht. De justitie kwam in beweging; er werd geschreven aan het hoofd der politie van het district, die op zijn beurt den magistraat van Abydos interpelleerde; en deze waardige man had niets haastigers te doen, dan de misdadigers te waarschuwen, dat zij al, wat tegen hen kon pleiten, moesten opruimen. Den volgenden dag kwam de politie, en de dieven en moordenaars hadden de volledigste ontkenningen klaar en de duidelijkste muzelmansche onschuld, in hun vuistje lachend om het gek figuur, dat de ambtenaren der regeering maakten.

Naast deze aanhangers van Set staan dan de aanhangers van Osiris, waar de eersten altijd mee lachen, nu zoowel als vroeger. Die vreedzame luidjes leverden het hoofdcontingent der werklieden bij de door mij geleide werken; maar ook zij zijn aangestoken door de leer van Osiris' tegenstander, zij hebben slechts matigen eerbied voor eens anders eigendom. Zij betoonden mij grooten eerbied, dankbaar dat ik hun iets liet verdienen, en soms noodigden ze mij uit, om enkele voorstellingen bij te wonen, gelijk aan die, welke op de graven waren afgebeeld, zoodat ik mij kon voorstellen, dat de godin Isis, de groote toovenares, nog altijd zooveel macht had als haar in 't verleden werd toegeschreven.

Wanneer ik des avonds thuis kwam, en hun dagtaak was volbracht, vergezelden ze mij al zingend, en als ik mijn verbeelding den vrijen loop liet, kon ik mij een zegevierenden intocht voorstellen in mijn goede stad Abydos. Indien bij het werk dien dag een goede vondst was gedaan van een of ander forsch steenen monument, brachten ze dat in mijn huis en trokken het met zestig of honderd man op een slede aan een touw voort, hun schreden afpassend naar de maat eener oude melodie, tevreden en gelukkig in hun armoedig bestaan. Bij het werk zag ik de opzichters nog dezelfde slagen toedienen met dezelfde zweepen, als er op de oude basreliefs te zien waren.

De zwarte aarde van Egypte heeft maar één gebrek: dat zij haar eigen bewoners zoo slecht voedt; maar overigens is dat land een aardsch paradijs. De natuur schenkt er, wat men maar wenschen kan. Zij biedt de allerschoonste tooneelen aan, en als des avonds de zon achter de bergen was verdwenen, was de stille rust van den schoonen nacht heerlijke balsem voor de ziel. Men zou hier eeuwig hebben willen leven.

Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan

Door PH. J. KETNER.

_Settimana di gloria_!--Wie had vóór eenige weken, toen de geweldenaar aan de golf van Napels dood en verschrikking bracht over het land; toen de Natuur, die Italië zoo mild heeft bedacht, die er zoo veel in schoonheid heeft hersteld en geheeld, wat door den Tijd was getroffen, met wreede hand in weinige uren in een woestenij verkeerde de velden en gaarden die de menschen door jarenlangen noesten arbeid in het zweet huns aanschijns tot vruchtbare landouwen hadden weten te maken; toen 1906 óók voor Italië een rampjaar dreigde te worden,... wie had toen durven denken, dat zóó kort daarop in datzelfde land een week van glorie zou aanbreken als inzet van een jubelfeest ter eere van de overwinning van den mensch _op de natuur_!?

Maar Italië is altijd het land van scherpe contrasten en snelle overgangen geweest, en geen natie ter wereld die zich zoo spoedig over leed en ellende heenzet als dit lachende volk onder zijn lachenden hemel!

En zóó kwam het, dat, terwijl in het zuiden van het land de nood- en doodsklokken nog luidden en rouwwaden werden gespreid in kerken en huizen, in het noorden al weêr de beiaard jubelklanken deed trillen door de lucht en het rood-wit-groen met het witte kruis van Savoye werd ontplooid ten teeken van nationale vreugde.

Ginds de mensch stil, nietig, verslagen, machteloos tegenover de vreeselijke, ontembare werking der natuurkrachten; hier de trotsche overwinnaar, zich van zijn genie en heerschappij over de stof bewust, met bazuingeschal de gansche wereld toegalmend: _Milano a nome d'Italia chiama le genti a le pacifiche gare del lavore_; "Milaan roept in naam van Italië de volkeren op tot den vreedzamen wedstrijd van den arbeid".

Wèl mocht Milaan die eer voor zich opeischen!

Want meer dan in eenige andere stad van Italië treden in deze metropolis de _mensch_ en _das Gebild der Menschenhand_ op den voorgrond. En altijd zal den reiziger die van over de Alpen Italië binnenkomt treffen de tegenstelling tusschen de gewijde stilte en de majesteit van het hooggebergte, waar de Natuur heerschappij voert en de wufte, wereldsche drukte, inhaerent aan den eeredienst van den mensch, in de stad, waar alle groote volkerenstraten, die Noord en Zuid verbinden, hun eindpunt vinden.

In Milaan klopt het hart van het herboren Italië; noemde Plinius de stad, waarover Cicero, de groote redenaar, eens als stedehouder regeerde, reeds "het nieuwe Athene", thans mag zij de geestelijke en zedelijke hoofdstad van Italië genoemd worden. Na de overwinning der Fransch-Piëmontsche wapenen op de Oostenrijkers bij Magenta in 1859--vereeuwigd in het prachtige ruiterstandbeeld op het reusachtige Domplein, een der schoonste van Europa, dat Victor Emanuel II voorstelt midden in het gevecht, zijn paard inhoudend om bevelen uit te deelen--heeft de stad, bevrijd van het vreemde juk, zich snel ontwikkeld tot een centrum van handel en nijverheid.

Milaan is de _werk_stad van Italië; drie machtige bondgenooten hebben haar daarbij geholpen om de positie te veroveren, die zij thans onder de eerste steden van het Apenijnsche schiereiland inneemt. Deze "triple alliantie" bestaat uit: het verstand, de werkzaamheid en het geluk.

Aan die drie elementen dankt Milaan zijn enorme uitbreiding en zijn toenemende welvaart.

De stad telt nu meer dan een half millioen inwoners en is het middelpunt van het intellectueele en artistieke leven van dit begaafde volk; de verzamelplaats van tal van zangers, toonkunstenaars en tooneelspelers uit alle landen der wereld; hier is de markt voor impressario's en operadirecties. Maar boven alles verheugt zich de industrie hier in hoogen bloei. Milaan is het middelpunt van de Lombardijsche zijdeweverijen, die haar grondstof te danken hebben aan de duizenden moerbeiboomen in deze vruchtbaarste laagvlakte van Europa met wier bladeren de zijdewormen zich voeden. Ook fluweel, tapijten, papier en gummi vormen hier belangrijke export-artikelen, terwijl uitgevers als de gebr. Treves en de firma Sonzogno een Europeesche vermaardheid genieten.

Moet men niet toegeven dat alle omstandigheden Milaan hebben voorbeschikt om binnen zijn muren (in letterlijken zin, want de oude wallen met hun trotsche poorten zijn, schoon tot lommerrijke plantsoenen aangelegd, nog in stand gehouden), temidden van zijn eeuwenoude _palazza's_, zijn indrukwekkende baselieken en prachtige monumenten, en in de schaduw van zijn machtigen Dom--kostelijkste nalatenschap van de christelijke kunst!--de eerste internationale tentoonstelling aan deze zijde der Alpen te herbergen?...

Trouwens, de aanleiding tot het houden der tentoonstelling knoopt zich onmiddellijk vast aan de commercieele belangen van Milaan.

In 1881 opende het, onder de auspiciën van den beminden Umberto I, de nationale tentoonstelling ter viering van de voltooiing van het reuzenwerk van den _St. Gotthard_-tunnel en thans, na 25 jaren, is het op nieuw het tooneel van een uitgebreider en grootscher feest van den arbeid, met medewerking van de bevriende natiën tot stand gebracht, ter eere van de opening van den nog belangrijker _Simplon_-tunnel.

Naast de steden van West-Zwitserland (vooral Genève) zal Milaan toch de meeste vruchten plukken van de totstandkoming van dezen tweeden tunnel tusschen Zwitserland en Italië, want het groote vervoer langs dezen nieuwen en hoogst noodigen verkeersweg, die het spoorwegtraject Parijs-Milaan b.v. met 83 K.M. zal verkorten, zal ten slotte op Milaan uitloopen, zoo goed als het de terminus is van het enorm-drukke vervoer langs den St. Gotthard-spoorweg van alles wat via Basel-Luzern naar het zuiden stroomt.

Het feest van den Simplontunnel mag dan ook het feest van de stad Milaan genoemd worden, maar tevens jubelt Italië, dat van den nieuwen verkeersweg een belangrijke uitbreiding zijner handelsbetrekkingen, vooral met Frankrijk, verwacht, daarmeê ten aanhoore van heel de wereld uit zijn vooruitgang en zijn bloei, zijn gevoel van verjongd leven, zijn geloof in de toekomst onder de bezielende leuze: _Sempre avanti l'Italia!_