De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 40
Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde, en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden met indrukwekkende bergpanorama's aan alle zijden, over den Col de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.), dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende lavasoorten, die als 't ware eene staalkaart vormen van wat de vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860 M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken; de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen, had ik gewaagd en gewonnen!
De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen, waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.
De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien, de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.
Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden: het zijn de tegenwoordige Puy's, waarvan we enkele beklommen. Eene derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen, zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.
Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden, stortte de hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den dampkring onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed, dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk; afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.
Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.
Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug, was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg, over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en naar Nederland.
Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne, in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.
De taal zelf is eene vertakking der "langue d'Oc", die tot in de 15_de_ eeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men hoorde er weinig meer van, tot in de 19_de_ eeuw, toen er wat nieuw leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan: "Lo Cobreto"; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence, en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde eer aan zouden doen.
En nu: _fransch_: Rien aussi bien reparti que l'esprit et les impôts; chacun trouve qu'il en a assez.
Oud Auvergne'sch: N'ya re de si bhin parthi couma l'aima et la tailla. Tsaum troba que n'a prou.
Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir une foire.
Oud-Auvergne'sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene na feira.
Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn, met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,--op niets uit moesten loopen.
AANTEEKENING
[1] De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor Gugel's geschiedenis der bouwstijlen.
Abydos
Naar het Fransch van E. Amelineau.
De legende van Osiris.--Geschiedenis van Abydos in den tijd der egyptische dynastieën en in den christelijken tijd.--De monumenten der stad en hun berooving.--De tegenwoordige inwoners en hunne zeden.
Allereerst wil ik een woord van dankbare herinnering wijden aan het stadje, waar ik vier jaren van mijn leven heb doorgebracht en dat mij belangrijke gegevens heeft verschaft, welker gewicht plotseling voor de oogen der minst helderzienden een tijdvak heeft onthuld, waarvan men tot nu toe weinig wist en waaromtrent nu veel onwrikbaar vaststaat. Ik ga dus van het stadje Abydos in Egypte vertellen, om de herinneringen op te halen, die mij gebleven zijn uit dat deel van mijn leven en die den lezer van dienst kunnen zijn.
Zoo er ergens ter wereld een stad is, welker overlevering en geschiedenis tot die primitieve tijden opklimmen, waarin de gedachte van den nog kinderlijken mensch haar eerste levende stapjes deed op den weg van de beschaving, dan is die stad Abydos. Ten minste vijf duizend jaren vóór onze jaartelling was de plaats reeds van voldoende beteekenis, dat er de meeste kunsten bloeiden die te zamen het leven der menschen mooier maken, en reeds hadden zij een groote en zeldzame volmaking bereikt.
Sedert dien zoo ver achter ons liggenden tijd hebben heilige bedevaarten op een bepaalden tijd van het jaar, en wel den dag van den winterzonnestand, er een massa vreemden heen gevoerd, die de hulp kwamen inroepen van den weldadigen, in het bezit van Abydos zijnden, God of hem kwamen danken voor verleende gunsten; want als alle zeer oude steden en met hetzelfde recht had Abydos zijn gansche verleden met de legende van Osiris in verband gebracht, die zoo bekend is wat de gebeurtenissen in het groot betreft, en zoo onbekend is gebleven in de bijzonderheden.
Volgens de legende regeerde, op een tijdstip dat niet nader is vast te stellen, over Egypte een geslacht, waarvan het hoofd Seb was en de moeder Noet; later zouden de Egyptenaren van Seb den aardgod en Noet de hemelgodin maken. In dien tijd lieten de plichten van het koningschap den dragers veel vrijen tijd en verhinderden hen evenmin als in onze dagen, zorg te dragen voor een voldoende nakomelingschap. Seb en Noet hadden vier kinderen, twee zoons en twee dochters, die volgens het gebruik met elkander moesten trouwen, Osiris met Isis, Set met Nephthys; maar het waren ongelukkige huwelijken, en er kwamen burgeroorlogen uit voort, die lang zouden duren en droevige moordtooneelen zouden veroorzaken.
Osiris en Set zijn inderdaad de vertegenwoordigers van twee uiteenloopende systemen van het koningschap. Osiris is de god, die door zachte middelen wil beschaven, door den landbouw en door kunst en wetenschap; hij is een tegenstander van geweld, van oorlogdienende uitvindingen en strenge wetten, het tegendeel van Set, dien de Grieken Typhon noemden, om zijn boosaardige rol aan te duiden.
Osiris is Abel, Set is Kaïn en tegelijk Tubalkaïn uit Egypte, de god der krijgers, der metaalzuiveraars en van al die industrieën, die de menschen de diensten, die ze hun hebben bewezen, duur hebben laten betalen. Twee zulke verschillende naturen, twee geesten, zoo vol tegenstellingen, moesten elkander wel vijandig zijn. Eerst heerschte er vrede; maar toen Osiris, terugkeerend van zijn glorierijke overwinningen door de verspreiding van de kennis van den landbouw en der kunsten, die de menschelijke ziel tot zachtheid stemmen, gevierd en toegejuicht werd, brak de noodlottige strijd uit.
Tijdens een feest, dat aan zijn broeder en zijn zusters door hem werd aangeboden, verscheen te midden van een talrijk gezelschap vreedzame en krijgshaftige goden Set, die, zijn duistere plannen verbergend, een kist vertoonde, waar hij al zijn kunst op had aangewend. Hij stelde den verbaasden goden voor, het kunstwerk te willen vereeren aan dengene, die de kist precies zou vullen. De goden beproefden het bij beurten, maar niemand slaagde erin. Toen de beurt aan Osiris was gekomen, ging hij in de kist liggen en, wonderlijk geval, hij vulde die geheel. Reeds meende hij er heer en meester van te wezen; maar Set, de listige en wraakgierige, sloeg onmiddellijk het deksel dicht en sloot de kist. Osiris werd gestikt. Dat had zijn broeder Set voorzien en gewild, want hij kon het niet verdragen, dat Osiris de stervelingen beschermde, hun middelen aangaf, die hun leven vroolijker konden maken; hij wilde integendeel oorlog en vernieling. Hij had allerlei middelen bedacht, om tot zijn doel te geraken en de eerste plaats in te nemen in de gedachten en het leven der menschen. Zijn plan gelukte, en van dat oogenblik af heeft de mensch, al te trouw die eerste dwaasheid aanhangend, maar al te goed zijn lessen gevolgd. De kunsten des vredes zijn daarom in den steek gelaten, ten minste ondergeschikt gemaakt aan de kunsten van den oorlog; het leven is een prooi geworden van verwoestende machten, en aan alle zijden overstemt het geluid der hamers, die ketenen smeden en het ijzer bewerken dat vernietigen moet, de vreedzame klanken van het werk des landbouwers, die de aarde vrucht doet dragen en de menschheid voedt. Overal hoort men oorlogsklanken en nauwelijks durft het lied des vredes schroomvallig, klagelijk zich doen hooren.
Maar Osiris liet zijn vrouw en zuster Isis na, die hem zou wreken. Isis, die haar man geen zoon geschonken had, aan wien de wraak kon worden toevertrouwd, stelde zich ten plicht het lichaam van Osiris op te zoeken en, als zij het teruggevonden had, het te doen herleven, opdat hij zijn werk kon hervatten. Set had, nadat hij zijn mededinger overweldigd had, de kist in den Nijl geworpen onder de toejuichingen van zijn helpers, de lachende geesten. De Nijl had de kist naar zee gevoerd en de golven hadden haar teruggeworpen op het strand van Byblos, waar een boom was opgeschoten, die de kist geheel omsloot en haar in zijn stam opnam. Isis, die het lijk van haar man zocht, kwam te Byblos, werd door een gelukkig toeval eigenares van den boom en de kist, en keerde naar Egypte terug met den kostbaren last. Doch op een avond, dat Set bij maneschijn op de jacht was, ontdekte hij de kist tusschen het riet in Beneden-Egypte, maakte zich ervan meester, en om te beletten dat Isis haar weer krijgen zou, sneed hij het lijk van zijn broeder in stukken en verspreidde de deelen over de provincies van Egypte. Isis vond ze terug, begroef elk der veertien fragmenten op de plek, waar zij het ontdekte, nadat zij ze eerst aan elkaâr had gepast. Op elk gedeelte van het heilige lijk liet zij een graf oprichten, en Abydos stelde er een eer in, dat het een stuk van het goddelijk opperhoofd bezat, en wel de doos met het hoofd van Osiris.
De plek, waar het stadje was gelegen,--want Abydos was altijd een kleine plaats,--zal niet veel verschillen van die, waar tegenwoordig de arme dorpjes liggen, ontstaan op de puinhoopen der oude stad. De Nijl stroomde op vrij grooten afstand van het graf van Osiris, maar zocht dan verder al meer de nabijheid van het arabisch bergland en verwijderde zich van de Lybische bergen, zooals nu nog altijd het geval is tengevolge van den aard van het terrein.
Tusschen de rivier en de heilige stad van Osiris lag toen al een wijde vlakte, doorsneden door enkele kanalen, en vijf of zes maanden van het jaar groen en bloeiend en welriekend door de geuren, die uit bloemen opstegen. Er werden veel boonen verbouwd en linzen en andere planten, die men er nu nog kweekt. Jaarlijks kwamen er menschen en dieren in dien tijd van overvloed. De menschen bouwden er, te midden van hun voedende gewassen, ezbehs en andere primitieve gebouwen, waarin zij met de dieren samen genoten van het leven in de open lucht bij betrekkelijken overvloed, beschenen door de weldadige zonnestralen en met geen andere taak dan te genieten van de warmte, het zich voeden met de producten van den grond, het opsnuiven der geuren uit de lucht, en het aan niets anders denken dan aan spel en vreugd; dus juist te leven als het stomme dier, alleen met dit verschil, dat de fellah met de spraak begiftigd is. En dan is die taal nog zoo primitief; ze bestaat slechts uit een luttel aantal woorden, zoodat men haast geneigd zou zijn, de stilte en het zwijgen van de dieren te verkiezen, die de mooie dingen, die zij denken, althans vóór zich houden.
Dicht bij de dorpen groeien boomen en boompjes, acacia's en tamarisken, palmen en die vruchtboomen, die de achterlijke bewoners hebben leeren kennen. Achter een gordijn van die boomen en geheel ingesloten door hun gebladerte, heeft Abydos nu zoo goed als in den ouden tijd een armoedig voorkomen met zijn huizen van ruwe steenen of van aarde, staande op heuvels van puin. Het ligt ten westen van den Nijl dicht bij 't onvruchtbare gebergte, altijd binnen het bereik van rooversbenden, geneigd om op de onverdedigde plaats neer te strijken.
Misschien dat de gezeten bevolking der heilige plaats uit die rooverbenden is voortgekomen, die ook eens de genoegens van het bezit eener vaste woonplaats wilden smaken; de nomaden gaven daarom de vermaken van roof en plundering niet op en maakten zich tot heeren van de ongelukkige fellahs, die het dal bebouwden. Set heeft opnieuw zijn broeder Osiris op deze plaats overmeesterd. Dit alles klinkt des te meer waarschijnlijk, daar in alle tijdperken der geschiedenis, van de oudste tijden tot op onze dagen, de bewoners der heilige stad weerstand hebben geboden aan de eerste regelen der moraal van de gewone maatschappijen. Zij hebben altijd slechts middelmatigen eerbied gehad voor den eigendom, hebben altijd gemeend dat andermans goed een zeer bijzondere bekoorlijkheid bezat en hebben nooit verzuimd, zich er van meester te maken, als zij het maar even konden doen.
Voor hen is een man eigenlijk eerst een man, als hij ook een dief is; diefstal is de toetssteen van eerbiedwaardigheid, en hij alleen is braaf mensch, die proeven van bekwaamheid heeft afgelegd door in eigen handen te doen overgaan wat in die van zijn buurman zich bevond. Dus kan men licht begrijpen, dat de godin Isis dacht, dat zij in den geest van Osiris handelde, als zij dien wilden eenige begrippen bijbracht, thuis behoorend in beschaafde maatschappijen. Wie niet gelooft, dat de groote godenmoeder Isis zulk een gedachte heeft gehad, moet dan maar denken aan de scheppers der legende, aan de priesters, die zich den zegen van het bijgeloof der menschen ten nutte maakten, door datzelfde bijgeloof te doen strekken tot den algemeenen vooruitgang der maatschappij.
Abydos was dus nooit een groote stad, de resten van de oude plaats, die nog ten deele door de moderne dorpen worden ingenomen, toonen dat voldoende aan. De stad strekte zich in de lengte van het Noorden naar het Zuiden uit langs de zandige strook naast het gebergte, die dat laatste volgt in zijn bochten en krommingen, over een afstand van één of anderhalven kilometer, ter breedte van niet meer dan 300 of 400 M. Er was deze bijzonderheid, dat de stad der dooden en die der levenden één waren. De kleine huizen, opgetrokken van ruwe steenen of van aarde, drongen zich tegen elkander aan, als om in elkanders schaduw te staan en de warmte te ontvlieden.
Enkele weinige tuinen met hun naar den hemel strevende palmen en de andere in het land te huis behoorende boomen waren het eigendom van de gelukkigen, die in de gunst waren van den regeerenden vorst. In de stad Abydos, juist als in alle egyptische steden, kende men een adel met klinkende namen, zonneschermdragers, die rechts van den koning gingen, groote profeten van de verschillende hoogvereerde goden uit de stad en uit de hoofdstad der provincie, namelijk uit Thinis, hoofden ook van alle werken, die de Pharao's ondernamen, koninklijke goudsmeden, graveurs en beeldhouwers, die groote verdiensten heetten te hebben; maar al die titels hielden geen gelijken tred met de rijkdommen der personen, en de menschen uit Abydos leefden zoo goed zij konden, hoofdzakelijk van roof. Ofschoon verwoesting en plundering van bijna alle monumenten, door de egyptische kunst gebouwd en versierd, ten allen tijde een endemische ziekte zijn geweest en overal voorkwamen, kan geen andere plaats er zich op beroemen, Abydos in dat opzicht te zijn vóór geweest.
De doodenstad is daar, om het te bewijzen; de plunderaars hebben er in alle tijden weggehaald, wat vorige geslachten er met de grootste zorg hadden verborgen, en de fout kwam voor, zoo wel boven als beneden aan de maatschappelijke ladder. Hooge officieren van den koning, priesters van Osiris, waren er niet voor teruggedeinsd, de dooden ten eigen bate te berooven, en menig graf heeft twee- of driemaal voor verschillende familiën gediend, of wel, als men de fijnheid van geweten tot waarlijk buitengewone hoogte wilde opvoeren, nam men de steenen, keerde ze om en graveerde op de vrijgelaten zijde de titels, waar de nakomelingschap prijs op kon stellen. Indien in 't vagevuur vóór den heiligen rechterstoel van Osiris de twee-en-veertig assessoren van den god en de god zelf onverbiddelijk zijn gebleven voor diegenen, die de misdaad van gravenschennis hadden begaan, zullen zeer weinig inwoners van de heilige stad genade hebben gevonden voor den Heer van het heelal, of zij moeten een middel hebben geweten, om den Onomkoopbare om te koopen, wat niet verbazingwekkend zijn zou in het Nijldal.
De groote godsdienstige gebouwen, die te Abydos de vroomheid der beroemde Pharao's had opgericht, zooals de tempel van Osiris, die van Seti I, van Ramses II, om slechts de bekendste te noemen, waren zelf niet veilig voor de roofzucht, die als een ziekte rondging, en, wat eerst verrassend schijnen zal, maar wat toch niet behoeft te verbazen, zij, die de eersten waren om 't verkeerde voorbeeld te geven, waren de opvolgers der Pharao's-oprichters. De tempel van Seti I bijvoorbeeld werd voor een deel geplunderd door Ramses II, den eigen zoon van Seti, en daar hij het werk niet volledig genoeg had volbracht, deden zijn opvolger en anderen, zooals hij gedaan had, zoodat de tempel, die nooit geheel voltooid werd, platen vertoont van drie of vier koningen, die zich de een na den ander de eer toeëigenen, hem onvoltooid te hebben gelaten.
In de jaren, die volgden toen de plechtigheden van den eeredienst nog slechts voor een gedeelte werden uitgevoerd, oordeelden de priesters het goed, zoo dicht mogelijk bij de plaats, waar zij hun werk uitoefenden, zich te vestigen en in den heiligen tempel te gaan wonen. Het was ook op zulk een heilige plek, dat de dweepzieke monniken, die het egyptisch christendom beleden, hen vonden, toen zij het vorstelijke, gewijde gebouw vernielden, en drie-en-twintig priesters onder het puin begraven werden. Het kan dus niet verwonderen, dat de lagere volksklasse, het voorbeeld volgend van de geestelijken, er haar leemen hutten bouwde en de heilige plaatsen op alle mogelijke manieren ontwijdde, zoodat deze ten slotte nog voor een deel gespaard zijn gebleven door de vuilheid en de onverschilligheid der bewoners.
Toen dan ook Mariette in 1859 de ontgraving begon van de gebouwen van Abydos, moest hij eerst de bewoners uitdrijven, die er sinds onheuglijke tijden woonden, en hij heeft nog niet eens alles gedaan, wat er te doen was, want de eerste groote zaal van den tempel van Seti I ligt onder een puinheuvel, waar nog steeds de woningen op staan, die men er gebouwd heeft.
Abydos nam zonder eenigen twijfel deel aan het eerste ontluiken van het Egyptische rijk in den historischen tijd; maar vóór dien van wel zestig eeuwen vóór onze jaartelling dagteekenenden tijd, was de plaats reeds bevolkt, zooals ik heb gezegd, en ook reeds eenigszins gevorderd op den weg van de beschaving. Daar kan men niet langer aan twijfelen, na wat ik er heb voor den dag gebracht en na wat anderen er later hebben gewerkt.
Zoo men van die alleroudste tijden zeer weinig weet, een tijd nog vijftien à twintig eeuwen den vroeger genoemden voorafgaand, toch weet men reeds veel over de vreedzame of oorlogszuchtige gewoonten van de menschen, die in Abydos leefden. Aan de kunst werd er met merkwaardig succes gedaan; de industrie maakte er prachtige vorderingen. De voorwerpen, die de opgravingen hebben aan het licht gebracht, pleiten daar sterk voor en toonen aan, dat men reeds in dien zeer vroegen tijd het hieroglyphenschrift had uitgevonden. Dezelfde onzekerheid bestaat ook thans nog omtrent de gebeurtenissen, die men historisch noemt onder de eerste dynastieën; men weet intusschen, dat de dienst van Osiris er reeds gevestigd was en er werd uitgeoefend, dat men een groote rechthoekige vesting had moeten maken, die nog bestaat en die men tegenwoordig de Schoenet-eg-Zibib noemt.