De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 39
Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen, oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op; moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij 't lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten, kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de gestelde eischen zal beantwoorden.
Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling over het "orgel" geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van 't net der Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van 't station naar het hotel l'Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement: eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond; in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van 't jaar 560 werden de laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;--het was niet alléén in Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen, al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht, en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes; huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om, zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen, eens een keurig klein geheel te vormen.
Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan, komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen; te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den nieuweren tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog, 1870-71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd afgekondigd dan te Parijs.
Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de indruk, dien het stadje--het heeft niet voluit 1000 inwoners--maakt met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden, die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.
Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de "Grande place," een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden; een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber; uit eene herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg, dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes genomen, kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur, die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge, op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen, nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte poorten, zooals die van l'Horloge en der Martille, vestingen op zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet, met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon, later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen, zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.
Ik bleef aan 't ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en 't gebrek aan orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede moest denken.
's Avonds aan tafel--want te Salers komen veel reizigers--maakte ik kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort; tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs, in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen, ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door 't langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd door het tooverwoord "La grande Revolution". Ik werd in het levendig gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten "une grande revolution" en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. 't Was heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet, en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten, en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze; tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd; we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik 's middags gevonden had, het hotel weer binnen.
Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van 43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op; vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik werd voor 't ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek--de woonkamer van het gezin--was erg bedompt en waarschijnlijk sedert de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.
Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde; de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien; van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend, die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten en mij in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.
Bij den Col de l'Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar 't ongeluk vervolgde mij, men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij, na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje kaas tevreden moeten stellen.
Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze boomrijke streek het landschap mooi zijn--nu droop alles. Te Dienne--ik was toen nog 10 K.M. van Murat--moest gemiddagmaald worden, en ik zocht daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven, er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij 't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op 't uiterlijk noch naar den smaak.
Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat; een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken altijd denzelfden diepen indruk.
In de stad zelf--zij heeft 3000 inw.--heeft men de oude O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl; de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land- en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort, genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van die kaas was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die overigens schilderachtige omgeving.
Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen, maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt, om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.
Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten; men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid; de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt, den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.
't Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon; 't ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig verblijf.
Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder 't loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak, waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen en onregelmatig rond van omtrek; 't is een oude krater, waarover later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan 't einde waarvan de Plomb du Cantal zich verheft. 't Is een zonderlinge bergvorm, een plompe heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van 't fraaie panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede reclame, maar 't was een schreeuwende wanklank in die omgeving.
Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan 't pruilen te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet door te gaan, want 't zou boven niet helder zijn. Maar ik had het uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest; onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in een oogenblik alles grauw en zwart geworden; 't volgende oogenblik waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam, werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. 'k Moest nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was, nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.
In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd worden. Gelukkig had men in 't hotel de uittrekkende schapen geteld, en bij 't lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen spoedig weer draagbaar te maken. Die geen tweede pak bij zich had, moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.