De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 38

Chapter 383,955 wordsPublic domain

Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen, tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo geschiedt nog tot op heden.

De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle kaas heet daar "St. Nectaire", en de gelagkamers getuigden van zijn bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak; dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als 't kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.

Zoo'n huis daar is aardig ingericht, en bij veel grooter afmetingen herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige deelen van ons land. De stal voor 't vee is altijd klein; het vee wordt gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in 't najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde, waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen, of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen, of bronwater wilde drinken; ze kon mij het "eau de la Vierge" zeer aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene frissche kruik aan de bron te halen, en 't kwam mij voor dat de bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg aan mijn dronk "eau de la Vierge".

Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten van Jonas te bezoeken. 't Werd wel een vermoeiende dag, maar den volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr was er eene diligence.

De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen hare rotsachtige oevers voort. De overzijde is vooral dicht hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven. De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in vuurgloed gevormd te zijn. 't Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre, waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60 holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,--misschien zijn ze wel uit het vóór-historische tijdperk,--en zij werden eeuwen lang bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden, dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert een twintigtal jaren wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.

Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en 't was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse--'t heet eigenlijk "Besse en Chandesse"--is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor, voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek; de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum, tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen--de schrijver telt niet mede--en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr, en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit: "Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets heerlijks gemaakt." De man was kok en liet er zich bij de omgeving op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!

Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen, ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten daar te leeren kennen.

Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de maaltijd te Vassevières met het "eau de la Vierge", het doorkruisen van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura, genoot ik een welverdiende rust.

's Ochtends vroeg de stad in; 't is maar een stedeke van 1800 inwoners, met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis--ze zijn allen uit de 15de en 16de eeuw--met eenvoudige, allerkeurigste versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip, natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.

Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje, maar met zoo weinig water, dat 't gehoopte aangename gezelschap van zoo'n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het dal weidevelden, ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis, "burons" worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97 M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel op zijde te stellen en u te verkneuteren aan 't heerlijke natuur tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur, was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig; daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en kleurschakeeringen, tot we komen op een punt tegenover het bergpad dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. 't Is heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts, en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; 't is en blijft mooi.

Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve d'Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in 't voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.

De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden, wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en ziet men "Condat en Feniers" in een breed bekken voor zich liggen. Op zichzelf biedt de plaats niets bijzonders aan, 't is een stadje van 2600 inwoners, en het ligt in Cantal; er is veel handel in hout; maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar in een groot dal samen, 't Was heerlijk weêr, stil en niet te warm; eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.

Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip vormen van iemand die 's morgens om 4 uur op wil staan, om dan voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch, kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De weg loopt bij het verlaten van Condat hoog boven de rivier, maar altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout, zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet, geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de "Pont de Soutre" nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet men bij de "Rocher des Faux monnayeurs", een grot waarin volgens de overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein, die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar, vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: "maar mijnheer, dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat is mooi! en dat is mijn land!" Ik wilde hem vooruit betalen, als hij kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij liet zich met de dwaasheden van zoo'n tourist niet in.

Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op; de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog, en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige gelegenheid tot een praatje. De zomer was er zeer droog geweest, de oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende dat men de tweede snede maaide,--men werkt daar ook des Zondags in het veld--bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede wel niets komen.

Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom naar de herberg des Voyageurs, eene niet al te weidsche kroeg; ik kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan aan de table d'hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen, vrouwen en kinderen allen in 't zwart. De vrouwen eerst in den winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier, en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat, eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel, verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in kroegen van mindere soort.

Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant; te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.

Het was nog drie uur ver, en 't was broeiend heet; van schaduw was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort; vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de bazaltruggen, het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen, scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af, bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende, eene woestenij van bergpuin, in 't oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men, neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden, die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien.

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen, de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. 's Morgens vroeg trok ik er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad, een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van 't geen men boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort--en er zijn er zoo meer in Auvergne--zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde; maar wanneer zoo'n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10 meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen, van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic, eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. Bosschen, heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval, schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur, eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.