De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 34

Chapter 343,685 wordsPublic domain

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond, omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit, behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa's schijnt het land een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot in het midden der 19_de_ eeuw was het in 't bezit van de Afghanen, en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen, tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te midden waarvan het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem, waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons, eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony's, bereikten wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen, dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een reis van meer dan 1000 KM., voor 't meerendeel door woestijnen, met zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie, die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend, en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk, er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen, maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia's ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken, daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten, toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte, dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat, daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle mogelijke eer. Maar wij hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het gevolg was van het feit, dat het Perzisch, 't welk in Indië wordt gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg, zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd, beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit, dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden, zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan te nemen, die naar 't Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen, vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels; zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah, maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen, die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen, takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees, waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden, en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is nog in 't geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de voeten te maken. Toen hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball, toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren, de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen, maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij een vat bier aan onze perzische collega's hadden afgestaan en dat ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken, die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies, de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen, die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout, terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote waterréservoirs of _gobasta's_ waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan, bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas, zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen, wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: "Hier moet werkelijk het paradijs zijn geweest!"

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.--Zijn geschiedenis.--De delta van de Helmand.--Vergelijking van Seïstan met Egypte.--Uitstapjes in Helmand.--Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan, Beloetsjistan en Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem uit is voortgekomen, de held van Firdoesi's heldendicht, die nu nog, als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor, dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn, en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den voet, die hem den bijnaam _lang_, den kreupele, bezorgde, waardoor hij Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra, daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat den naam van _Band-i-Rustem_ droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst, dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot deel van Azië is ditzelfde van toepassing.