De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 33
Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had, vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887 vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde, toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen in het daarna volgende jaar.
Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat der patriarchen zal verschillen.
Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.
Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar, waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.
Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik, te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.
In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer, Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk over Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot Ormoezd wilden gaan.
Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag, een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond, waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden te zien waren.
Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder voorwendsel, dat hun kameelen, die 's avonds laat waren aangekomen, rust behoefden, om stil te houden.
Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam beduidt "plaats van den dwergpalm". De bladeren van dien daar veel voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. "en", zegt de schrijver van _Eastern Persia_, "ook mutsen, sabelscheeden, zweepen enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen; de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land".
Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.
De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te goed deden.
De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren van de 19_de_ eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.
Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict, waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000 francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.
Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels, en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen, Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het _Bih_ van den reiziger uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.
Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van October waren, wees de thermometer 's middags bij de 38° C.
Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben, dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.
Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur, die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen, en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.
Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te betalen voor wat wij zouden noodig hebben.
Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening werden de menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is, waar fluiten gemeenlijk voor een "taal des duivels" doorgaat.
Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen; de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.
Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging, die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons, wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.
Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.
Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd; maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine, met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan te behooren.
Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan, een welvarend dorp van wel duizend inwoners.
Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust, en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en Moellah Basjan.
Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote verbazing liep alles zonder ongelukken af.
Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30° C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. 's Avonds kampeerden wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.
De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van zijn geslacht vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen, waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom, dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.
Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten, wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.
Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren, de naam der regeerende dynastie.
Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer, in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje, dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin zal zijn geweest.
Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel; onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij ten slotte goede vrienden.
Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk, vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig, al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.
Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz, dat ongeveer 2000 inwoners telt en 't beste klimaat heeft van heel Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer, waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.
Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas, van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van het district. Landbouw werd er niet beoefend.
De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.
Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh, die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen, en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken, den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.
De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele uitbarsting melding gemaakt. Het gezicht, dat men van den top had, was 't mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.
Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft, om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.
IV
Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.--Van Kirman naar de grensstad Koeak--De grensregelingscommissie.--Vraag naar den voorrang.--Het werk der commissie.--Van Koeak naar Kelat.
Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was, met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.
De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren; onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.
Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka, waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt: "Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en Sarbistan." Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier, waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.
Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw zegt een schrijver: "Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin, en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking, dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi plekje te hebben gezien."
Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.
Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort, liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.
De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh, want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.