De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 30

Chapter 303,937 wordsPublic domain

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië, of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas, waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld, zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki, den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten _Dar-ul-Muminin_, dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan, geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd, langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad zou afscheiden van Medsjed.

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid, waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad, maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een, om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den zuidkant der stad bereikt, is het land in 't noorden vlak en open en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken, bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug, even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort, een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan, hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis, dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds, die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de 12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen, te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen, gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger, te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten, dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen, en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam Kara-tapa of Zwarte heuvels. 's Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was, die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek gevoerd met enkele mannen van ons gevolg, 's Avonds van dien dag, toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang, en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd, dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek, waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer, Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang, die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen, dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben, maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt, als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee, dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad, nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar "het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten."

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken, hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken; overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige deelen van Pendsjab.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der dame een soort van gevecht nabootsten, tot zij een teeken had gegeven, dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging deed, het te onderwerpen. De _ilkhani_ is reeds door lord Curzon op amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden, dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een _sowar_ en twee paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het _Unter den Linden_ der plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent "Graf eens Martelaars", heet zoo, omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan, geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor 't meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden, die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd, wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij, de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn, deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over, een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï's, die ter dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de kaart aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie school of _mederssch_ laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord _havir_, kiest terecht het arabische _hafr_, dat beteekent "zoutmoeras". Dat woord is nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking _Loet_ betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of "steden van Lot". Zij leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte, juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.