De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 3

Chapter 33,922 wordsPublic domain

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs het fluweel der zachte groenheid vóór hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij 't dwalen langs die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles, voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen, wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien, die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort en vorm en afmeting, van 't kleinste watermolentje, dat wanhopig en woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen, begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken, zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden, de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines, ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan te danken heeft. De verdeeling van de watermassa's moet met oordeel geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men voorzag erin door het in 't leven roepen van scholen voor ingenieurs, waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het al niet zoo moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten, een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa's af te voeren en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen, waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke, wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft, als men ten minste ooit haast met iets kan maken.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan, bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren, alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der wielen in. Zoo'n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen, alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken, terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn, symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken, waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen, die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens, waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen, komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van 't kanaal wenden de schuiten stil en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere, kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit, zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden door een stoet van eenden.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord, want alles glijdt er over 't water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous, van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar 't geschuifel van het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van 't koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis, en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt, om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In 't voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud, purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van 't hollandsche land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd.

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen, hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur, een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten, stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit, doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten, er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij, worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen, noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en 't is, of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen, met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid door een klein meisje, kwam ik al gauw in 't eenige logement der plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille, ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen, om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

"Lief boerin ... aardige meisjes..."

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

"Ik heb ze het leven gegeven."

"Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo'n honger!"

Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend door de bekoorlijke schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn pijpje zat te rooken, lachte mee.

"Waar zijn zij heen?" vroeg ik in armzalig Duitsch.

"Naar boven," zei hij, wijzend naar 't plafond.

"Ik wou haar portret wel maken."

"Wacht een oogenblik."

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde, durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar, uitgedost in de beste spullen.

"En de beide anderen?"

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op, en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

"Maar wij zijn er, wij!" beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot, begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje, waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam, want het was dit versje van Ronsard:

"Donc, si vous me croyez, mignonnes, Tandis que votre âge fleuronne En sa plus fraiche nouveauté, Cueillez, cueillez votre jeunesse; Comme à cette fleur la vieillesse Fera ternir votre beauté."

Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen, zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte, altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving, gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. Wij lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven, van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen, mooi uitkomend tegen 't zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers, bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo's aan de muren, wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan 't venster komen kloppen, en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar 't zijn goede kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid, begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven, en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen, die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte vleesch en 't brood, die alle redelijk smaken.

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine, ronde, oude man, wiens ambitie bij 't biljarten ik had opgemerkt, bleef zitten en snorkte kalm.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt hem iets in 't oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat zijn zware oogleden op en is op 't punt te vallen. Hij wordt naar de deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader, die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt, die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht, die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel, die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.