De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 26

Chapter 263,713 wordsPublic domain

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana, om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is, dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen, moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan, die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum; de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem- of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door een zuigpomp.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen, of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à 20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen; hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens voeren.

De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats, waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten, welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie, die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden, en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten, hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's; dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons, watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast, dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over 't algemeen zacht en fijn. De witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier; hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken; maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan, Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen nacht onze vensters geschud, en 's morgens bij het opstaan zien wij de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal, noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees- en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd, en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten, terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch verrezen aan alle kanten sierlijke villa's en optrekjes. De regeering bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is, zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden, en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin, zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt, die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn de verrukkelijke wandelingen, die men in 't oneindige variëeren kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden, die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken, die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven omgevallen stammen op den bodem liggen, zooals de storm ze velde. De koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar 't is al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en Zigeunerliederen, die de echo's wekken van de donkere bergen.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken, vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.

Kijkjes in een mooi werk over Chili

Marie Robinson Wright

Aan de vrouwen van Chili draagt "met waardeering en bewondering van haar uitstekende hoedanigheden van geest en hart" de schrijfster, Marie Robinson Wright van Philadelphia, haar groot werk _The Republic Chile_ op. Het rijk uitgemonsterde en keurig uitgegeven boek is tegelijk te Philadelphia en te Londen verschenen. Het geeft geen reisverhaal, maar behandelt in een reeks van aangenaam geschreven hoofdstukken Chili's geschiedenis en zijn tegenwoordige regeering, zijn financiëelen toestand en zijn buitenlandschen handel, de hoofdstad Santiago en den heuvel Santa Lucia, de vloot, het leger, het maatschappelijk leven, kerken en liefdadigheid, de universiteit met bibliotheken en musea, het opvoedingssysteem en den stand van schilder- en van beeldhouwkunst. 't Gewaagt van de drie zones, waarin Chili natuurkundig en dus ook uit het oogpunt van zijn flora en zijn fauna te verdeelen valt, van Valparaiso, Chili's eerste handelsstad, en van het chileensch Trouville, 't mooie Vina del Mar; van 't leven op een hacienda, van de wijnproductie en de warme bronnen; van den rijkdom aan salpeter en de Lota-mijnen; van de opbrengst aan delfstoffen als goud, zilver, ijzer, koper en steenkool; van spoorwegen en stoombooten, landbouw en industrie, en ten slotte van die verre zuidelijke streken in de langgerekte republiek, Patagonië met Punta Arenas, Vuurland en het eenzame Juan Fernandez.

Wellicht zal het den nederlandschen lezer thans in 't bijzonder interesseeren, nu onze minister van Waterstaat er vertoeft om het land van zijn bekwaamheid als ingenieur te doen profiteeren volgens een reeds vroeger aanvaarde verplichting.

Wij zullen hier en daar een greep doen uit de rijke stof, die door de schrijfster degelijk wordt beheerscht, hetgeen niet behoeft te verwonderen, daar zij vijf jaren aaneen in Zuid-Amerika heeft gereisd en groote tochten ondernam van den Boven-Amazonenstroom tot Vuurland en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan. Driemaal deed zij de spoorreis over de Andes-keten, en Chili trok haar van alle zuid-amerikaansche republieken het meest aan. Daar bracht zij twee jaren door en leerde er land en volk grondig kennen. Beide looft en prijst zij, en het is haar een genoegen, heldere denkbeelden over de interessante republiek en hare hulpmiddelen te mogen helpen verspreiden.

"Het doet mij leed," schrijft zij, "dat ik, bij de meer uitvoerige behandeling van Chili's jongste geschiedenis, genoodzaakt ben geweest, de annalen van het roemrijke verleden kort samen te vatten. Daar toch vindt men in overvloed bewijzen van groote dapperheid en opofferende vaderlandsliefde. Dezelfde karakteristieke trekken, die het chileensche volk sterk hebben gemaakt in de verdediging zijner nationale rechten, hebben het ook de geestkracht en den ondernemingslust gegeven, die noodig zijn, om het in handel en industrie tot een flinke hoogte te brengen, en er is thans geen enkel land in Zuid-Amerika, waar de algemeene vooruitgang gestadiger en degelijker is geweest en waar men zijn betrekkingen tot buitenlandsche machten op beter en hechter grondvesten heeft kunnen bouwen. Wat intellectueele beschaving betreft, nemen de Chileenen een eereplaats in onder de meest vooruitstrevende volken, en hun geleerden, schilders en beeldhouwers hebben zich naam gemaakt in de hoogste kringen van Europa en Amerika."

De vooruitzichten zijn bijzonder gunstig voor den vooruitgang van de republiek, want de twintigste eeuw ziet den handel meer dan ooit vroeger zijn aandacht wijden aan de havens van den Stillen Oceaan.

Aan Santiago valt daarbij een eereplaats ten deel, de mooie stad met haar witte kroon van de Andesketen. De stad ligt in prachtige, schilderachtige omgeving, als een koningin in een reuzenkasteel, haar door de natuur geschonken, waar de muren van het onvergankelijke graniet der Cordillera's opgetrokken zijn, en torens tot den hemel reiken. Zij ligt open naar het Westen, als wachtte zij van daar de groote toekomst, die in dit land van belofte voor haar is weggelegd. En van de met sneeuw bedekte toppen achter haar, die scherp tegen den blauwen hemel afsteken, ligt zonder eenige begrenzing vóór haar de eindelooze Stille Oceaan, waar geen vreemde mogendheid de uitbreiding van Santiago's handel kan beperken.

Het is onmogelijk, zich een liefelijker beeld te denken, dan dat, hetwelk Santiago aanbiedt bij zonsondergang, als de stad gehuld is in het purper en het goud, dat op de Andestoppen straalt en hen in warmen gloed zet. Er is iets, dat aan Rome herinnert in deze chileensche hoofdstad met haar mooien heuvel, die als een koepel van een kerk midden uit haar straten oprijst; maar terwijl de heuvel van het Quirinaal de macht en 't aanzien van het koningschap belichaamt, is Santa Lucia, de tegenhanger in Chili, een symbool van den geest der vrijheid, heerschend in de Nieuwe Wereld. De paleizen van grooten en van souvereinen worden hier vervangen door de schouwburgen en villa's van een vrij en onafhankelijk volk.

De Alameda is wel genoemd de Via Appia van dit westersch Rome. In de dagen, toen Chili nog een spaansche kolonie was, hielden de spaansche gouverneurs langs dien weg hun luisterrijken intocht. Later, in de opwindende dagen van den vrijheidsoorlog, hadden de overwinnende legers hier het eerst de welkomstgroeten in ontvangst te nemen, die hen later zoo overvloedig op de openbare pleinen der hoofdstad te beurt vielen. Langs dezen weg, die nu de mooiste straat der stad is, treedt ook tegenwoordig de bezoeker Santiago binnen in de schaduw van statige boomen, voorbij fonteinen en standbeelden en prachtige bloemen, bekoord door het fraaie uitzicht op den Santa Lucia met de trotsche toppen der Cordillera's op den achtergrond.

Die Alameda de las Delicias is bijna drie mijlen lang en driehonderdvijftig voet breed en loopt door de stad van Santa Lucia naar het Centrale Spoorwegstation. Van een eenvoudigen straatweg naar de oude koloniale hoofdstad is het de voornaamste boulevard der moderne metropolis geworden, die zelve zich uit een plaatsje van weinig beteekenis tot een der meest bekoorlijke steden heeft ontwikkeld.

Gelegen in het dal der Mapocho, heeft de stad vroeger veel te lijden gehad van de overstroomingen der rivier, en eerst door de geheele kanalizatie van het rivierbed, die in 1891 werd voltooid, is de tegenwoordige toestand verkregen, waardoor men voor alle invloeden van storm en overstrooming veilig is.

Vóór den onafhankelijkheidsoorlog, waardoor op 18 September 1810 de republiek Chili werd geboren, was Santiago niet veel meer dan een spaansch dorp, bestaande uit huizen van één verdieping en met geen andere aantrekkelijkheid dan een paar pleinen en parken en de particuliere patio's, bekend uit alle spaansche steden. De plaats breidde zich gaandeweg uit, maar altijd naar gewone, traditioneele begrippen, zonder de moderne verbeteringen der steden van den nieuweren tijd. De Alameda de las Delicias was gedurende twee eeuwen na de verovering een gewone weg, belangrijker wordend, naarmate de stad zich uitbreidde, maar toch geen drukke verkeersweg.

Daar zij was aangelegd in de oude bedding van een tak der Mapocho, werd de Almeda met haar moerassigen grond en oneffen bestrating eerder beschouwd als een gebrek dan als een sieraad van de hoofdstad. De mooiste straat in koloniale tijden en de populaire wandelweg was de Paseo de la Piramide, die langs den zuidelijken oever van de Mapocho liep en door treurwilgen werd ingesloten.