De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 25
Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven, en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al onze cliché's terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk te maken, er groote geoefendheid in kregen.
De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij instinctief onze camera op hem richtten. Maar 't was of een beschroomde eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk weinig invloed hebben.
Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje, dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van kippen, eenden en kalkoenen, op 't oogenblik de eenige aanwezige dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig; het graast in vrijheid op de bergen, 's Avonds wordt het binnen omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.
Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject, dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.
Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru, den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van de Longobarden in de herinnering roept, heeft veel karakter. Het is dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den zomer komen slijten.
Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen, die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria's, want hun zware arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.
Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.
Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten, vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza, die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie riviertje met kristalhelder water.
Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone, lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.
Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil, en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest, zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20 M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.
Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.
III.
Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni in het kroondomein.
De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten, waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet onderdoend voor die der grootste europeesche steden.
De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis: "Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is, weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter; dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk."
Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië, in 1892: "Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei "het huis van den heer Zus of van mevrouw Zoo", terwijl men de menschen bij hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen: "Gelukkig, nu zijn we in Europa!"
Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw en 't Postkantoor, rijk versierde café's, waar de voorname roemeensche wereld samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden, en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak, die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.
De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd, de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.
Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam; die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet, en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van den winter.
De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden, worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken; de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om het middel en een platte pet op het hoofd.
Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen van weldadigheid.
Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts het gebouw der volksvertegenwoordiging.
Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.
Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije.
Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten, van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.
Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen bij hun terugkeer uit Konstantinopel.
Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.
Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries, de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.
Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht, er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte, een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt den reiziger niet in verrukking.
Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest gezochte lustverblijven.
Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien, hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard, vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op te tooien.
Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.
Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in 't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen, moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.
Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen, ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.
Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.
Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen, arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten, doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons, leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.
Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.
De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien, twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.
Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land, en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend, maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.
Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic, van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.
De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.
Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem, die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen, groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks, in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning van 60 à 80 _bani_ per dag.
Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste afzetgebieden.
Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.