De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 2
"Brood en melk, lief moeder", wees ik haar in het woordenboek, met een gebiedende beweging.
Begrepen!
Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid met bier en melk.
Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie om 't fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover, krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.
O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie, alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve meubels van bruin mahoniehout.
Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.
Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs met een energieke beweging naar de zoldering.
De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder, achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.
"Goed, goed", zeg ik, "lief moeder, ik wensch u een goeden nacht, u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en 't heele huis!"
Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen, links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.
Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk, dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die, uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.
De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte, dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken, sloot ik de oogen en viel in slaap....
's Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van klompen hoorde.
Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.
Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en mij beletten, mij te laten naturalizeeren als Hollander. Ze hadden anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....
Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die vóór schooltijd heen en weer drentelden.
Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen elkaâr zoo'n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed, met wijde rokjes en groote doeken, dansen in 't rond, elkander bij de hand houdend, of loopen hard bij 't klepperen van de wijde klompjes, terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.
Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een straat, zoo schoon en rein als 't schip van een kerk, roode, bruine of witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed, in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben, dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.
De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes, toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich, kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf te zijn, die schaapjes achtervolgde.
Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.
Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.
Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele huisvrouw aan 't keuvelen met een burin of aan het werk op haar plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend, vegend, poetsend en opsierend.
Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.
Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een ongeschokt en rustig leven wordt geleid.
Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land, het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers, van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan comfort is gewend.
De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in 't minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.
Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.
Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen, zooals men wel in andere landen ziet.
De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk, omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens de traditie altijd gedaan is.
De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in 't hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.
Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen, waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt; alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.
Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.
Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt, verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank, blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn dagen van groote uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.
Het bacchanaal,--dat moet erkend--verschilt naar gelang van de provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest te worden, 't geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te staan komt.
De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis, omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn, zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen bloeiende weiden.
Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen, uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid met harde eieren....
Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor de jongens worden bekoord.
Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.
Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui, die de armoede minachten.
Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig genoeg uitzag.
"Ik wil schitteren", dacht ze, "want ik ben mooier dan de anderen".
Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten, dat de zon weerspiegelde, en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.
Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van 't water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.
In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.
Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.
Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende water.
Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze verstandige woorden in het oor fluisterde:
"Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren."
Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.
II
Ontmoeting op straat.--De mooie ruiter.--Teleurstellend déjeûner.--Vader Kick.
Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.
Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen de wieken van den grooten molen.
Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.
Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje, jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje, en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!
Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden, zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond, al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, die er goed uitzien, dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld merkwaardig mooi moet worden.
Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.
"_Atsjoem!_" proest het paard nommer 1.
De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan weg met een beweging, die schijnt te zeggen: "Tot strakjes, wacht hier op mij!"
Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet, naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart, dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.
"Je maakt misbruik, vriend!" antwoord ik in het Fransch.
En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk een betuiging van de grootste ingenomenheid.
_Tot werziens, tot, tot...._
Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.
Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes, bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.
"Hoepla!" riep ik; "dans eens voor mij!"
De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon, één en al frischheid in den koelen morgen.
Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was voor het lunch.
Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.
Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde: gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die naar heliotroop rook....
De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.
In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte, met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O, hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.
Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers, en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene horretje vóór 't venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel, dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven te verlengen.
Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de roode pannen van de daken.
Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer in stom en diep gepeins.
En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren vooruitschoven in de nevelige ruimte.
In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid peilde, scheen hij te zeggen: "Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen zullen je houden!"
III
Het hollandsche land.--Het water.--De molens.--De landbouw.--De polders.--De dijken.--Oorsprong van Holland.--Een avond te Veere.--Wemeldinge.--De vijf jonge meisjes.--Stomme flirt.--De dronken man.--Het leven op het water.
Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.
Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn, een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde, met behulp van Maas en Schelde.
Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was gekomen.
De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi, deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.
De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een waterwoestijn wezen.
Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen, slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de knieën inzakken.
Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.
Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.
Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner met vette melk, met kaas en biefstuk.
Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten en de eenden gaan.