De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 17

Chapter 173,753 wordsPublic domain

Wij verlaten het hôtel thans ook door dien uitgang voor deze eerste wandeling in het stadje. Wij bevinden ons dan dadelijk in de hoofdstraat de Corso Umberto, breedte p.m. 5 meter zoodat, als de voorbijgangers zich tijdelijk in de open deuren bergen, twee rijtuigen elkander zonder ongelukken kunnen voorbijrijden. Het is een typisch italiaansche straat, onmogelijk dikwijls te zeggen waar het eene huis begint waar het andere eindigt, evenmin is het altijd uit te maken of een huis één dan wel tien eeuwen oud is; alles is grijs, grauw, groezelig, aan den beganen grond geene vensters, alleen groote deuren, wijd openstaande, toegang gevende tot de zoogenaamde _bassi_, ruime gewelven, waarin de winkels, café's, scheersalons en tutti quanti worden gehouden. Achter in de _bassi_ bevindt zich een trap van steen of marmer toegang gevende tot de kamers in de bovenverdieping. Dikwijls ook zijn die _bassi_ tevens de woning van het gezin en ziet men bij dag de bedden opgerold in een hoek liggen.

Menig huis getuigt van vroegere weelde door een fraai gothisch of romaansch poortje of raamomlijsting, door enkele brokstukken marmer heerlijk ingelegd hetzij met zwarte lava, hetzij met veelkleurige marmersoorten, een bewijs dat de thans veelal verarmde of verwaarloosde huizen vroeger een deel uitmaakten van rijke en fraai gebouwde _palazzi_. En dat is een van de dingen die niet alleen op Sicilië maar in geheel Italië het meest treffen en iedereen dadelijk in het oog springen, dat men overal tot in de kleinste plaatsjes monumenten vindt van vroegere grootheid, rijkdom en weelde, monumenten die Italië maken tot een reusachtig museum, waar overal iets valt te genieten en te bestudeeren, waar ieder stadje, ieder dorp waard is bezocht te worden en de reiziger gedurende eenige uren zich aangenaam of leerzaam zal kunnen bezig houden.

Het kost werkelijk eenige zelfbeheersching Taormina's hoofdstraat ten einde te loopen zonder links of rechts een trap af te dalen of op te klimmen. Bij ieder zijstraatje toch wordt men aangetrokken hetzij door een pitoresk groepje, hetzij door een geestige fontein of door een fraaie ruïne. Wij bieden echter weerstand aan de verleiding en gaan, al kijkende en bestudeerende, door tot de Piazza Nove Aprile, vroeger Piazza Sant' Agostino. En wij willen hier in het voorbijgaan even opmerken dat het gemeentebestuur van Taormina al even dom is als dat van een zekere hoofdstad van een zeker land, met zijn neiging om oude historische namen te veranderen in dien van onbeduidende vorsten en weinig zeggende data, op die wijze een interessant geschiedenisboek, waarin de historie van de plaats voor alle eeuwen is vastgelegd, veranderende in een vulgaire Almanach de Gotha. Laat men in een zich uitbreidende stad in dezelfde lijn voortwerken en in de namen der nieuwe straten voor het nageslacht de herinnering bewaren aan de gebeurtenissen der nieuwe tijden, desnoods aan de toen regeerende vorsten en aan de bekende mannen, mits zij werkelijk die herinnering verdiend hebben, er is niets tegen, maar de oude namen moeten in iedere plaats heilig gehouden worden.

Wij willen dus Taormina's gemeentebestuur niet op dien weg volgen en houden ons halstarrig aan den ouden naam Piazza Sant' Agostino. Het is een genot daar een oogenblik te verwijlen want schilderachtiger plekje is nauw denkbaar. Aan de eene zijde de oude klokketoren, de aardige renaissance gevel van de San Giuseppe en het gothische kerkje Sant' Agostino; ten oosten een heerlijk terras met ijzeren hek, vanwaar men opziet naar de Etna en onder zich heeft een 200 M. diepen afgrond, welks bijna loodrechte rotsen alleen nog toegankelijk zijn voor eenige geiten en welks voet bespoeld wordt door de blauwe golfjes van de zee. Op dit punt is het stadje om zoo te zeggen in tweeën verdeeld door een ouden vervallen muur in moorschen stijl, over bergen en door ravijnen afdalende van de ruïnes van het kasteel van Taormina dat de rots ten westen der stad bekroont.

Door de poort onder den klokketoren voortschrijdende vervolgen wij onzen weg tot de Piazza del Duomo, een kerk van gemengd gothische en renaissance bouw met een fraaien ingang in Siciliaansch gothischen stijl aan de noordzijde.

Vóór den Duomo bevindt zich een allergeestigste fontein, de fontein der Vier Beesten, zoo genaamd naar vier gedrochtelijke dieren uit welker bekken het water vloeit in den steenen bak, waarin de vrouwen uit de buurt, naar italiaansche zeden, hare kleeren komen spoelen.

Ook deze Piazza is weder afgesloten door eene poort, de Toca-poort, die nog niet het einde der plaats vormt, daar eenige weinige schreden verder de hoogst schilderachtige Catania-poort de werkelijke uitgang is aan de zuidzijde der stad.

Wij keeren dus op onze schreden terug, zien opnieuw met welgevallen op naar zoo menig aardig motief, naar de balcons veelal voorzien van fraai gedreven ijzeren hekken, naar het taormineesche leven dat op al die balcons wordt afgespeeld.

Italië toch is evenals Spanje het land der balcons, geen raam zonder balcon, geen balcon zonder menschen die daarop hunne huiselijke bezigheden verrichten, hun wasch behandelen, een buurpraatje houden, hunne op straat spelende kinderen nagaan en zoo noodig waarschuwende of bestraffende woorden toeroepen, hunne etenswaren of andere kleine inkoopen met een mandje aan een touw van de venters op straat ophalen, de liefdesverklaringen en serenades hunner aanbidders, want ook die spaansche gewoonte is hier inheemsch, aanhooren.

Wij gaan ons hôtel weder voorbij om het noordelijk einde van den Corso Umberto te bekijken. Dit brengt ons al spoedig op de Piazza Vittorio Emanuele waar wij getroffen worden door de middeleeuwsche lijnen van het Palazzo Corvaia. Nog draagt het in ieder opzicht het stempel zijner vroegere grootheid, maar het is een vervallen grootheid. De rez de chaussée is doorgebroken en vervormd tot verscheidene _bassi_, winkels van het eenvoudigste type waar koopwaren van de allergoedkoopste soort zijn uitgestald. Treedt men het paleis binnen dan vindt men nog een aardig binnenhof, waar een fraaie marmeren trap op slanken boog naar boven voert. Langs een gedeelte van de steenen trapleuning ziet men nog een soort lambrizeering met een zeer goed gebeeldhouwd relief, waarop drie bijbelsche voorstellingen: de schepping van Eva, de Zondenval, Adam en Eva aan den arbeid. Het dak van het palazzo wordt gekroond door de zoogenaamde "merluzzi" een arabisch bouwmotief, een soort kanteelen, dat men hier overal terugvindt, en ook bij nieuwe huizen en hôtels een geliefde gevel-bekroning is geworden. De achterzijde van het paleis is gebouwd op de ruïnes van een tempel aan Minerva gewijd, en het geheel maakt nog den indruk een sterk gebouw te zijn geweest, waarin de normandische heeren die het eenmaal hebben bewoond, zich weken en maanden hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen van Saracenen of andere naburige volken, en dat meer had van een vesting dan van een comfortabel paleis.

Naast het Palazzo Corvaia de kerk Santa Catarina en een klein, eerst onlangs opgegraven romeinsch theater, waarin de twee vomatorien, toegangen tot de hoogere rangen, nog duidelijk te zien zijn. Aan de andere zijde van het pleintje het Teatro Margherita en een kleine kazerne voor "Carabinieri". De Porta di Messina sluit hier het stadje af. Rechts van deze poort brengt de Via del Teatro Greco ons naar de belangrijke overblijfselen van het grieksche theater, dat een nadere en aandachtige beschouwing overwaard is. Wij willen dus aan de hand van den Custode of bewaarder, die daarvan een lezenswaardige beschrijving in drie talen heeft uitgegeven, dit oude grieksche theater eens wat van naderbij bezien.

Het is niet met zekerheid te zeggen in welken tijd de bouw van het theater gesteld moet worden; men gelooft echter te kunnen aannemen dat het omstreeks 358 v. C. ten tijde van Andromachus van Taormina werd opgericht. De halve cirkelvorm doet ons geen oogenblik aan zijn griekschen oorsprong twijfelen, waar tegenover staat dat alle ruïnes geheel het karakter van de romeinsche bouworde hebben. Hieruit blijkt dat toen de Romeinen zich in Taormina vestigden, zij het theater veranderden en vergroot hebben, zoodat wel de grieksche grondvorm overbleef, maar de onderdeelen veranderd werden in romeinschen trant. Voor deze verbouwing vond men een treffend bewijs in een klein grieksch tempeltje, in de bovengalerijen opgegraven, dat den Grieken gediend had tot offerplaats en voor wasschingen.

De Romeinen braken dit tempeltje bij de verbouwing van het theater gedeeltelijk af, om op zijn sterke muren de fondamenten van de bovengalerij te doen rusten.

Maar niet alleen vindt de geometrische grondvorm zijn oorsprong bij de Grieken, ook de fondamenten en muren van het Proscenium "het voortooneel" wijzen op helleensche afkomst. Na de laatste opgravingen heeft men pas kunnen bewijzen, dat slechts de bovendeelen van het theater aan de Romeinen kunnen worden toegeschreven.

Een breede trap, Scala regia genaamd, was de algemeene toegang tot het theater. Later werd hierin door Keizer Augustus een verandering gebracht. Hij liet voor de vrouwen een afzonderlijke trap bouwen aan het tegenovergestelde uiterste van de buitenste zuilengang, welke trap echter nooit geheel voltooid werd.

De Scala regia bestond uit met steenen geplaveide bordessen, welke telkens onderling door drie treden verbonden waren. Boven gekomen gaf een deur toegang tot een kleine overdekte gang die uitkwam op de eerste praecinctio of half-cirkelvormige rij zitplaatsen, die rijk gedrapeerd en, van curulische en beweegbare stoelen voorzien, bestemd waren voor de senatoren, de magistraten en de vestaalsche maagden.

Naast het tweede bordes begint een andere kleinere trap, die toegang verschafte aan adel en patriciers, voor wie de tweede praecinctio bestemd was, en op welks zetels somtijds de eigennamen der rechthebbenden waren aangegeven. Van deze zetels liggen in de arena nog brokstukken die de namen der eigenaars dragen.

Langs deze zelfde trap moesten de artisten en de burgers nog hooger stijgen, en gaande door de bovenste galerijen, daalden zij dan door vomitori, d.i. openingen, aangebracht in den grooten muur die de cavea omringt, naar de derde of laatste praecinctio.

Deze drie rijen zitplaatsen vormden te zamen de Cavea, die door een groote overdekte galerij, welke uit twee zuilengangen bestond, omringd was. De binnenste werd gedragen door vijf-en-veertig zuilen, terwijl de buitenste door pilasters werd gesteund. Te zamen boden zij het publiek een toevlucht bij regen. In gewone omstandigheden werd de buitenste gebruikt om zich te vertreden of wel als marktplaats, en diende de binnenste tot doorgang naar de derde praecinctio. Op de overdekking dezer twee zuilengangen bevond zich een groot terras dat voor het volk bestemd was. Het bestaan van dit terras lijdt geen twijfel, waar nog heden ten dage restanten worden gevonden van een trap die buitenom er heen voert. Deze zuilengangen waren gebouwd op een zwaren muur die de geheele cavea omringde en door welken op tien plaatsen op gelijken afstand uitgangen waren aangebracht. Deze muur was versierd met zes-en-dertig nissen waarin vazen of beelden waren geplaatst.

Beneden bevond zich het podium, dat de arena omsloot. Onder dit podium kwam een overdekte gang door drie deuren in de arena uit, door welke gang naar alle waarschijnlijkheid de wilde dieren in de arena werden gelaten, om hunne bloedige gevechten tegen de gladiatoren te leveren.

De eigenlijke arena is de ruimte tusschen het podium en het tooneel of scena. Het proscenium, dat bij de Romeinen verplaatsbaar was, besloeg van de altaren op het tooneel af nog bijna een derde van de arena. Op dit proscenium of voortooneel voerden de Romeinen hunne tooneelspelen, hunne drama's en dansen op.

Het grieksche orchest bevond zich tegenover het tooneel, doch de Romeinen verplaatsten het op den muur van het podium, dus eigenlijk ter zijde van het tooneel, daar waar het podium in een elliptische vorm eindigde en waar ook de timele of plaats voor het koor was.

Onder het proscenium bevond zich een onderaardsch kanaal dat achter het tooneel eindigde. De constructie van dit kanaal laat ten duidelijkste zien dat het voor den afvoer van regenwater bestemd was of om een groote hoeveelheid water te bevatten dat voor het theater gebruikt werd. Er zijn echter geleerden die meenen dat dit kanaal voor de acoustiek diende, misschien ook--wat ons echter zeer twijfelachtig voorkomt--tot bergplaats van diegenen uit het publiek, die tijdens de voorstellingen stoornis veroorzaakten. Twee andere onderaardsche gewelven, die aan den muur van het theater parallel loopen, staan met eerstgenoemd gewelf in verbinding en dienden voor hen die belast waren met de tooneel veranderingen. Men ziet er nog duidelijk zeven vierkante gaten in, op gelijken afstand, die rechtstandig oploopen tot de grondvlakte van de arena en waarin de balken geplaatst werden, dienende tot steun van het groote plankier van het proscenium.

Het tooneel bestond dus uit het proscenium of voortooneel en het eigenlijke tooneel. Op dit laatste bevonden zich twee altaren, gewijd aan de goden, waarboven de eerste zuilenrij die het tooneel versierde. Elk der twee altaren telde drie nissen; voor de middelste, grooter dan de anderen en ook afwijkend van vorm, hing een gordijn, waarachter de beelden van Apollo en Bacchus. Deze twee altaren waren door drie deuren gescheiden; door de middelste, thans door den bliksem verwoest, kwam de hoofdpersoon op, door de beide anderen kwamen de andere personen ten tooneele.

Onder deze deuren, welker drempels op gelijke hoogte lagen met den vloer van het tooneel, bevonden zich nog drie kleine deurtjes aan de voorzijde van het tooneel, die in gemeenschap stonden met een onderaardsche gang, die den medewerkers in het treurspel tot doorgang dienden en hen op het achtertooneel of postscenium brachten. Deze gang werd bij de opgravingen in 1853 en 1854 ontdekt. Een hooge breede gang, ook onder het tooneel gelegen, gaf toegang aan de vrouwen die, langs een trap links van het tooneel, hunne plaatsen op de bovenste galerijen wilden bereiken.

Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.

De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der altaren van wit marmer.

Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel, de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken, men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier werden de veroordeelden ter dood gebracht, hier traden de dichters en schrijvers voor het volk op.

Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar in de oudheid heerschten.

Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn, dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste, Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.

Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden, die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen, hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor 2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds verweerd is en afgebrokkeld.

Het heeft ons dikwijls in Italië getroffen dat de gidsen met onvermoeiden ijver u alles trachten uit te leggen en begrijpelijk te maken, ja zelfs oogenschijnlijk nog in vuur en verrukking raken als stonden zij, evenals wij, voor het eerst vóór hun "monumento nazionale".

En dit trof ons niet alleen op de minder bezochte plaatsen van Sicilië, maar evenzeer te Pompeï, te Rome en elders.

Met moeite scheiden wij van deze heerlijke en aangename plaats, maar er is nog zóóveel te zien dat wij ons hier niet langer mogen ophouden. Wel zijn het op nieuw gevallen grootheden die onze aandacht vragen, maar zij zijn zóó belangwekkend, zóó typisch, dat men nauwelijks den wensch in zich voelt opkomen ze anders te zien dan in den toestand waarin ze thans verkeeren. Zie de Badia Vecchia of oude abdij en het Palazzo del Duca di S. Stefano, die beide niet veel meer dan ruïnes zijn.

De Badia Vecchia vertoont nog hare fijne gothische spitsboog vensters, de reeds meergenoemde "merluzzi", haar inlegwerk van zwart-bruine lava, dat men nog fraaier kan zien aan de dakomlijsting van het Palazzo S. Stefano uit de 15e eeuw.

Uit veel later tijd zijn kerk en klooster San Domenico uit de 17e eeuw, en eigenlijk de eenige meer moderne gebouwen van het plaatsje.

Het klooster is thans tot hôtel ingericht en maakt geen uitzondering op den regel, integendeel bevestigt weder het feit dat de monniken er bijzonder slag van hadden voor hunne kloosters de meest idylische plekjes uit te zoeken, waar zij, afgezonderd van de menschen, de natuur in al haar heerlijkheid konden genieten. Wie èn ligging èn hôtel heeft gezien, doet beter er in onze wintermaanden niet aan te denken, tenzij hij, ongevoelig voor Annie Vivanti's blauwen hemel en zonneroes, de voorkeur geeft aan de trieste en zonlooze dagen van ons vochtig vaderland.

Laat ons thans niet in den steek om, als echte haastige sight-seeërs, Taormina na een of twee dagen weer te verlaten. Ga nog eens mee naar Giardini en bekijk onderweg de oude saraceensche graven die als een hooge muur met nissen aan eene zijde onzen weg begrenzen. Ook zult gij op die wandeling wel gelegenheid hebben de siciliaansche karren eens te bezien, die trouwens door hun eigenaardige vorm en kleur wel niet aan uwe opmerkzaamheid zullen ontsnappen. Wij zouden ze het best kunnen vergelijken bij een van boven van voren en van achteren open vierkante bak op twee hooge wielen; zij zijn zonder banken, de koetsier zit op den bodem van zijne kar en laat zijne beenen vrij naar beneden bungelen. De wielen en de beide randen der zijkanten zijn hel geel geschilderd, terwijl de paneelen van beide zijden prijken met bonte voorstellingen, meer of minder goed van teekening, dan eens van schitterende steekspelen, een andermaal van bloedige veldslagen of bijbelsche tafereelen, zoodat men ze rijdende prenteboeken zou kunnen noemen. Ook aan den ezel of het paard zijn de kleuren niet vergeten. Het roode hoofdstel is fijn benaaid met zilveren lovertjes en kleurige kralen, op den kop en midden op den rug verheft zich een pluim in sprekende tinten, terwijl belletjes veelal voor de muziek zorgen.

Zoo nadert men Giardini dalend langs den breeden zig-zagweg, wandelend langs vijgen of amandelboomen, nu en dan verrast door de heerlijke geuren van bloeiende citroen- of sinaasappelboomen. En bij iedere bocht van den weg verandert ons uitzicht; wij zien de Etna met haar rookenden top, de zwarte lavamassa's die tot op uren afstand voortgevloeid, donkere rivieren lijken die zich in zee ontlasten, of in het noorden de Straat van Messina, Calabrië, de uitgetande kust van Sicilië, waarlangs de spoor als kinderspeelgoed voortglijd, verdwijnend, verschijnend, tunnel in, tunnel uit.

Zoo genietende en bewonderende komen wij aan het strand en bieden geen weerstand aan de verzoeking een klein tochtje op zee te maken. Roeibootjes genoeg en geen gebrek aan overvragende roeiers die u gaarne naar de Grotta Amato of Grotta del Giorno zullen brengen. Roep hun uit de verte reeds toe dat gij geen Engelschman of Amerikaan zijt, wij durven u verzekeren dat hij u de helft zal vragen, en dat niet alléén, hij zal ook verrast opzien als hij zijn eigen taal hoort, en al hebt gij ook dikwijls moeite uit zijn eigenaardig dialect wijs te worden, gij zult toch na vijf minuten in een interessant gesprek gewikkeld zijn over zijn land, zijn gezin, zijn leven, zijn lijden. Opgewektheid zult gij bij hem niet vinden; de Siciliaan is over het algemeen somber; zang en lach der Napolitanen zal men tevergeefs bij hen zoeken, maar zijn fond is beter en hij is meer ontwikkeld. Trots kijkt hij uit de donkere oogen, ridderlijk is zijne houding.

Moet ons zijne mindere opgeruimdheid verbazen als wij zijn land hebben gezien? Ons lachen zon en blauwe hemel toe, wij vinden de schitterende oude gebouwen en ruïnes interessant, de lavavelden en cactussen eveneens. Maar die onafzienbare rotsenmassa's waarop dier noch plant kunnen leven, al die rivieren en stroompjes die des zomers hun waterlooze steenen bedding vertoonen, de menschen en kinderen moordende zwavelmijnen bij Caltanisetta, de alles vernielende druifluis die op onmetelijke velden allen wijnbouw onmogelijk maakt, hoe zouden die ons lijken als wij, in plaats van toeristen, bewoners van Sicilië waren? Maak u geen illusie dat heel Sicilië is als Taormina, en wie nooit dit liefelijk oord aanschouwde doch alléén Palermo bezocht, moet ook niet zijn Conca d'Oro of goudenschelp, de heerlijk groene vallei waarin die stad ligt, als bewijs van Sicilië's vruchtbaarheid aanhalen. Neen, Trinacria deed ons dikwijls denken aan een vergeten, verongelijkt kind van het moederland Italië.

Na het zeetochtje moet gij ook nog een dag de bergen met ons in, te voet of op een ezel, al naar verkiezing, maar raden doen wij u in deze niet. De keuze is moeilijk, wilt gij zelf zoeken waar op de steile bergpaden met vallende steenen uw voet te zetten, of wilt gij het overlaten aan uwen ezel, die, daar kunt ge op aan, nooit vallen zal maar altijd de beste plekjes zal weten te vinden. Maar dan moet gij het stootende gevoel er voor over hebben dat, vooral berg af, aller onaangenaamst is.

Tusschen twee muurtjes van los op elkaar gestapelde steenen, waarachter de wijnvelden liggen, bestijgen wij de trapsgewijze ruw aangelegde wegen. Links en rechts hooge cactussen zwaar van de rijpe cactusvijgen, een geliefkoosd volksvoedsel der Sicilianen, die ondoordringbare hagen vormen tusschen de verschillende bezittingen.

Wij wagen ons aan geen beschrijving van de cactus, overtuigd geen betere te zullen kunnen geven dan die van Selma Lagerlöf in haar "Wonderen van den Anti-Christ" waarin zij haar beschrijft als iets dat "strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën, op 't hoofd en de ellebogen. Het was binnen en buiten 't dal, het had slechts stekels en knobbels, had een mantel van spinnewebben en poeier op zijn pruik en leden zooveel als een worm. Wist Gaetano dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? De cactus was de beste toovenaar die op de Etna woonde."