De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 16
Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is, dat men passeert, 't is toch altijd een vereeniging van menschen, die hun huizen bij elkander plaatsten, om samen 't lot het hoofd te bieden.
Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen; men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.
De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd, van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een, die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik heb nooit zoo'n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen, een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur was niet rose, ook niet rood, maar paars.
Die kolossus had tot vrouw een oud, in 't zwart gekleed mensch, met een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard; zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de table d'hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen, diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.
Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten, in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar 't was afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik gezien had in de haven vóór 't hôtel, alleen daar kwamen, om sardines te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in 't leven, had hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van Locmaria en hotelier geworden te Audierne.
Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in 't vertellen van hun jachtavonturen.
Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne; maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of thuiskomen of stil liggen in de baai.
Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk, maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen, als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag, toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal, dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door moest varen. Voor 't vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er, geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar gezichten achter de ramen.
Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland, waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde uit dien misdeelden grond.
Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de herinnering roept van 't schip de _Droits de l'homme_ in 1797. De schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op 't strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten van den Mensch. Het opschrift luidt: "Hier bij dezen Druïdensteen zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schip _De Rechten van den Mensch_, gestrand in den storm van 14 Januari 1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840, en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren."
Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne, met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën, waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg, om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne, met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.
Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne, waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als was zij de steeds onrustige ziel der golven. "De oceaan spreekt tot de gedachten", heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver, die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden sleutel aan een lint bij neerbengelt.
Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens, want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels; hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk een huizengroep vóór kaap du Raz.
Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein, en 't is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijde zee staan nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór 't eiland Sein. Maar dit is het eind van het vasteland en 't verste punt van Bretagne met Saint-Mathieu.
Deze eerste maal, dat ik naar du Raz ging, heb ik allereerst dien vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd, en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.
Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt; maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen, die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn, alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren, waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.
Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt, als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten; de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.
Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water, omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.
_Enez Sizun_ heet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht, dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.
Taormina
Door Johanna G. Lugt.
Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.
Annie Vivanti.
Wanneer men Italië herhaaldelijk heeft bereisd en zich eenigszins gemeenzaam heeft gemaakt met zijn volk en zijn taal, met zijne zeden en gewoonten, wanneer men daarbij zijn hollandsche pietluttigheid heeft achtergelaten en zich heeft afgewend om met laatdunkendheid op het eerste gezicht iedere plaats over de grens "een vuil gat" te noemen, wanneer men in het italiaansche volk iets anders heeft leeren zien dan een volk van bedelaars en men op prijs heeft leeren stellen zijn vriendelijkheid, zijn beleefdheid, zijn vroolijkheid, in één woord wanneer men is gekomen onder de bekoring van het zonnig Italië, dan begrijpt men eerst recht den hartstocht van de in Engeland geboren en opgevoede dichteres Annie Vivanti voor haar eigenlijk vaderland en voor haar italiaansche zon, dan begint men iets te gevoelen van haar "ebbrezza del sole", van haar "zonneroes".
Als die zon opgaat achter de bergen van Calabrië en haar schitterschijf langzaam komt kijken over den hoogen Aspromonte, dan is almee het eerste wat zij ziet het liefelijk Taormina aan de Oostkust van Sicilië tusschen Messina en Catania.
Hoog boven de zee, gekleefd tegen de rotsen, ligt het daar te wachten om zich opnieuw te verkneukelen in het zonnetje dat straks zijn druiventrossen zal komen rijp stoven, zijn oranjebloesem zal laten geuren, zijn lucht zal komen verwarmen, het zal maken tot een paradijsje op aarde.
Wilt gij een onvergetelijken indruk opdoen, kom dan eens vroeg uit de veeren, zoo tusschen vier uur en half vijf, trek de hoogst noodige plunje aan en spoed u naar de hoogte boven het Teatro greco. Verzuim echter niet den vorigen dag kennis te geven van uw komst aan den "Custode" daar gij anders het hek gesloten zult vinden van dit "monumento nazionale". Maar hebt gij hem kennis gegeven dan zal hij niet aarzelen vroeg voor u op te staan en te zorgen dat gij het hek open vindt, ook zal hij u niet boos aankijken als gij hem daarvoor een lira in de hand drukt, wie weet of gij, verrukt over hetgeen gij gezien hebt, hem straks niet twee lire zult toestoppen.
Zet u nu eens rustig neder op het hoogste punt, dáár waar vroeger het volk een plaatsje vond, eerst bij de grieksche drama's, later bij de wilde en bloeddorstige romeinsche schouwspelen, en wacht nu eens op de dingen die komen zullen.
Beneden u is het water van de Straat van Messina nog donker van kleur, de kustlijn strekt zich naar beide zijden uit noordelijk tot Kaap Sant' Alessio, zuidelijk tot Kaap Schisò en is nog weggedoezeld in de flauwe ochtendschemering. Maar in het Oosten boven Calabrië begint de hemel reeds een lichtgeele tint aan te nemen, allengs gaat die tint over in oranje, van oranje wordt zij goud, het water beneden u krijgt meer en meer die diep azuurblauwe kleur die het tot zonsondergang zal behouden, de zon is op het punt boven de bergen te verrijzen. Haar stralen schieten reeds in alle richtingen boven de scherp geteekende berglijn uit, de hooge top achter u, waarop het dorp Castelmola ligt, is reeds schitterend verlicht, langzamerhand wordt de geheele atmosfeer om u heen een en al vuur, de zon verschijnt boven de bergen.
En zoo is zij er dan weer, de zon van Italië, de zon van Taormina! Reeds voelt gij haar warmte en werpt gij de sjaal af die gij voor de ochtendkoelte had medegenomen. Zie nu eens om u heen! Aan uwe voeten het teatro greco, met zijn reusachtige afmeting, zijn heele en halve zuilen, zijn nissen en doorgangen, zijn scena en zijn orchestra, hoe verplaatst het u in eens in de klassieke tijden der Grieken, in de historische tijden der Romeinen. Recht voor u door de groote opening van de Scena ziet gij den kolossalen kegel van de Etna, met haar rookpluim overhellend naar het N.O. Diep onder u Giardini, het spoorwegstation van Taormina, iets verder het dorp Calatabiano en daar tusschen het stroompje de Alcantara, dat zich in zee stort. Westelijk op gindsche rotspunt Castelmola, een armoedig doch schilderachtig dorp dat als een steenen kroon geplaatst is op den top van een berg, zoodat men al evenmin begrijpt hoe de bewoners er komen als wat zij er uitvoeren. Onmiddelijk onder u eindelijk schittert thans in de felle ochtendzon het huizencomplex van Taormina met zijn duomo en kerken, zijn hôtels en ruïnes. Reeds begint het aardige plaatsje teekenen van leven te geven, het hanengekraai wordt gevolgd door het balken van talrijke ezels die er reeds naar verlangen de bezoekers op hunne geduldige ruggen de bergen op te dragen naar Castelmola of Monte Venere of naar ieder ander punt waar men van het heerlijke vergezicht wenscht te gaan genieten. Hier en daar wordt een deur geopend, er komt leven en bedrijf in de straten, Taormina is ontwaakt.
Wij spoeden ons terug naar ons hôtel om ons te kleeden en, na een echt italiaansch ontbijt met versche vijgen en druiven of wat de tijd van het jaar oplevert, maken wij ons op om te gaan genieten van het vele dat Taormina te genieten geeft. Wij bevinden ons hier op klassieken bodem. Taormina heeft eene geschiedenis zooals geheel Sicilië, het Trinacria der ouden, er eene heeft. Laten wij, alvorens onze wandeling te beginnen, ons eerst door de "Guida di Taormina" zéér vluchtig op de hoogte laten brengen van die geschiedenis.
Naar alle waarschijnlijkheid was Taormina reeds ruim 700 jaar v. C. de acropolis van Naxos, terwijl een versterking der Cartagers als de eigenlijke grondslag van het tegenwoordige Taormina mag beschouwd worden. (392 v. C.).
Aan de vele oorlogen tusschen Cartagers, Messineezen, Syracusers en de overige Sicilianen, ontsnapte Taormina niet; voortdurend was het de dupe van den strijdlust der omwonenden, die het afwisselend in bezit namen, met den grond gelijk maakten en weer opbouwden.
Gedurende het beleg door Marcellus in 241 v. C., in welk beleg Archimedes zulk een groote rol speelde, verleende Taormina doortocht aan de Romeinen op voorwaarde bevrijd te blijven van romeinsch garnizoen en vrijgesteld te worden van het leveren van schepen aan Rome, waarop de Romeinen na Sicilië te hebben veroverd, Taormina onafhankelijk verklaarden.
Twee eeuwen later, 36 v. C. werd Taormina, dat zich vóór Pompejus en tegen Octavianus had verklaard, de basis van Pompejus' oorlogsoperaties en 't was juist op de zee vóór Taormina dat Octavianus in persoon Pompejus versloeg in den later zoo beroemd geworden zeeslag. Sicilië kreeg toen een constitutie, maar Taormina, door Octavianus gehaat, werd tot romeinsch garnizoen gemaakt en bleef toen vele jaren in de geschiedenis een ondergeschikte rol spelen.
Na den ondergang van het romeinsche rijk bleef het door zijn ligging langen tijd bevrijd van de aanvallen der Saraceenen.
Die naam van Saraceen werd aan de Arabieren gegeven en is afgeleid van het arabische woord sarako dat stelen beteekent. Nog heden ten dage wordt in Taormina het woord Saraceen als een scheldnaam beschouwd.
Na in 902 n. C. toch eindelijk in handen der Muzelmannen te zijn gevallen, kwam het in 1078 in de macht der Noormannen, nam het in 1282 deel aan de Siciliaansche vespers en ruim anderhalve eeuw later aan den burgeroorlog onder de regeering van Lodewijk van Aragon.
In 1535 door Karel V verkocht wist het zich dadelijk weer vrij te koopen.
Onder de regeering van Karel II werd Taormina in 1675 door de Franschen stormenderhand genomen, doch vanuit het kasteel Mola door de Taormineezen zelf beschoten die hunne stad heroverden en van de vreemde indringers bevrijdden.
Tengevolge van den vrede van 1720 kwam Sicilië in het bezit van Oostenrijk en later van de spaansche Bourbons.
In 1806 hadden de Engelschen in Taormina een sterk garnizoen.
Met de italiaansche omwenteling van 1848-1849 liet Taormina zich weinig in, doch in 1860 op den 9 April ontscheepte zich Garibaldi op het eiland Sicilië, dat toen van de overheerschers werd verlost en voor goed bij het Koninkrijk Italië werd gevoegd.
Geen wonder dat de vele volken die achtereenvolgens op dit plekje grond zijn gevestigd geweest daarop hun stempel hebben gedrukt en hunne herinneringen hebben achtergelaten.
Het allerschoonste en interessantste op dit gebied is zeker het reeds vermelde Teatro Greco. Maar voor wij dat van naderbij beschouwen willen wij, zooals aan nieuwe bewoners eener plaats, al zal hun verblijf ook niet van langen duur zijn, betaamt, ons eerst gemeenzaam maken met de plaats dier tijdelijke inwoning.
Beginnen wij met ons hôtel. Het is geen gewoon hôtel, het hôtel _Victoria_, zooals men dat in alle plaatsen met eenig verkeer vindt. Taormina, dit moet niet uit het oog worden verloren, ligt niet op vlakken grond, doch is tegen steile rotsen aangebouwd. Tegen die rotsen nu was amper plaats te vinden om er een straat op aan te leggen die, zooals de hoofdstraat de Corso Umberto, van poort tot poort doorloopt zonder trapjes of zonder scherpe rijzingen en dalingen. Maar er een huis laat staan een hôtel te bouwen welks basis geheel op effen terrein kwam te staan, dit was een taak zelfs voor den bekwaamsten architect onuitvoerbaar. Hôtel _Victoria_ heeft dan ook niet minder dan vier uitgangen in vier verschillende boven elkander evenwijdig liggende of dwars tegen den berg oploopende elkander kruisende straten. De tuinen liggen op de derde verdieping, de eet- en leeszalen op de vierde, vele kamers op de vijfde verdieping, alles tusschen, naast, onder en over elkaar gebouwd, zóó dat het onmogelijk zou zijn er een behoorlijken plattegrond van te teekenen. Wil men het hôtel verlaten dan kiest men dien uitgang die u brengt in de straat die u het spoedigst naar uw doel voert. Logeert men op de vijfde verdieping, de meest begeerde wegens het heerlijke uitzicht, men laat zijn rijtuig of ezel op de vijfde verdieping voorkomen als men een bergtocht wil maken. Men zal daarentegen liever de eerste verdieping kiezen als men naar beneden wenscht te gaan.