De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 15

Chapter 153,870 wordsPublic domain

Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch, waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond, die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; 't is een soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaansche kerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de hoog op het hoofd gedragen mutsen.

Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes bouwland ertusschen.

Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne, heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat hertogdom te voeren.

In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven uitzien, en 't is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen, hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken, en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart 1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de 14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.

Alle vrouwenhoofden dragen hier den _bigouden_, waar men nog teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door, maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint, maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.

De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden, en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden voor en fetisjen, ook Venussen en Juno's, onder welke één bijzonder bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven, de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen, waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.

Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden, waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert, die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars, die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad, om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen, en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.

Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd, omdat hij iets heiligs was.

Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje, onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.

Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt, noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed verzwolgen zijn of ten minste teruggebracht tot de afmetingen van een bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad, die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers, reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.

Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst, desnoods door den handel in visch, het "vastenvleesch", een handel, die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.

Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover: "Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein, waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers, hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en er een toren op aan te brengen.

De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep, vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed, die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: "In het begin van de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade toe". Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed, die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest en Audierne.

Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.

Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen, waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur vermeldt: "Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk gesticht, en de toren in het jaar 1509". Het gebouw ziet er massief en indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren, druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is, heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.

Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk, de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen, grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt, krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand omzoomen als met witte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de "witte paarden van de zee", waar een grieksch dichter van spreekt. Nu moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte, regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel terrein winnen.

Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand, wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870, de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de kindermeid, in 't geheel vijf personen, van een vlakken steen aan het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering aan die gebeurtenis.

Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen, als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte, groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch, juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht, blij is naar een rustige streek te vertrekken.

Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten aanblik van een mooie stad in 't volle daglicht gemist. Doch dien kreeg ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek en met de families van de militairen: papa's, mama's en jonge meisjes, sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie zal de kleine drama's tellen en de groote comedies, die daar worden afgespeeld op zoo'n marktplein in een provinciestad, terwijl het koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera's.

Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet tegenover het exercitieterrein.

Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der bisschoppen werd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen, rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen, plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.

Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van den eenen oever naar den anderen te komen.

In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht; men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen, borduurwerk en heilige boeken. In 't stadhuis is een rijke bibliotheek, met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven, zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures geschonken.

De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria, een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper, een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854 dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.

Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper, het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria, allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal flink gebouwd en met heldere, open oogen.

Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog; de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.

Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel, en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden en inktkokers, wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren, op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna's en Maria's en heiligen in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed, met een bril op den neus.

Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein; dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.

Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van de eentonigheid van Bretagne's binnenland. Hier niet de gelijkheid van de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper, die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente had aangelegd.

Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul, waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.