De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906
Chapter 13
Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa, naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk, deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.
Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een "sala" of loods van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen, die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen vorstelijk verblijf.
In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog overblijfselen van fresco's op te zien waren. Maar er is geen enkele steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!
Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag, breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste helft der 19_de_ eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd, zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen schitterende voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.
In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke zuilen, zooals 't geval is bij alle heiligdommen in het land. Het opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van slechten smaak wil zien. Fresco's zijn op de wanden aangebracht in schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.
Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels, oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden van 't geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze worden _pnoms_ genoemd, en 't gebruik wil, dat ze op hooggelegen punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen enorme olifantskoppen het zware monument.
Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist, of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.
Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land, Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt; verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings, door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.
Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl, zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen, juist zooals een koopman in ruste het verlangt.
Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken, een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans.
Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt, door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.
Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel schijnt geworden.
Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.
Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn, als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.
Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn; zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen, door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken, die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.
Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen, en trachten, hem weer in 't bezit te stellen van de oude ruïnen, die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.
In Zuid-Bretagne
Naar het Fransch van Gustave Geffroy.
Het stadje Quimperlé kan heel goed als type dienen voor Zuid-Bretagne, hier in dit hoekje van Finistère, zooals Morlaix en Saint-Pol-de-Léon Noord-Bretagne typeeren. Men kan te Quimperlé van allerlei eigenaardigheden der natuur en van ieder aanzicht, dat een landschap bieden kan, genieten.
Als men aankomt op een avond van helderen maneschijn, vindt men een vreedzaam, stil stadje, dat er fantastisch uitziet, met ledige straten en kronkelende steegjes, gevels, die voorover hangen en terugwijkende benedenhuizen. De klokkentoren van Saint-Michel drukt als een domper op de huizen der bovenstad. Als het blauwe maanlicht over het steenen gevaarte strijkt, ziet de toren er met zijn hoeken en bogen en balustrades uit als een reuzenuil met een vierkante kroon en de witte vlek van 't uurwerk over zijn eene oog. De uil staat daar reeds op zijn steenen nest sinds de 15de eeuw, en de klokkestem, die zijn stem is, blijkt wel een stem te zijn uit het grijs verleden, zoo oud en vreemd en gesluierd klinkt zij, beverig en grommend en langzaam de tonen uitgietend over de stad en de rivier.
Dat is het eenige nachtelijke geluid in Quimperlé, die stem van lang geleden. Alles slaapt den slaap der kleine steden, dien slaap, die werkelijk slaap is, de dood der menschheid. Geen enkele tred op het plaveisel van de straten, geen geratel van een rijtuig bij 't begin van den straatweg, zelfs niet het fluiten van een spoortrein op de hoogte. Alles zwijgt tegelijk, en als men opmerkzaam toeluistert, hoort men zoo nu en dan 't geritsel van den wind in het gebladerte der boomen van het plein, of 't zacht geklots van het water tegen den oever, of den doffen bons van een boot tegen de steenen kade. Zulke nachten kent het groote Parijs niet, welks holle bodem, waarin de buizen en leidingen van allerlei diensten elkander kruisen, het geluid van al wat in beweging is, meedoogenloos terugzendt.
De fiacres van drie uur in den morgen rijden nog, nachtelijke feestgangers zijn nog onderweg, of reeds komen uit alle voorsteden de wagens van de groenten- en fruitverkoopers en gaan met de snelheid, die hun slaperige paarden bereiken, naar de hallen. Doch dat is nog maar een rustig, regelmatig, bijna gedempt geluid. Later behoort de stad aan de slagerskarren en de melkrondbrengers, die vliegensvlug door de straten daveren; gillend en met hun zweep omhoog, gedragen de koetsiers zich, of ze aan een wedstrijd met triomfwagens deelnamen.
Zulke genoegens kent Quimperlé niet, en de doortrekkende reiziger, die uit de groote steden komt, moet het stadje dankbaar zijn, dat hij er de décors der onbewegelijkheid en de stemmen der stilte mag bewonderen.
De menschen staan vroeg op; dan begint de vroolijke symphonie der klompen, en de verandering treedt op in 't aanzien der stad. Die schijnt met den blauwen rook uit de schoorsteenen mee te gaan vliegen door de op terrassen liggende tuinen. Als de blinden en de vensters opengaan, verschijnen vriendelijk lachende gezichten met heldere oogen en praatlustige monden, de witte mutsjes reeds geplant op blonde en kastanjebruine haren. De koopvrouwen van visch loopen rond met den neus in den wind en een breeden roependen mond, die, daar ben ik zeker van, niemand het laatste woord zouden gunnen en voor haar zusters in het paviljoen der hallen van Parijs niet onderdoen in woordenrijkheid.
Als gij buitendien nog Quimperlé op een Zondag bezoekt, en als er in de buurt de een of andere vergadering is, zal het u gegeven zijn, de mooiste verzameling goed opgetrokken kousen, korte rokjes en kleurige boezelaars te zien. Die boezelaars! Men moet ze twee aan twee of drie aan drie of bij halve en heele dozijnen in de straten der stad hebben waargenomen en op de wegen in den omtrek, om zich een denkbeeld te vormen van hun belangrijkheid en hun luister. In de uitstalkasten van de winkels, beschaduwd door de overhangende luiken, zijn ze niet zoo schitterend welsprekend; maar als de vrouwen en meisjes van Quimperlé ze dragen en in haar wandelpasjes er fleurig mee flaneeren, bewust van eigen schoon aangekleed zijn, worden ze buitengewoon aardig en klinken hoog als een fanfare bij een marsch in den zonneschijn van een feestdag. Er zijn blauwe als korenbloemen, als maagdepalm en andere als hoekjes van den hemel na den regen of als blauwe kinderoogen. Er zijn violette als een onweershemel, als de zee in den zomer tegen den avond. Dan ziet men roode, vurig als bloed, en rose als rozen en gele als gouden knoopen. Men heeft er, die afwisselende tinten hebben als de borst van een duif en witte zijden boezelaars, die in de zon verguld lijken en blauwachtig zijn in de schaduw, en het lijkt wel, of die wandelaarsters het erop hebben gezet, op feestdagen alle kleuren der natuur na te bootsen op alle uren van den dag.
Quimperlé is naar mijn smaak een der mooiste stadjes van Bretagne, niet enkel om den bloei der mooie boezelaars, maar ook om zijn gunstige ligging aan de samenvloeiing van de Ellé en de Isole, die de Laïta worden, om de aardige huizen en de vroolijkheid der bewoners. Overal ziet men tuinen en boomen. Als men den heuvel Penarven is afgedaald, treedt men de stad binnen, komt op het pleintje van den Bourg Neuf, dan op de oude Place Royale en bij de merkwaardige kerk van het Heilige Kruis. Te Quimperlé is, evenals te Hennebont, de stad weer verdeeld; hier heeft men de hooge en de lage stad, en de laatste bestaat op haar beurt weer uit twee wijken, de eene, omsloten door de twee rivieren, vormt een gesloten stadsdeel, de andere wijk op den linkeroever der Ellé, heet Vannes, daar het riviertje, de Ellé, vroeger de grens vormde tusschen het diocees Vannes en Quimper. Tegenwoordig behoort alles bij het departement Finistère.
Op het terrein tusschen de beide rivieren ligt het eigenlijke Quimperlé. Evenals in vele plaatsen van Bretagne is het oudste huis een kluizenaarswoning geweest, geen hermitage van een heilige, maar de kluis van een onttroonden monarch, Gunthiern, prins van Groot-Bretagne, koning van Cambrië, die in een gevecht zijn hem onbekenden neef doodde. Smart en wroeging deden hem de heerschappij neerleggen. Eerst ging hij naar het eiland Groix, daarna naar den grond tusschen de Ellé en de Isole. De legende wil, dat hij er een klooster heeft gesticht; Albert le Grand bevestigt dat, Dom Lobineau spreekt het tegen. Wat met meer zekerheid kan beweerd worden, is dat hier een der kasteelen stond van de graven van Cornwallis. Een van die, Alain Canhiart, die op het punt was, het gezichtsvermogen te verliezen, werd genezen door een droom, waarin hij een gouden kruis zag. De paus, die geraadpleegd werd, raadde aan, een klooster te bouwen ter eere van het Heilige Kruis, dat op 14 September 1029 werd gesticht, dag der aanbidding van het kruis. In dien tijd werden Belle-Ile-en-Mer en andere leenen door Alain Canhiart aan de monniken afgestaan. Die laatsten lieten hun klooster in 1678 herbouwen.
Thans zijn er de rechtbank en het gemeentehuis, de onderprefectuur, een gemeenteschool en een politiepost gevestigd. Een deel der bibliotheek bevindt zich te Quimper. Een copie van het kloosterregister wordt in den vreemde bewaard. Maar gebleven is de kerk van het Heilige Kruis, die beroemd is in de kunstgeschiedenis als een der weinige navolgingen van de kerk van 't Heilige Graf in Jeruzalem. Ik heb reeds als zulk een imitatie aangewezen de kerk van Lanleff bij Saint-Brieux; maar dat is een ruïne; en Sainte-Croix, de kerk die hersteld en herbouwd is in 1476, blijft door vele van haar deelen een merkwaardig monument uit de 12de eeuw. De algemeene vorm is rond; maar door uitbouwsels heeft zij den kruisvorm gekregen, eigen aan zooveel kerken. De meening der archeologen is, dat het koor nieuwer is dan het middengedeelte, en dat het oude koor zich bevond tusschen de vier enorme pilaren van het midden.
Sainte-Croix doet afbreuk aan Saint-Michel, een kapel, die tot kerk geworden is en een zeer belangwekkend gebouw moet heeten uit de 14de en 15de eeuw. De vierkante toren met zuilen en zuiltjes en open galerijen, siert Quimperlé met zijn ernstige lijnen en fijn beeldhouwwerk. Saint-Colomban ligt in puin. Het Jacobijnenklooster, waar nu nonnen wonen, heeft enkel nog een poort uit de 15de eeuw, en het heeft zijn prachtige tuinen behouden.
Dit is zoowat alles, wat met enkele oude huizen overgebleven is van de oude stad. De vestingwerken en de poorten zijn verdwenen. Veel bruggen vindt men in de straten, zooals te verwachten is bij een stad, gebouwd aan twee rivieren. Kermissen en markten worden op het Saint-Michelplein gehouden, waarvan een gedeelte het Zonneplein en een ander het Varkensplein of de Varkensmarkt heet. De gemeenteschool is gevestigd in een oud Capucijnerklooster. Daar werden in ouden tijd de inwoners genoodigd, om op Goeden Vrijdag kabeljauw te komen eten, zooals men op Sint-Jan sardines ging nuttigen bij de Jacobijnen.
Het kerkhof omgeeft de Sint-Davidkapel. Er bestaat een zoo goed als volledige lijst van de burgemeesters der stad van de eerste jaren der 16de eeuw tot 1790. De zeehandel is afgenomen, schepen van dertig tonnen kunnen niet meer de rivier opvaren door de ondiepten.
Twee Benedictijner monniken, die beroemd zijn geworden, werden te Quimperlé geboren, Gurheden, geschiedschrijver van het klooster Sainte-Croix in de 12de eeuw, en Dom Morice, schrijver van de Geschiedenis van Bretagne, uitgegeven in 1750. Ook zijn er geboren generaal Hervé en de prediker Boursoul, terwijl de zeevaarder Du Conëdic ook dichtbij Quimperlé het levenslicht aanschouwde.
Ofschoon er nogal toeristen komen en enkele Engelschen zich er gevestigd hebben, blijft de streek toch eenzaam en een heerlijk oord voor wandelaars door het groote bosch van Clohars-Carnoët, een domein van 724 H.A.
Het begint aan het benedeneind der stad en strekt zich uit tot aan het dorp Clohars, en hier en daar liggen brokken verspreid, eikenlanen, hoekjes dennebosch en boomgroepen. De groote wegen worden dikwijls door pleizierrijtuigen bereden; maar de wegjes en voetpaden zijn eenzaam en verlaten, verlicht door 't groene schijnsel, dat door de boomen valt. De plantengroei op den grond en op de hellingen der wegen is dicht en weelderig; hooge varens en distels staan er tusschen rose en paarse heide, en al die lage gewassen herbergen een wereld van de grootste verscheidenheid en ongehoorden vormenrijkdom, een wereld van insecten en vliegen en vlugge mieren, die lasten torsen grooter dan zij zelve. Vlinders van allerlei gedaante en kleur, morgenvlinders en avondvlinders, kleine bleekblauwe kapelletjes, die als fladderende viooltjes zijn, legers gestreepte en gebronsde kevers van kopergroen en gevlamde tinten, sommige met helmen en zwarte kurassen en horens als van een hert, dat alles leeft hier als in een klein bosch onder het groote. Men krijgt het alles te zien, als men zich maar onbewegelijk houden kan en op dezelfde plek oplettend alles wil gadeslaan, zonder de eindelooze tochten te storen van al die kruipers en vliegers en van de velen, die elk doorgangetje tusschen de grassprietjes kennen.
Heft men het hoofd op, dan krijgt men een indruk van den tempel van ongekorven hout; de boomstammen gaan rechter en losser en fierder de hoogte in dan de zuilen van gothische kathedralen. Zij hebben vorm en kleur en hardheid als van steen; de tijd heeft hun hout verhard als tot graniet. Er is een plekje, waar het aantal woudreuzen bijzonder groot is. Men ziet het van den grooten weg, die het bosch recht doorsnijdt in de richting van Clohars. Het bosch loopt hier over heuvels en door dalen en op een der hoogten ziet men een groep pijnboomen van edelen vorm en onvergelijkelijke gratie. Daar ze hun naaldenkroon enkel op den top dragen en geen lage takken hebben, beheerschen zij als reuzen het woud. In de ondergaande zon en het rose schijnsel doen hun rechte stammen denken aan masten van schepen; hun graniet wordt tot porfier, en de wind ontlokt klanken als van een orgel van hun donkere kronen.
Het eenige geluid, dat aanhoudt bij dit windgesuis, dat toeneemt en vermindert, zucht en fluistert en in golven aanbruist, is het gezang der vogels in de heggen en de boomen. Zij houden zelfs niet stil, als men voorbijgaat, of als er een roofvogel over het bosch vliegt, tot hun plotseling het zwijgen wordt opgelegd, als de wreede roover op een open plek in 't bosch zijn prooi uitkiest. Alle andere geluiden zijn kort van duur en toevallig, en om ze te hooren, moet men goed opletten als een jager, en tevens met het geduld en de voorzichtigheid van een hengelaar. 's Nachts vooral kan men lichte of zware schreden hooren van de dieren in het bosch, of plotseling verschrikt worden door vormen, die eensklaps uit het kreupelhout voor den dag komen en in een paar sprongen weer verdwenen zijn. Dan heeft het bosch zijn zwarte en zijn twijfelachtige, doorschijnende plekken; het is vol ongeziene dingen, vol van het geheimzinnige in de natuur, dat altijd den mensch schrik heeft aangejaagd.
Over dag ziet het er vriendelijker uit, vooral hier en daar aan den rand of op enkele hoogten, waar de hutten van kolenbranders en klompenmakers zijn gelegen. Daar vindt ge ze, de ware heeren van het woud, evengoed er meesters als de wachters, die bij bochten in den weg u voorbijgaan met het geweer op schouder en in den correcten pas van den soldaat. Die bijeenstaande hutten, die er geïnstalleerd zijn als in een Indianenkamp, die rook, die keukens in de open lucht, die werkende mannen, die lachende kinders in het groen, alles spreekt tot den beschaafde van instinctieve vreugde, van een onbezorgd voortleven van den eenen dag op den anderen, van de aanvaarding van een bescheiden bestaan, nederig en vrij en zoo gelukkig mogelijk.
Dit mooie bosch van Carnoët kent levendige feestvreugde, en wel eens per jaar, op Pinkstermaandag. In Toulfouën bij den ingang van het bosch wordt vogelmarkt gehouden, een waar feest voor den heelen omtrek. In de buurt zijn de ruïnen van het kasteel Carnoët, waar Con-Mor huisde, een der Blauwbaarden van Bretagne.
Maar de stad is het uitgangspunt van nog andere uitstapjes.
Quimperlé, dat de stilte van den nacht en de vroolijkheid van den dag kent, heeft niet alleen een bosch, het heeft ook een rivier en op twaalf kilometer afstands de zee.