De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Chapter 10

Chapter 103,751 wordsPublic domain

Want ook in 't Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud opgevolgd: "refoulez le désert." Langzamerhand heeft Frankrijk zich reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de Marokkaansche Sahara, met 't oog op den verbindingsweg dwars door die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866 vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen af en aan, en van 's morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden, barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de l'Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place d'Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen, moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken zoo'n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden, is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in 't bezit der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument, dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde, in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld, een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in 't Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen van Tlemcen, ging in de onophoudelijke binnenlandsche twisten veel van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt, biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken, wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd, waarheen de Arabier bij 't verrichten van zijn gebed het aangezicht wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid, waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de inwoners op zekeren morgen bij 't ontwaken, dat er om den ringmuur hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij, stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah genaamd, die zich om het in 't nauw gebrachte Tlemcen, belegerd, van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief, een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen, dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont, door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem den naam "Mansourah" uitspreken.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan Afrika's noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij, waarvan ook slechts bouwvallen over zijn. Is niet het beeld van verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame, indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën, zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende, dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort zich niet aan 't geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is, die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt, dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.

Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië.

Naar het Fransch van G. Verschuur.

Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.--Witte stad en Indische stad.--Het Regeeringspaleis.--De hôtels in onze koloniën.--Engelsche enclaves.--De bevolking; de kinderen. --Bouwkunst en godsdienst.--Handel.--De toekomst van Pondichéry.--De markt.--De scholen.--Politieke koortshitte.

Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het belangrijkste gedeelte van 't geen Frankrijk heeft weten te behouden uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145 H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland, de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry, maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn, dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk gaat, als men, zooals met mij 't geval is, over zee aankomt. Daar de golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap met de kust te krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, _chelingues_ genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden; noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri of Poultchéri, het "nieuwe dorp", door menschen van hooge kaste Poudou-nagar of "Nieuw Kasteel" genoemd, is in 1693 gekocht van koning Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het dorpje van paria's nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd; maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen door Dupleix; in 1760-61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden, en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze bezitting in 1816-17, met verbod er eenige versterking aan te leggen of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad, door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is, heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie, en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik 't genoegen had hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige gebouwen, en als men er 's avonds gemakkelijk is gezeten, geniet men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen, die een temperatuur bezitten, door 't verdwijnen van de zon heerlijk en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over 't geheel gezond. In gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26 's nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5° C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32° en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15_den_ October; de rest van het jaar heet dan de winter. In 't algemeen gesproken, regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond, dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen, in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels, die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten, zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica, Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te Nouméa, op Bourbon? Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt, dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd, er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk, getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen, dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo goed geweest, een tweewielig wagentje, _pousse-pousse_, te mijner beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, 's Avonds vóór het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan, voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad, zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden, zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan; ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik 's avonds ging wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man, die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren, om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke menschen, als men ze aan 't werk ziet op het veld, of hen gadeslaat bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen, en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op twee booten van de _Messageries Maritimes_. Die indische kinderen zijn, net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn, ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan, die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in 't midden een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat had ik een schik in hun lachende gezichtjes!