De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 9
De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen; en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familiën om hare wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den "vuurgen salamander" en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.
Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, wenschen de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde van zaken te veranderen:--opheffing van de afzonderlijke indiaansche nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen; van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied; voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.
"Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik een zwarten politieken dilettant.
--Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude, alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.
--Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.
--Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen van beloften van de hoofden der Choctaws."
Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star, het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een soort van letterkundigen en politieken avonturier.
XV.
Oklahoma.--Eene vrijstad.
Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot één volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen zijn geworden:--een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen, en die allen zullen vereenigen onder ééne regeering en ééne banier. Nog meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere, nu nog geheel wilde en heidensche stammen--de Cheyennes, de Apachen, de Kiowas en anderen--zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.
Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!
Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten, tegenover de Indianen eene "nieuwe politiek" te volgen, met het doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als "pupillen." Door middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven, worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten, die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij de op het papier getrokken grenzen overschrijden.--De leeraars en zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein (reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den naam van school versierd.--De officieren voeren een andere taal: zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte plaats om humanitaire illusiën te kweeken. Voor zoover mijne ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht, de volbloed Indianen te beschaven.
Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn wet noemt.
Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had, hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen, werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgië moesten verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats verdreven, dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.
Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen, is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement der Vereenigde-Staten.
Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen enkele gevonden worden, die de gronden kan begrijpen, waarop deze uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een denneboom te vellen en te verkoopen.
Volgens de "nieuwe politiek," die den geduchten oorlog met de roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart, wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:
1°. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten dekens en voedsel ontvangen.
2°. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde, in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten aanvaarden.
3°. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom bezitten.
4°. Zwervers en vagebonden.
De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen, en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos, Pai-Uten, Shoshonen, Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt, telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes, Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.
Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner monniken in Californië genomen. Maar deze onbestemde, fantastische klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen: wilde Indianen, en half-wilde Indianen.
De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux, Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun voorvaderlijk geloof en aloude zeden.
Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen, die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie in Californië, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen, meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige natiën, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd, en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken, omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.
Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal steenen huizen te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van blanken overgegaan. Slechts één voornaam opperhoofd, Lange-Antilope, had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen, meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster zijner woning opgeslagen.
"Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een goed huis hebt?" Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:
"Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh."
Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van Lange-Antilope in de eetkamer staan.
De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:
"Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen, in plaats van te gaan jagen, en zijn tijd te verdoen met rooken en drinken, in plaats van met skalpeeren.
--Zijt gij dan van meening, dat de volbloed Indianen onvatbaar zijn voor beschaving?
--Mij is geen voorbeeld bekend van een echten Indiaan, die zich op eenig handwerk of bedrijf heeft toegelegd. Hij is van nature jager en krijgsman; de aanraking met een spade of ploeg zou zijne adelijke handen besmetten. Met de mestiezen is dit anders: van hen mag men, ondanks den nadeeligen invloed van het wilde bloed, dat door hunne aderen stroomt, betere dingen hopen en verwachten: in den regel toch hebben zij een blanke tot vader."
Texas is niet volkomen een model-land; uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid blijft er nog zeer veel te wenschen over; niettemin is in Texas, sedert den oorlog, een neger even zoo goed een burger als ieder ander. Hij heeft politieke rechten, hij brengt zijn stem uit, verschijnt als getuige voor het gerecht, is lid van de jury, zendt zijne kinderen naar school. Hij bezit eigendom en bekleedt een ambt. In één woord, hij is de gelijke van den blanke, voor zoo ver het van de wet afhangt, die gelijkheid te vestigen.
Hier stuit de roodhuid op een onoplosbaar raadsel. Waarom geeft de Groote Vader in Washington, die aan de Indianen de landen en wouden ontneemt, hun, in ruil voor andere landen en wouden, bij plechtig verdrag geschonken, om die, overeenkomstig het aloude gebruik te bezitten "zoolang het zaad groeit en het water stroomt;--" waarom geeft hij aan den zwarte zoo vele en groote voorrechten, dat hij overal de gelijke en op vele plaatsen de meerdere van den blanke is? Het antwoord op die vraag kunnen zij niet vinden.
Te Taliquah, het voornaamste kamp van de natie der Cherokees, verschijnt een klein nieuwsblad, dat door een Indiaan van gemengd bloed wordt uitgegeven. Ik ontleen daaraan het volgende, dat vrij volledig het standpunt weergeeft, waarop een beschaafde Cherokee zich ten aanzien der Indianen-kwestie plaatst.
"Als volk genomen, zijn wij nog niet rijp voor het amerikaansche staatsburgerschap. Niet omdat wij niet verstandig, niet eerlijk of niet arbeidzaam genoeg zijn, of omdat het ons te zeer aan die onmisbare eigenschappen ontbreekt, die overal den mensch de vrijheid waardig maken; maar wij zijn onbekend met en onervaren in die kunst van bedrog en misleiding, waarvan de aanwending tegenover de eenvoudigen en onergdenkenden door de vrijheid, indien al niet wordt aangemoedigd, dan toch gewis veroorloofd, als een onvervreemdbaar recht, omdat het ieder behoort vrij te staan, bedrieger of bedrogene te zijn."
Als antwoord op deze beweering eener onoverkomelijke scheiding tusschen de roode en de blanke republiek in Amerika, heeft eene maatschappij van blanken den bouw ondernomen van eene stad, een grenspost, van waaruit zij voornemens zijn in het grondgebied der roodhuiden door te dringen om dat gaande weg in bezit te nemen.
De afstand van Caddo naar de Red-River bedraagt dertig mijlen. Nabij den oever der rivier is eene open plek in de jungles gemaakt, en op de lokale kaarten draagt die ruimte den naam van Red-River-City (stad der Roode Rivier); maar tot heden is hier geen enkel gebouw, geen landingsplaats, geen hut of kroeg zelfs, te zien. De stad bestaat uit eene doorgraving in de rotsen en het geraamte van een brug. Red-River-City is zelfs niet het schaduwbeeld eener stad, met denkbeeldige pleinen en straten, zoo als die doodgeboren lusthoven langs de baai van San-Francisco, die nog altijd uitzien naar den "goeden tijd." De Chickasaws en de Choctaws zijn nog te dicht in de nabijheid. Mettertijd mag hier eene stad verrijzen, tegenover het grondgebied der Chickasaws; maar dan moeten de roodhuiden eerst hebben opgehouden in stammen te leven, hun land gemeenschappelijk te bezitten, en aan de bevelen van despotieke opperhoofden te gehoorzamen.
Daar niettemin de behoefte aan eene stad op de grenzen word gevoeld, niet alleen in het belang van den lokalen handel, maar ook voor de veiligheid van en de gemeenschap met eene lange reeks van indiaansche posten, daaronder begrepen Fort Sill, Port Griffin en Fort Richardson, werd last gegeven tot het bouwen eener stad, en werd deze ook werkelijk gebouwd.
Op vijf mijlen afstands van de brug over de Red-River, vond kolonel Stevens, ingenieur van de spoorwegen van Texas en Kansas, een geschikter en veiliger plaats. De kolonel (in wiens gezelschap ik het voorrecht geniet deze streek te bezoeken) is iemand van zeer rijke ondervinding ten aanzien van de zeden en levenswijze der wilden. Niemand kent beter dan hij de roodhuiden, of het land waarin zij leven. Nadat tot het bouwen eener grensstad was besloten, koos hij zorgvuldig de plaats, daar hij niets aan het toeval wilde overlaten. Eene wijde, zacht glooiende prairie, met een bosschage van oude eiken, trok zijne aandacht; en bevindende dat de vlakte werd besproeid door eene murmelende beek, de samenvloeiing van een aantal bronnen, nam hij de plek nauwkeuriger op. Hier en daar verhieven zich enkele rotsen; buiten het eikenboschje stonden, in het open veld, nog eenige afzonderlijke boomen in het rond verspreid. De grond der omringende vlakte was zeer vruchtbaar en uitnemend geschikt voor de kultuur van katoen, rijst en maïs.
Een vel papier werd voor den dag gehaald, en daarop het plan eener stad geteekend, met straten, pleinen, wegen en spoorbanen. Het eikenboschje bleef onaangeroerd, en zou voor openbare wandelplaats dienen. Ook eene school werd niet vergeten. De aanstaande stad kreeg den naam van Denison, en er werd een dag bepaald voor den verkoop der perceelen gronds. Aan de eerste koopers gaf Stevens de verzekering, dat daar een spoorwegdepot zou worden aangelegd. Denison zou de voorraadschuur en marktplaats zijn van de forten Richardson, Griffin en Sill, die door een telegraafdraad onderling en met de stad zouden verbonden worden. IJskelders, slachthuizen en werktuigen voor het persen der katoen zouden al spoedig volgen. Door deze beloften en toezeggingen moesten koopers voor de grondstukken worden aangelokt; en daar de spoorwegen in engelsche handen zijn, en de beloften werden gedaan met een beroep op engelsche goede trouw, hielden de Joden, die van Dallas en Shreveport kwamen om een kijkje te nemen, zich overtuigd dat de fortuin van die stad was gemaakt.
Weldra zag men loodsen en schuren verrijzen. Maar timmerhout ontbrak: het eikenhout is te hard, en het land der gele pijnboomen ligt een goede honderd mijlen ver. Niettemin werd er spoedig hout aangevoerd. Vernemende, dat er zich eene nieuwe markt geopend had, zonden drie firma's van houthandelaars in Saint-Louis gansche ladingen planken en balken naar Denison-City: die planken en balken moesten een reis doen van omstreeks zeshonderd mijlen per spoor. Eener goede markt ontbreekt het zelden aan aanvoer; en toen de houthandelaars vernamen dat er gebrek was aan timmerhout in Denison, zonden zij gansche ladingen derwaarts, ofschoon de naam van Denison-City op geene enkele kaart of in geen enkel handboek te vinden was. Het werk ging vlot van de hand. Nelson-huis werd onder dak gebracht; voor Adams-huis werden de grondslagen gelegd; kleine woningen verrezen hier en daar. Negers van Caddo en Veneta, Joden van Dallas, Shreveport en Galveston, benevens vagebonden, spelers, schacheraars en gelukzoekers van elke hemelstreek, stroomden naar de stad. Een herberg, een verkoophuis, een danshuis werden aldra geopend. Binnen zes maanden telde Denison eene bevolking van duizend zielen, van allerlei kleur en geloofsbelijdenis, en was het door geheel den omtrek beroemd als de vroolijkste stad in gansch Texas.
Er zijn nu ter nauwernood acht-en-twintig maanden verloopen, sedert kolonel Stevens den platten grond zijner stad op het papier teekende, en Denison telt tegenwoordig reeds eene bevolking van vierduizend-vijfhonderd zielen. Het spoorwegdepot beslaat een vierde van de oppervlakte der stad; en nabij dit depot bevinden zich twee groote ijskelders, benevens slachthuizen, de katoenpers, vier kerken, vijf herbergen en een onnoemlijk aantal speelhuizen.
Denison mag zich reeds beroemen op een mayor, acht aldermen, "allen eerlijke demokraten," een recorder (officier van justitie), die "de schrik der boosdoeners" is, en een kamer van koophandel. Op onze wandeling door de stad, werd mijne aandacht getrokken door een vrijmetselaarsloge en een paar andere clubs en societeiten. Maar de trots van Denison is bovenal de school, een gebouw van rooden baksteen, in dien eigenaardigen amerikaanschen tudor-stijl, die in de zuidelijke Staten zoo algemeen is. Dit gebouw kostte vijf-en-veertigduizend dollars, die tot den laatsten cent gevonden werden uit leeningen in Engeland gesloten. Wat wonderlijke uithoeken der wereld worden al niet door het engelsche goud bevrucht!
Blijft Denison zoo vooruitgaan, dan bestaat er kans dat de geldschieters hun geld terug krijgen, en dat zij bovendien de zelfvoldoening zullen smaken, van mede arbeiders te zijn geweest aan een goed werk.
Met hare ruwe, luidruchtige, ongebonden bevolking, mag Denison inderdaad aanspraak maken op den naam vau eene "vroolijke stad". Er wordt hier zeer sterk gedronken. Het is heden Zondag; niettemin zijn de herbergen geopend, en hoort men overal het rollen van biljardballen. Opzichtig gekleede vrouwen drentelen door de straten, en half-dronken kerels twisten over hunne vertering in de kroegen. En toch wordt ge telkens herinnerd aan de vrije natuur, aan het bloeiende veld. De hoofdstraat is met boomen beplant; in de straten rechts en links stoot ge nog telkens op boomstronken. Op de binnenplaatsen staan antilopen aan palen gebonden; runderen wandelen heen en weder, en leggen zich rustig neder voor de deuren. Meisjes gaan water putten in de beek; half ongetemde paarden rennen en draven door ruime grasvelden.
Naar het uiterlijke te oordeelen, moet de bevolking dezer grensstad voor de helft uit negers bestaan. Nergens is een enkele Chickasaw of Choctaw te bespeuren; geen enkele roodhuid woont te Denison; toch is Denison nog iets anders dan enkel een voorraadschuur voor Fort Sill en eene wijkplaats voor vrijverklaarde slaven. Het is een kamp en voorpost van de vijanden der roodhuiden.
Ettelijke dagen na mijne aankomst in Amerika, bevond ik mij op een stoomboot op den Potomac, en teekende in een der morgenbladen enkele zinsneden aan, waarvan ik mij voorstelde, later gebruik te maken. Een der passagiers dit ziende, kwam naar mij toe, en zeide:
"Gij zijt waarschijnlijk een correspondent van een der dagbladen van New-York?
--Neen, mijnheer; ik ben een reiziger uit het oude moederland.
--Ha! een Engelschman! Kent gij Ulysses S. Grant?
--Ik heb de eer.