De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 8

Chapter 8 3,737 words Public domain Markdown

Vóór de Isole Longhe, meer zeewaarts, als uitgezette wachters van het kanaal van Zara, liggen nog eenige andere kleine eilandjes: Selve, Ulbo, Premuda, Sabbione, Isto, Melada, Sestrugn. Alle bewoners leven van de zee. Het zijn echte alcyon-nesten, door de golven gedragen, door de stormen ombruist; hier kan men prachtige exemplaren der echte klippen, der scoglie, vinden, waar de eenvoudige visschershut wegschuilt in de spleten der rots. Aarde is bijna nergens voorhanden; maar overal, waar zich slechts eene gelegenheid tot zaaien of planten aanbood, heeft de mensch daarvan gebruik gemaakt, om den ondankbaren grond een mageren oogst af te dwingen.

Tusschen Zara en de stad Knin, nabij de turksche grenzen gelegen, bestaat een geregelde postdienst. De afstand tusschen die beide plaatsen bedraagt een-en-vijftig mijlen, en in vijftien uren kan de reiziger Dalmatië in zijne grootste breedte doorkruisen, van de kust der Adriatische-zee tot den berg Dinara. De postwagendienst is, even als dergelijke staatsondernemingen in Oostenrijk, zeer goed ingericht; de wagen vertrekt tweemaal per week, en heeft niet meer dan vier zitplaatsen; maar de reizigers zijn zeldzaam, en men kan dus hier, des verkiezende, gebruik maken van een gemakkelijk en betrekkelijk goedkoop vervoermiddel.

Daar het mij echter voornamelijk te doen was, om het volk in zijn dagelijksch leven te leeren kennen, wilde ik van den postwagen geen gebruik maken, die mij niet zou vergunnen, naar goedvinden op te houden. Ik trad in overleg met de landlieden, die ik op de binnenplaats van het gerechtshof had ontmoet, en die voor het meerendeel van Kistagné waren, op enkele uren afstands van Knin. Nadat zij getuigenis in het proces hadden afgelegd, mochten zij weder naar hunne woning terugkeeren. Wij kwamen overeen dat wij samen zouden reizen, en des Zaterdags morgens (16 October 1874) bevond ik mij op de afgesproken plaats, even buiten de Landpoort.

Het was een schilderachig plekje: achter ons verhief zich de fraaie poort van Sammicheli, met haar lange houten brug over de Visschershaven, die de stad met den vasten wal verbindt; rechts hadden wij de kaai, waartegen enkele kleinere vaartuigen, karveelen, lagen geankerd; vóór ons, de weg, aanvankelijk ingesloten tusschen de zee en het groote bastion, aan het strand opgeworpen. Boven het bastion prijkt het fiere wapenschild der oostenrijksche monarchie.

(Wordt vervolgd.)

Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van jaargang 1876, bladz. 374.)

XIV.

Zambo's.--Negerslavernij bij de roodhuiden.--Caddo.

Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten, binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge, een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van Zambo's bekend:--de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.

Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika.

Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons; een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.

Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro, den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.

Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten, zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat van Los-Angeles en San-José, en zullen van hier helden uitgaan als Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs de Red-River en van Limestone-Gap.

Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond, Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.

Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:--de vijf natiën, die gerekend worden "den wilden staat vaarwel te hebben gezegd." Hun lot was hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap, hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kaïro spreken zij dezelfde taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester; tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld, geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.

Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgië en Alabama waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgië en Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen; maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen, en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees, voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.

Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; hun aantal was, even als dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgië of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar, als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen kans zag hen te stelen.

Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne jachtgronden in Georgië en Tennessee verdreven werd, voerde hij de negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan, was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild, moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws, naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.

En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.

Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf natiën. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden, was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen, en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden te verontrusten.

De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.

Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper, schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,--had Pike allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners, en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde stammen kunnen worden verleid en medegesleept.

Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden, niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het oude indiaansche verbond der Zes-Natiën; dat de vlag in flarden was gescheurd en de vlaggestok in tweeën gebroken. De heeren van het Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende, vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van de planters van Georgië en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston en New-York. "Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt, en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de staatkundige vrijheid."

Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen, kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven, won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.

Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend, schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk karakter als indiaansche commissaris aflei, een hoed met pluimen opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte, en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden langs de grenzen:--een leger der Noordelijken onder Curtis, en een leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.

Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen, deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op den grond gaan liggen, hunne lichamen met zand en steenen bedekken, en zoo te wachten tot de avond was gevallen?

Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld, gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.

Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.

Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen; en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost, konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in slavernij te houden.

Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen vrij.

De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden van wilde indiaansche stammen!

In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren vergeten geworden.

Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog geëindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.

Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was, had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam, als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden, en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.

De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf, zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard, heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?

Ettelijke honderden van deze geëmancipeerde slaven zijn over de grenzen naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en vrijstad geworden.