# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 70

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

De indeeling der krijgsmacht is sedert overoude tijden, in hoofdzaak, onveranderd dezelfde gebleven; de gemeente is de taktische eenheid, en de samenvoeging van verschillende gemeenten vormt eene kompagnie onder aanvoering van een kapitein of hoofdman. De verschillende kompagniën van eene geheele provincie of nahya vormen een regiment, dat echter niet met deze geheel moderne benaming genoemd wordt. Dit regiment staat onder het kommando van een woïwode, aan wien de kapiteins ondergeschikt zijn; de vereenigde krijgsmacht eindelijk van al de nahye en al de woïwoden staat onder het opperbevel van den Vorst.

De Vladika Peter II is de eerste, die een korps geregelde soldaten, eene eigenlijke krijgsmacht, heeft opgericht; vóór hem bestond er in Montenegro eigenlijk geen staand leger. Als de oorlog ontbrandde, werden alle weerbare mannen te wapen geroepen; zij schaarden zich om de dappersten, de oudsten, de aanzienlijksten of beroemdsten, en spoedden zich naar den strijd. Op het slagveld streed ieder op zijn eigen hand en voor zijn eigen rekening, zonder samenwerking, zonder eenheid, zonder vastgesteld doel: het eenige, waar het op aan kwam, was den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen; hij werd op allerlei wijze gekweld, verontrust, uitgeput, telkens opnieuw overvallen;--en deze onophoudelijke guerilla-oorlog, waartoe trouwens het terrein zoo voortreffelijk geschikt, als door de natuur zelve aangewezen is, was misschien voor den vijand veel gevaarlijker en verderfelijker dan een geregelde veldtocht, terwijl de Montenegrijnen daarbij bijna geen gevaar liepen. De nieuwere wijze van oorlogvoeren, de uitvindingen der moderne strategie, de kunstig samengestelde bewegingen, de geduchte artillerie en de ver dragende geweren zijn, in de hier bestaande omstandigheden, van weinig of geen nut. Bovendien waren, tot voor korten tijd, de Turken niet veel beter gewapend dan de Montenegrijnen, alleen de artillerie uitgenomen. Peter II heeft het korps der Perianiki opgericht; maar dit korps is slechts honderd man sterk, die het nationale kostuum dragen en zich van de anderen onderscheiden door een soort van fijne pluim of vederbos aan hunne muts (perianiza); dit is tegelijk eene lijfwacht voor den Vorst, een soort van policiewacht en een gewapend korps ter beschikking van de regeering. Danilo, de opvolger van Peter II, de oom van den regeerenden Vorst, vormde eene soort van keurkorps, meer bepaald tot zijne lijfwacht bestemd. In 1853 liet Danilo, die het leger wilde organiseeren, voor het eerst in al de provinciën registers of stamboeken aanleggen, waarin de namen werden ingeschreven van alle manschappen tusschen de achttien en vijftig jaren; men meene nu echter niet dat de Montenegrijn, die op vijftigjarigen leeftijd nog in het volle bezit zijner krachten is, na dien tijd de wapenen niet meer voert, maar hij is dan niet langer tot de krijgsdienst verplicht.

Bij de samenstelling der kaders gaat men evenzeer van de gemeente uit; in elke gemeente heeft men een tienman, en in iedere groep van gemeenten een hoofdman over honderd, die eene kompagnie van honderd man onder zijne bevelen heeft; boven de hoofdmannen staan weder de serdars en de woïwoden. Deze, door Danilo ontworpen organisatie had voornamelijk ten doel, aan alle weerbare manschappen eene vaste plaats aan te wijzen, opdat ieder bekend zou zijn met den naam van zijn onmiddelijken chef en met de groep of het korps waartoe hij behoorde; een en ander in het belang eener spoedige en geregelde mobilisatie. De toen gebruikelijke uitrusting bleef, tot de troonsbestijging van den tegenwoordigen Vorst, onveranderd; zij bestond nog altijd uit den yatagan of handjar en het lange albaneesche geweer, met eenige pistolen; de regeering zorgde voor het noodige kruit, maar wat wij eene intendance noemen, bestond niet. Ieder man was verplicht in zijn eigen onderhoud te voorzien; bij wijze van vergoeding, had hij ook aanspraak op een deel van den buit.

Aan deze organisatie, door Danilo ontworpen en door zijn broeder, den dapperen Mirko, ingevoerd en in praktijk gebracht, hadden de Montenegrijnen voor een goed deel de schitterende overwinning te danken, den 13den Mei 1858 in de vlakte van Grahovo op het leger van Hussein-Dahim-Pâsja behaald, waarbij de Turken drieduizend soldaten, acht kanonnen, drieduizend geweren, met al hun ammunitie en proviand, verloren. De ondervinding, in den veldtocht van 1862 opgedaan, toen Omar-Pâsja aan het hoofd der muzelmannen stond, toonde de meerdere voortreffelijkheid der moderne wapenen, waarvan de Turken toen waren voorzien; maar voor een zoo arm land als Montenegro, is eene nieuwe bewapening van zijn leger geene kleinigheid. Gebruik makende van de sympathie, die de Montenegrijnen, door hun heldhaftigen tegenstand tegen de verpletterende overmacht der Turken, zich allerwege in Europa verworven hadden, wist de Vorst van de fransche regeering vergunning te bekomen tot het houden eener groote verloting te Parijs, met het uitgesproken doel om voor dat geld twaalfduizend miniégeweren te koopen, die vervolgens in het vorstendom werden uitgedeeld aan hen, die het meest geschikt werden geacht om met dat wapen om te gaan. Sedert zijn nog enkele andere veranderingen en verbeteringen ingevoerd, maar die miniégeweren vormen nog tegenwoordig het voornaamste bestanddeel der bewapening; men vindt ze overal, want ieder bewaart die wapens met de grootste zorgvuldigheid. Tot op dien tijd was ieder Montenegrijn zijn eigen geweermaker en zwaardveger: hij herstelde zelf zijne wapenen en goot zelf zijn kogels. De heer Xavier Marmier vertelt dat hij eens, te Njégosch, in eene hut, die tevens tot herberg diende, een groep lieden neergehurkt vond bij een vuurpot, bezig met het gieten van kogels en rustig hun pijp rookende, terwijl nevens hen een jong meisje de patronen met kruit vulde, zonder, zoo het scheen, er aan te denken, dat een enkele afgedwaalde vonk voldoende was, om het geheele huis met de bewoners in de lucht te doen springen. De invoering van juistheidswapenen in het vorstendom had natuurlijk de stichting van twee onmisbare inrichtingen ten gevolge: een tuighuis en een kruitfabriek. Het was volstrekt noodzakelijk, zich voor goed te onttrekken aan de ongelukkige verplichting om de vereischte wapenen en ammunitie, over de grenzen der beide naburige rijken, die het vorstendom aan alle zijden insluiten, binnen te smokkelen. De regeerende Vorst vroeg en verkreeg de medewerking en voorlichting van verschillende vreemde officieren, om de organisatie en de bewapening van zijn leger overeenkomstig de eischen van den tegenwoordigen tijd te hervormen. Reeds in 1866 zond Vorst Michael van Servië, sedert vermoord, aan den Vorst van Montenegro een bekwaam wertuigkundige, die te Obod een arsenaal moest helpen tot stand brengen. De Montenegrijn is vlug van begrip en leerzaam, vooral in zaken die met den oorlog in betrekking staan; al vrij spoedig had men een klein korps geschikte werklieden bijeen, die in de wapenfabriek konden worden gebruikt; men bracht het zelfs zoo ver, dat de oude, op de Turken veroverde geweren, die voor niets meer schenen te deugen dan voor zegeteekenen tegen de wanden der hutten, veranderd en weder bruikbaar gemaakt werden.

Maar wapenen alleen waren niet voldoende: men moest ook goede leermeesters hebben, die de Montenegrijnen in het gebruik dier wapenen konden onderrichten. Wederom was het Vorst Michael van Servië, die Vorst Nikolaas te hulp kwam. In het kleine servische leger, dat, helaas, in den jongston oorlog tegen de Turken niet gelukkig is geweest, vond men een uitmuntend onderwezen en voortreffelijk gedrild korps van omstreeks achtduizend man, wier manoeuvres ik menigmaal met bewondering heb aanschouwd; dat leger bezit ook zeer bekwame officieren, die hunne militaire opleiding in Europa ontvangen hebben, en die een beter lot hadden verdiend, dan met ongeoefende en slecht georganiseerde troepen ten strijde te worden gezonden tegen de geweldige turksche overmacht. Drie van deze officieren werden naar Cettinjé gezonden, met het noodige materieel, om het toezicht te houden over de inrichting der militaire etablissementen en onderricht te geven in de moderne taktiek. Tijdens mijn bezoek in Montenegro was alles gereed voor de aanstaande worsteling, en was ieder soldaat van vijfhonderd patronen voorzien. Omstreeks 1869 kocht Vorst Nikolaas, na zijn terugkeer uit Rusland, tweeduizend naaldgeweren, wier reputatie toen door den pruissisch-oostenrijkschen oorlog gevestigd was, en liet in zijn arsenalen de noodige toestellen maken voor de vervaardiging der bij die geweren behoorende patronen.

In 1870 werd de servische kapitein Johan Wlahovitz naar Montenegro gezonden, om de tegenwoordige organisatie van het leger tot stand te brengen, dezelfde, die in den jongsten en nog voortdurenden oorlog op de proef is gesteld. Het leger is thans verdeeld in twee divisiën van tienduizend man, ieder voorzien van eene voor het bergachtige terrein geschikte veldbatterij. Elke divisie bestaat uit twee brigaden, en elke brigade uit vijf bataillons van duizend man elk. Vier van deze bataillons zijn met minié-geweren gewapend; het vijfde heeft naaldgeweren naar het systeem Sederl. Natuurlijk zijn deze wapenen in handen gesteld van de bekwaamste schutters.

De kaders zijn aldus samengesteld: aan het hoofd van het bataillon staat een kommandant, wien een kapitein als adjudant-majoor is toegevoegd; het bataillon is verdeeld in acht kompagniën van negentig man, elk met een eigen kompagnies-kommandant, een vaandrig (bariaktar), twee onderofficieren, tien korporaals en een trompetter. Voor de artillerie heeft men het stelsel van den generaal Dufour aangenomen: vier stukken per batterij, bediend door acht-en-veertig manschappen, onder het bevel van drie officieren.

Het montenegrijnsche bataillon komt dus, op kleiner schaal, eenigermate overeen met ons regiment. Maar de kompagnies-kommandanten, die in rang ongeveer gelijk staan met onze kapiteins, hebben eene veel grootere mate van vrijheid van handelen en ook meer verantwoordelijkheid: dit is een noodzakelijk gevolg van de grondsgesteldheid; want op dit zoo ongelijke en sterk afwisselende terrein is het bijna onmogelijk, met een sterker legermacht dan eene enkele kompagnie, met voordeel op een bepaald punt te opereeren.

De generale staf van het leger, onder het rechtstreeksch opperbevel van den Vorst geplaatst, bestaat uit een woïwode, den senator Elia Plamenatz, die de functiën van chef van den generalen staf waarneemt, en wien een zeker aantal officieren zijn toegevoegd; voorts uit twee divisie-generaals, die omstreeks tienduizend man onder hunne bevelen hebben en den titel van woïwode voeren, en uit vier andere woïwoden, brigade-generaals.

Tot officieren heeft men natuurlijk de vroegere aanvoerders gekozen, die zich echter op de hoogte der nieuwe dienstregeling en wapening hebben moeten stellen, en te dien einde twee maanden te Cettinjé hebben doorgebracht; allen hebben daar deel moeten nemen aan exercities en manoeuvres, en nadat zij bij een examen bewijs van voldoende bekwaamheid hadden gegeven, is hun de taak opgedragen om de onderofficieren te onderrichten. Eindelijk is een vaste regel voor bevordering vastgesteld. Vroeger gold persoonlijke moed voor voldoende aanbeveling, en een onversaagd of gelukkig soldaat klom soms eensklaps op tot legerhoofd; voor dit stelsel is nu de meer geregelde wijze van bevordering der europeesche legers in de plaats gekomen; maar tegelijk heeft men eereteekens en andere onderscheidingen ingesteld, die zeer gewaardeerd worden en den onderlingen naijver prikkelen. Eene echte karakteristieke bijzonderheid: toen men in de verschillende gemeenten de stamboeken voor het leger zou gaan opmaken, en van zwakke grijsaards de wapenen moesten worden teruggevraagd, om ze aan de krachtiger handen van volwassen jongelingen toe te vertrouwen, smeekten die grijsaards, met tranen in de oogen en bittere verontwaardiging in het hart, dat men hun den smaad niet zou aandoen van te meenen, dat zij niet met de wapenen in de hand zouden kunnen sterven.

Misschien zal menigeen onder mijne lezers er vreemd van opzien, als ik van montenegrijnsche kavalerie spreek, en als van zelve zal de vraag rijzen: hoe in een land, als ik getracht heb te beschrijven, de kavalerie met mogelijkheid een rol kan spelen? Toch komt in de legersterkte van het vorstendom ook dit wapen voor. Na den oorlog van 1870 heeft men te Cettinjé een eskadron--het is waar, een eskadron in partibus--opgericht, dat er zeer eigenaardig, zeer zonderling, maar bovenal zeer schilderachtig uitziet en eene merkwaardige verzameling oplevert van de meest uiteenlooponde typen. De ruiters zijn afkomstig uit de onderscheidene provinciën van het vorstendom, en de tuigen der paarden verschillen naar gelang van den smaak, de fantasie en de middelen van den ruiter, of ook naar gelang van de wijze, waarop hij in het bezit dezer voorwerpen is geraakt. Het kommando over dat eskadron, dat tot het dienstdoende leger behoort, is thans opgedragen aan een voormalig oostenrijksch kavalerie-officier, Stanko Radonich. De kosten voor het onderhoud der paarden zijn overigens niet geëvenredigd aan de diensten, die het korps bewijzen kan: want in Tzernagora is de fourrage zoo schaars, dat een paard gemiddeld 's jaars ruim vijfhonderd franken aan voeding kost; in de Berda daarentegen zou dit onderhoud veel minder kosten; maar tot heden is het, bij het gemis van bruikbare wegen, onmogelijk, de fourrage van de eene streek van het vorstendom naar de andere te vervoeren. Om dezelfde reden is de artillerie bij de verdediging des lands van zoo weinig nut; bovendien is het mikpunt schier zonder uitzondering te ver verwijderd of te dicht bij: te ver verwijderd, als men van de hoogte der bergen moet vuren; te dicht bij, als men in de passen en ravijnen, die zich in eindelooze bochten tusschen de rotsen heen winden, moet aanvallen. Berghouwitsers, die op muilezels worden vervoerd, zijn de eenige stukken, die hier werkelijk van dienst kunnen zijn. Men heeft zich dus in de bediening dezer houwitsers moeten bekwamen; tegenwoordig is een der voornaamste en beste officieren van het vorstendom, Macho Verbitza, die in Frankrijk zijne opleiding heeft ontvangen, aan het hoofd van dit wapen geplaatst.

Hiermede heb ik mijn overzicht van de officiëele strijdkrachten van het vorstendom voltooid: dit overzicht was noodig om te weten over welke hulpmiddelen Montenegro kan beschikken; maar hier, minder dan ergens elders, mag het persoonlijk initiatief worden voorbijgezien of gering geschat. Voorzeker heeft men goed gehandeld, door, voor zoover dit mogelijk was, de bewapening en uitrusting te verbeteren, de ordelooze massa aan vaste regelen te onderwerpen en eene doelmatige organisatie in te voeren; maar naar het oordeel van alle deskundigen zou het een bedenkelijke misslag zijn, de Tzernagorsken aan eene al te strenge en stipte krijgstucht te willen onderwerpen. Als de Montenegrijn op het slagveld niet zekere mate van vrijheid behoudt, niet langer de gelegenheid heeft om, althans tot op zekere hoogte, zijne eigene ingevingen te kunnen volgen, dan zou hij zich niet langer in zijn element gevoelen. In het gelid geplaatst en tot een simpel nommer geworden, zou de onversaagde krijgsman minder waard zijn dan een gewoon europeesch soldaat. Een bekwaam legeraanvoerder moet steeds weten te beoordeelen, wanneer en in welke mate hij aan dit persoonlijk initiatief zijner manschappen den vrijen teugel laten kan en mag.

De dood op het slagveld is voor den Montenegrijn bijna het hoogste ideaal: bij de geboorte van een zoon weet men hem niets beters toe te wenschen, dan dat hij niet in zijn bed moge sterven. Is hij in de vlakte of in een bergengte, tegen den vijand strijdende, met eere gevallen, dan wordt zijn lijk, door zijne makkers, op dezelfde plaats ter aarde besteld. De weduwe, in haar dorp teruggekeerd, zal zijner nagedachtenis de verschuldigde eer bewijzen: zij noodigt hare vriendinnen bij zich; zij heeft de wapenen, de kleederen van den gevallene bewaard, zijne strouka of plaid, die hem tot mantel, tot reiszak en tot bed diende; zij spreidt dien plaid als een tapijt voor hare woning uit, legt er zijne beretta en wapenen op neder, en met ten hemel geheven handen heft zij haar klaagzang aan. Zij wijdt uit in den lof des gestorvene; zij beklaagt hem niet; zij prijst noch zijn zachtmoedigheid, noch zijn goedheid, noch zijn edelmoedigheid, maar wel zijn mannelijken moed, zijne indrukwekkende schoonheid, zijne heldenkracht, zijne koene doodsverachting.

Behalve de officiëele legerhoofden, zijn er nog andere aanvoerders, die een overwegenden invloed op den soldaat uitoefenen: dat zijn de popen, hetzij eenvoudige priesters, hetzij aartspriesters en archimandriten, of zelfs metropolitanen. Ik merkte reeds op, dat de tegenwoordige bisschop ook als krijgsman beroemd is; en de Montenegrijnen vinden er niets stootends of onbehoorlijks in, dat dezelfde hand beurtelings het kruis en het zwaard voert, zich nu eens opheft tot zegenen en straks den dood in de vijandelijke gelederen brengt. In de eerste tijden der middeleeuwen, was dit ook bij ons niets ongewoons. In Kroatië, in Bosnië, in Herzegowina, in Servië, heb ik mij meermalen kunnen overtuigen, welken machtigen invloed die priesters op hunne omgeving uitoefenen; zij deelen in alles de levenswijze des volks; even als hunne parochianen, zijn ook zij echtgenooten en huisvaders en gaan zij gebukt onder allerlei wereldsche zorgen en beslommeringen van het alledaagsche leven. De begeerten, wenschen en hartstochten des volks vinden weerklank in hun gemoed; zij deelen met hetzelfde vuur, in zijn liefde en zijn haat; en zoodra de geschikte gelegenheid zich aanbiedt, treden zij op als de natuurlijke legerhoofden, die de banier verheffen van den heiligen krijg tegen de ongeloovigen en met beproefde dapperheid en vurige geestdrift vóórgaan in den rechtvaardigen, erfelijken, eeuwenouden strijd.

De naam van den pope Zarko is in den jongsten oorlog beroemd geworden, als die van den gelukkigsten en den bedachtzaamsten onder de verschillende legerhoofden. Archimandriet van het klooster te Banja, waar hij ook gewoonlijk verblijf hield, was hij de eerste, die de vaan des opstands plantte; met honderdzestig vrij wel uitgeruste en op kosten der kerk gewapende manschappen, verschanste hij zich in de bergpas van Therina, boven het dorp Rahodina. Zijn eerste wapenfeit was het verslaan van een regiment kavalerie, dat van Constantinopel naar Albanië, en van Albanië naar Bosnië was gezonden. Gedurende de eerste twee maanden van den oorlog, leed hij geene enkele nederlaag; zijn hoofdstreven was steeds gericht op het verbreken van de communicatiën der Turken tusschen Rumelië en Bosnië, en op het openhouden der wegen, die van Servië naar Montenegro voeren. Zarko vatte zelfs het stoute plan op, een aanval te wagen op de vesting Vichgrad, en had met dat doel ruim tweeduizend man onder zijne bevelen vereenigd. Aan moed, onverschrokkenheid en zeldzame tegenwoordigheid van geest paarde hij eene aangrijpende, mannelijke welsprekendheid; door zijne van geestdrift tintelende toespraken en proklamatiën ontvlamde hij allerwege de harten der servische landlieden. Om eenig denkbeeld te geven van den eigenaardigen toon dezer priesterlijke oproepingen, laat ik hier eenige zinsneden volgen uit de proklamatie, die Zarko uitvaardigde, toen hij het klooster van Banja verliet en het teeken tot den opstand zou geven. Deze dokumenten, zoo vaak verwaarloosd en veronachtzaamd, geven doorgaans een trouwer beeld van de zeden, de stemming en denkwijze des volks en van den toestand des lands, dan zelfs eene uitvoerige ethnografische studie doen kan.

"Laat alle de volken het vernemen, en laat de gansche wereld het weten, dat de servische natie bestemd is om in vrijheid te leven. Broeders! het is reeds vele jaren geleden, dat de groote slag geleverd werd in de vlakke velden van Kossowo; maar sedert dien dag lijdt ons volk onophoudelijk allerlei ongerechtigheid, berooving en mishandeling van de zijde der verdorven Osmanlis; iedere voetbreed gronds is gedrenkt met de tranen en het bloed onzer vaderen. De Turken schenden en vertrappen ten allen tijde het geloof, de vrijheid, de eer en de have der kinderen van de Nemantchy, tot schande voor het geheele volk. Nu dan, de ure der wrake heeft geslagen! Luister, o mijn volk! vat de wapenen op, want het loon van den strijd is de vrijheid der gansche natie! Wij zullen het geloof, de rechten, de eer en de have van iedereen eerbiedigen. Maar wie zich in de worsteling vijandig tegen ons zal stellen, die zal zijn verraad met zijn leven boeten. Staat dan op, Serviërs en Montenegrijnen! besproeit de graven en woonsteden onzer vaderen met het bloed der snoode tirannen; aan ons behoort het land; met ons is het recht, met ons is God!"

Het valt niet moeilijk te beseffen, welken indruk zulke woorden, uit den mond van een archimandriet, moesten maken op de hartstochtelijke, prikkelbare, door eeuwenlangen druk verbitterde, en van nature krijgshaftige, christelijke bevolking, die in den priester tevens den soldaat, en in den soldaat een der dignitarissen van de orthodoxe Kerk eerde. Overigens was Zarko niet de eenige, die destijds het kruis voor den degen verwisselde. De pope Milo en de higoumenos Melantya streden mede in de gelederen, en onder de Montenegrijnen was er schier geen enkele priester, die werkeloos toeschouwer wilde blijven. Vooral in de aan Albanië grenzende streken, waar de oude zeden zuiverder bewaard zijn gebleven dan in het meer naar de Adriatische-zee gelegen gedeelte, vertoont zich de echte, oude Montenegrijn in al de eigenaardigheid van zijn karakter. Daar hebben en de kleederdracht, en de gebruiken, en de aloude traditiën en volksmeeningen nog schier al haar oorspronkelijkheid en zuiverheid behouden; maar hoewel de popen daar, in nog meerdere mate dan elders, aan de worsteling deelnamen, belette dit hun niet, tevens hunne geestelijke bediening waar te nemen. Zij verrichten de gebeden voor de gesneuvelden en zijn dikwijls bij de weeklachten der dooden tegenwoordig.

