De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 69
Toch, ondanks de dikwijls tedere zorg, waarmede in de familie, krachtens het oude traditioneele gewoonterecht, voor de belangen der vrouw gezorgd wordt, komt het in niemand op, de van God gestelde ordening om te keeren en de vrouw in alles tot de gelijke van den man te maken. Hij is en blijft de meerdere. De montenegrijnsche vrouw mag zich nooit met de zaken van haren man bemoeien; hij zal nooit van haar, zij nooit van hem tegenover derden spreken, noch ook hem bij zijn naam noemen. Zij zal zoo zeer alle betooningen van tederheid en liefde verbergen, dat ge, bij eene familie binnentredende, nooit kunt ontdekken, in welke betrekking de daar aanwezige personen tot elkander staan. De man kan ruw en heftig wezen, en hij zal dit ook somtijds zijn; hij moet zelfs tegenover zijne vrouw eene koude, minachtende onverschilligheid toonen: dat behoort tot zijn rol, dat eischt zijne waardigheid als man. Nooit gaat hij met zijne vrouw uit, tenzij dan dat de geheele familie bijeenkomt. Wat nog zonderlinger is: hij mag haar op weg niet tegenkomen; en wanneer dit onverziens toch gebeurt, houdt de man zich alsof hij zijne vrouw niet ziet, en grijpt een of ander voorwendsel aan om zich niet met haar te bemoeien: hij zal zijn schoenen vastmaken of het een of ander aan zijn kleeding verschikken. Den onbekenden reiziger zal de montenegrijnsche vrouw zonder aarzelen eenige dienst bewijzen: zij zal hem water geven om zijne voeten, van de lange wandeling vermoeid, te verfrisschen; zij zal hem met vriendelijken groet in de woning ontvangen; maar haar man mag zij niet alzoo behandelen. Als haar echtgenoot ziek ter neder ligt, zelfs als hij sterven gaat, mag zij hem niet oppassen, niet tot zijn bed naderen; ter nauwernood mag zij, als het noodlottig oogenblik gekomen is, aan hare smart lucht geven, en nooit is het haar vergund, de weeklacht over den doode aan te heffen.
IX.
De Montenegrijnen behooren genoegzaam allen tot de grieksch-orthodoxe Kerk; naar de zijde van Albanië vond men eenige muzelmannen, die langs de grenzen der Koetschi woonden, doch bij de jongste grensregeling met Turkije voor het grootste gedeelte bij het pâsjalik van Skutari zijn gevoegd.
Het geestelijk opperhoofd der Montenegrijnen is tegenwoordig de Vladika, metropolitaan van Montenegro, van Berda, van Skutari en van de Primoré, die den bisschoppelijken zetel van Cettinjé inneemt en in het groote klooster, het eenige monument der stad, resideert. Het woord vladika was eigenlijk de titel van het geestelijk en wereldlijk opperhoofd der Montenegrijnen, toen deze beide waardigheden nog in één persoon waren vereenigd; tegenwoordig beteekent dit woord, overeenkomstig zijn eigenlijken zin, alleen het kerkelijk opperhoofd, den bisschop. De tegenwoordige titularis, Hilarion Ragonovitch, die sedert 1863 den bisschoppelijken zetel inneemt, oefent bloot geestelijk gezag uit, en houdt zich stipt binnen de perken zijner herderlijke macht. Hij ontvangt geen jaargeld van den staat, maar trekt eene som van vijfduizend francs uit de inkomsten der vaste goederen, tot de kloosters van Cettinjé en Ostrog behoorende. De kerk van Montenegro is onafhankelijk; zij erkent geen opperhoofd en heeft meermalen geprotesteerd zoowel tegen de aanmatigingen van den griekschen patriarch van Constantinopel, als tegen die van de russische Synode; maar de bisschop moet, om zijne wijding te ontvangen, zich naar Moskou begeven. De beide laatste metropolitanen hebben dit althans gedaan. In de stad Ipek resideerde weleer de patriarch der Zuid-Slaven, die tusschen Slavonië, de Sau en de Drau wonen; aan dezen patriarch waren ook vroeger de metropolitanen van Montenegro ondergeschikt. In eene, op den 3den Juli 1804 gehouden algemeene volksvergadering, stelden de Montenegrijnen een adres op, aan den vertegenwoordiger van Rusland, den heer Ivelitch, gericht, en waarin zij de onafhankelijkheid hunner kerk handhaafden. Zij zeggen daarin het volgende:
"Aan de russische Synode is het waarschijnlijk onbekend, dat de slavo-servische volken, voor hunne grieksch-oostersche-illyrische kerk, een eigen patriarch hadden, resideerende te Ipek, aan wiens gezag de bisschoppen van Montenegro tot in 1769 onderworpen waren. Gedurende den oorlog tusschen Rusland en de Porte, die toen was uitgebroken, trok de servische patriarch, Basilius, over ons land naar Rusland, ter zake van de vervolging der Christenen, en omdat hij persoonlijk aan groote gevaren was blootgesteld. Hij stierf te Sint-Petersburg. Hij was de laatste patriarch van het slavo-servische verbond. De zetel der patriarchen van Ipek bleef tot heden ledig. Derhalve is onze bisschop, meer dan eenig ander prelaat, geheel onafhankelijk. Zoo als de kerkelijke geschiedenis leert, ontvingen wij het Evangelie van de Grieken, en niet van de Russen.... Het bleef ons tot hiertoe onbekend, dat de russische Synode eenig gezag heeft uitgeoefend over de slavo-servische volksstammen, die buiten de grenzen van het russische rijk wonen."
De Montenegrijn is zeer gehecht aan de uiterlijke vormen en plechtigheden der godsdienst: dikwijls ziet men hem nederknielen, het teeken des kruises maken, zich het hoofd ontblooten als de klok luidt. Op den vreemdeling maakt de aanblik van eenige duizenden personen, in eene vlakte of op een plein vereenigd, en allen tegelijk het teeken des kruises makende op het eerste geluid eener klok, dat hij anders niet opgemerkt zou hebben, ontegenzeggelijk een diepen indruk, en als van zelve zal hij tot de overtuiging komen, dat de Montenegrijnen een zeer godsdienstig volk zijn. Tot op zekere hoogte is dat ook werkelijk het geval; maar sommige scherpzinnige opmerkers beschouwen hen toch eenigermate als de vrijdenkers onder de stammen der Zuid-Slaven, want de kerken worden zeer weinig bezocht, en de uiterlijkheden van de godsdienst gaan den Montenegrijnen meer ter harte dan het innerlijk leven des gemoeds. Ook in dit opzicht heerscht hier een zonderling contrast tusschen den uiterlijken schijn en het wezen der zaak. Het getal der kerken, bij voorbeeld, is zeer groot: men telt er vierhonderd in een land van nog niet ten volle tweehonderdduizend inwoners; het getal der priesters beloopt tusschen de vijf- en zeshonderd; er worden veel aalmoezen gegeven, en de vasten worden streng in acht genomen; de uitoefening van iedere andere godsdienst dan de orthodoxe is verboden;--en toch kan men niet zeggen, dat bij de massa des volks de godsdienstige overtuiging diep geworteld is, of dat het geloof beslissenden invloed op hart en leven uitoefent.
De popen zijn in hooge mate onwetend, en oefenen toch een groot gezag over het volk uit, omdat zij zelven tot het volk behooren, zijn leven medeleven en deel nemen aan zijne worstelingen, met het kruis in de eene en de krijgsbanier in de andere hand. Er zijn enkele kloosters: een in Moratcha, waarvan ik reeds gesproken heb, en dat, naar men wil, gesticht zou zijn door Douchan, Koning van Servië; een, het meest beroemde, te Ostrog, waar men sedert 1873 het seminarie of bogoslavia heeft overgebracht; en een te Kern, waar de kerk staat, waarvan de Vladika Peter II archimandriet was; maar het getal monniken is zeer gering, en de dienst in deze heiligdommen wordt doorgaans door popen verricht.
De montenegrijnsche pope gelijkt, in voorkomen en manieren, op den russischen pope en den servischen pope in Kroatië, Bosnië en Servië; ge herkent hem aan zijn langen baard, aan zijne golvende hairlokken en aan zijne wijde, lang afhangende kleeding, die hem zekere waardigheid geeft; maar toch is het voor den vreemdeling dikwijls moeielijk om het gewijd karakter van deze bedienaren der godsdienst te onderkennen: want men ontmoet in het vorstendom eene menigte priesters, die als alle andere Montenegrijnen gekleed gaan, hun hair afgeknipt dragen, wapenen in hun gordel voeren, geheel een militair voorkomen hebben als de andere bergbewoners, en die niettemin de priesterwijding hebben ontvangen. Ofschoon popen, vindt gij ze in de herbergen en kroegen, hunne pijp rookende en brandewijn drinkende, of zelfs wel de guzla bespelende, zooals die oude pope, dien ik in de herberg te Cettinjé ontmoette, en van wiens moed mij de dienstmeid verhaalde, terwijl zij op de vele medailles wees, die zijne borst versierden en die hij op het slagveld gewonnen had.
Alle kerken, die ik bezocht heb, zijn uiterst eenvoudig. Zij zijn meest allen naar hetzelfde model gebouwd: de inwendige inrichting is die van de grieksche kerk, met de gewone indeeling; het ikonostase, dat den dienstdoenden priester voor de oogen der menigte verbergt, wordt op sommige oogenblikken geopend, en gunt dan de aanschouwing van het binnenste heiligdom, waaruit het licht straalt en wierookgeuren stroomen. Gedurende de geheele dienst blijven de geloovigen staan; die regel geldt voor allen, de Vorst niet uitgezonderd. Bij den ingang der kerk worden de wapenen afgelegd en doorgaans aan eene vrouw in bewaring gegeven. De kosten der eeredienst worden gedragen door de geloovigen, die daartoe naar gelang van hun vermogen bijdragen. Te Ostrog, waar men jaarlijks heengaat om in het klooster de relieken van den heiligen Basilius te vereeren, worden gedurende dien tijd soms wel tienduizend francs ontvangen. Het getal feestdagen in den griekschen kalender is zeer groot; en de gewoonte om op die dagen pleizier te maken en buitensporige uitgaven te doen, is een ware ramp en een oorzaak van veel armoede en achteruitgang. In de naburige landstreken, waar de bevolking katholiek is, worden zij, die bij zoodanige gelegenheden op één enkelen dag meer dan de inkomsten van eene geheele maand verteeren, door de geestelijken en Franciskaner monniken openlijk berispt en geschandvlekt. Die kerkelijke feesten, die met de algemeen erkende, groote feest- en heilige dagen, zooals Paschen, Hemelvaart, Pinksteren, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen, niets gemeen hebben, gaven aanleiding tot zooveel buitensporigheden en wanorde, dat Vorst Danilo, om daaraan paal en perk te stellen, de medewerking heeft ingeroepen van al de popen van het vorstendom. Over het algemeen moet die zucht tot feestvieren en eindeloos banketteeren tot de volksondeugden gerekend worden; ter gelegenheid van den verjaardag van het familiehoofd, wordt er soms acht dagen achtereen feestmaal gehouden, en het is niet zeldzaam dat dan in weinige dagen de winst van een gansch jaargetijde wordt verteerd, zoodat de familie gedurende den winter gebrek moet lijden. In het nieuwe wetboek van Danilo zijn eenige bepalingen opgenomen, om dergelijke buitensporigheden, als ook het geven van te kostbare geschenken, tegen te gaan.
Daar staat tegenover dat de Montenegrijn met zoo groote gestrengheid de vasten in acht neemt (die, zoo als men weet, in de orthodoxe Kerk zeer talrijk zijn), dat hij gedurende honderd-een-en-negentig dagen in het jaar geen vleeschspijzen gebruikt, en in de groote vasten, die negentien weken duurt, noch eieren, noch boter, noch visch eet. Er zijn zelfs vijftien dagen in het jaar, waarop het drinken van wijn hem verboden is: in dit opzicht volgt hij het voorbeeld van zijne buren, de Turken, die ook den Ramazan streng in acht nemen. De Montenegrijnen zijn overigens tamelijk verdraagzaam, en trachten op de markten en in de bazars, waar zij met de Turken samenkomen, geen propaganda te maken; godsdienstijver geeft bijna nooit aanleiding tot botsingen, en de machthebbers zijn in den regel vrij van alle kerkelijk fanatisme.
Het klooster van Cettinjé, de zetel van den metropolitaan, kan in zekeren zin als het Vatikaan van Montenegro worden beschouwd. Het gebouw doet zich schilderachtig genoeg voor, maar heeft niets monumentaals. Oorspronkelijk zoowel tot vesting als tot klooster aangelegd, bestaat het uit twee verdiepingen met laaggewelfde bogen, rustende op zware gedrongen pilaren, en tegen den rotswand leunende. In het klooster vindt men eene kerk, de voornaamste school van Montenegro, en ook eene gevangenis. Het is tevens de residentie van den metropolitaan en van zijn coadjutor. Betrekkelijk is hier alles modern, want dit palladium van Cettinjé is twee malen een prooi der vlammen geworden; men kan zelfs zeggen dat er, ten gevolge der aardbevingen en der verwoestingen van de Turken, weinig of niets van den derden herbouw overig is: het eenige overblijfsel van het oude, te vuur en te zwaard verwoeste servische klooster is een beeldhouwwerk, waarop nog de servische arend te herkennen is.
De kerk is zeer eenvoudig, maar de dienst wordt met veel pracht gevierd: de rijke versieringen en heilige gereedschappen zijn allen van modernen oorsprong, en door de laatste Vorsten geschonken. Van de gewijde vaten, kleederen en kostbaarheden, waarvan in de oude kronieken en verhalen der venetiaansche reizigers gesproken wordt, is niets meer te vinden; deze schatten, die door de servische Koningen aan de vorsten en primaten van Zèta ten geschenke waren gegeven, zijn tijdens de invallen der Turken verloren en verstrooid geraakt.
Deze kerk, of liever deze kapel, is vooral hierom merkwaardig, omdat zij, behalve de tomben van twee Vorsten, ook het stoffelijk overschot bevat van den Vladika Peter I, door alle Montenegrijnen als heilig vereerd. Daar de montenegrijnsche kerk zich als geheel onafhankelijk beschouwt, en noch het gezag erkent van de russische Synode, noch van den Patriarch van Constantinopel, moet men wel tot het besluit komen, dat de Montenegrijnen zelven hun Vladika Peter, den vierden afstammeling in rechte lijn van de Njégosch, heilig hebben verklaard. Men zeide mij evenwel, dat in dit geval de beslissing der Synode was ingeroepen geworden. Peter I is de eigenlijke grondlegger der tegenwoordige dynastie, hoewel hij de vierde van zijn geslacht was: het was juist uit aanmerking van de groote diensten, door hem aan het vaderland bewezen, dat de waardigheid van Vladika in zijne familie erfelijk werd verklaard. Nadat zijn lijk in het klooster van Stanjevitch ter aarde was besteld, had een jonkman, met zienersgave bedeeld, zoo de overlevering wil, een visioen, waarin hem de overleden Vladika verschenen was, met een lichtglans omgeven, het labarum in de hand, vol heerlijkheid en majesteit. De jonge ziener trok het land door, overal in de dorpen verhalende van het gezichte, dat hem ten deel was gevallen, en heilige liederen zingende; hij vond allengs bij velen gehoor, vormde een soort van aanhang, en wist het zoo ver te brengen dat, na verloop van zeven jaren, de doodkist van den Vladika geopend werd, waarin men het lijk geheel ongeschonden, zonder eenig spoor van ontbinding, terugvond. Dit feit maakte een geweldigen indruk in het geheele land; de Vladika werd heilig verklaard, en zijn lichaam overgebracht naar de kapel van het klooster van Cettinjé, waarheen in de maand Juli schier alle Montenegrijnen ter bedevaart opgaan.--Rechts en links van den ingang der kapel bevinden zich de graftomben van twee broeders: Danilo I, den laatsten Vorst, die te Cattaro vermoord werd, en Mirko den Dappere, het zwaard van Montenegro, den vader van den regeerenden Vorst. Geen wonder alzoo, dat het klooster van Cettinjé, de zetel van den hoogsten kerkelijken dignitaris, waaraan zich bovendien zoo vele herinneringen hechten, algemeen als het voornaamste heiligdom, het palladium van Montenegro wordt beschouwd. Daar komt nog iets bij: volgens overoude gewoonte is het klooster eene onschendbare wijkplaats, zoodat ieder, die door den bisschop daarin ontvangen en toegelaten wordt, voor zijne vijanden en zelfs voor den arm des gerechts onbereikbaar is.
Ik heb op mijn uiterste gemak door het klooster gewandeld, zonder dat iemand zich om mij bekommerde; op de lage bovengalerij zat Mgr. Hilarion Ragonovitch, in zijn fraai statig kostuum, met zijne zware golvende lokken, zijn langen zijdeachtigen baard afdalende op zijne breede borst; hij koesterde zich in de zonnestralen en rookte rustig zijn tsjiboek. Op een paar schreden afstands van hem zaten enkele inwoners der stad op den vloer, bezig met het schoonmaken en herstellen hunner geweren. De zeer invloedrijke, zeer populaire metropolitaan is een krachtig gebouwd man van athletische gestalte en indrukwekkend voorkomen. Zijn heilig ambt belet den bisschop niet, een geducht en beroemd krijgsman te zijn; in 1862 heeft hij een werkzaam aandeel genomen in den oorlog tegen de Turken, en daar hij uit Herzegowina geboortig is, werd hem het opperbevel opgedragen over de manschappen in het aan die provincie grenzende gebied. De kamers van den metropolitaan zijn vrij comfortabel ingericht, maar geheel zonder karakter: zij zijn gemeubeld even als de vertrekken in de huizen langs de dalmatische kust, dat wil zeggen op zijn italiaansch.
Uit den kleinen tuin van het klooster, waar een groot aantal bijenkorven in rijen staan geschaard, voert een weg bergopwaarts naar den toren, die zich nevens en boven het klooster verheft. Oorspronkelijk moest de oude toren zeker dienen tot verdediging en vooral als wachttoren, maar hij is nooit voltooid en heeft zelfs geen deur; tegenwoordig heeft hij geene andere bestemming dan als klokketoren. Meer dan waarschijnlijk dagteekende de oorspronkelijke toren uit den tijd der servische heerschappij, en zijn de fondamenten nog uit dien tijd afkomstig; maar het gedeelte boven den grond, door Peter II herbouwd, is modern. Tot in 1848 werden rondom dien toren de afgeslagen hoofden opgehangen der gesneuvelde Turken. Dit geschiedt thans niet meer; en hoeveel prijs ik ook stel op oorspronkelijkheid en lokale kleur, de afschaffing van dit gebruik mag ik niet betreuren.
Als men, na met veel moeite tegen de steile hellingen van den Lowchen te zijn omhoog geklauterd, de grenzen bereikt van de streek waar nog het kreupelhout groeit en de geiten grazen, ontvouwt zich naar de zijde van Rjeka een prachtig panorama voor den blik. Hoe hooger ge stijgt, hoe meer de bergen ten zuiden als schijnen weg te zinken; de vlakte breidt zich uit, en diep beneden u, door een prachtvol romantisch landschap omgeven, weerspiegelen de heldere wateren van het meer van Skutari. Hoog boven u, op den top des bergs, schier wegschuilende in de wolken, bevindt zich het grafteeken van den nationalen dichter van Servië, van Peter II, den grooten Vladika, den vijfden Vorst uit het geslacht der Petrowitch. Daar begeerde hij te rusten, op de kruin van den Lowchen, onder het oog Gods, in de stille bergeenzaamheid, waar de Vila rondwaart, de fee van den Yeserski-V'rh, die eene zoo groote rol speelt in de volksverhalen en sagen der Montenegrijnen. Ik heb den top des bergs niet bestegen; men verzekerde mij, dat die beklimming zeer moeilijk is en dat men er minstens een geheelen dag voor noodig heeft. Ik ben niet verder gegaan dan tot de waterbakken van Iwan Tzernojewitch, die, zegt men, de bron ontdekte, waarvan het water, vooral na de tamelijk vermoeiende beklimming, ons zoo heerlijk smaakte. Deze plek is eene oasis midden op den berg: eene kleine vlakte, door den oprijzenden rotswand tegen de schrale noordenwinden gedekt. Voor het eerst sedert langen tijd, kon ik mij onder de schaduw van een boom op het malsche gras nedervleien. De bron wordt bij haar te voorschijn treden uit de rots opgevangen in goten, van uitgeholde boomstammen vervaardigd en op schragen rustende; het water is heerlijk van smaak, maar ijskoud, en het is zeer gevaarlijk er van te drinken, wanneer men door den tocht vermoeid en verhit is.
X.
De Montenegrijn is van nature krijgsman; hij is geboren voor den oorlog; niets wekt meer zijne bewondering op dan persoonlijke moed, en naar niets tracht hij met zooveel ijver als naar den roem van dapperheid. Zijne wapenen zijn zijne dierbaarste bezitting, somwijlen bijna zijne gansche fortuin; zijne geheele geschiedenis is niets dan het verhaal eener onophoudelijke worsteling, die op het slagveld van Kossowo begon en nog steeds voortduurt.
Niemand, die ook maar oppervlakkig met de geschiedenis van dit volk bekend is, zal er zich over verwonderen, dat Turken en Montenegrijnen elkander als doodvijanden beschouwen en elkander haten met dien fellen, bitteren haat, die medelijden noch verschooning kent, die nooit verflauwt, waarvan de uitbarstingen wel tijdelijk door vreemde tusschenkomst, door traktaten en wapenschorsingen kunnen gebreideld worden, maar die zelf onsterfelijk is. Eerst nadat de turksche heerschappij over de omliggende gewesten zal zijn verbroken, als Montenegro niet meer voortdurend door zijn onverzoenlijken erfvijand in zijn bestaan zal worden bedreigd, zal voor dit onversaagde heldenvolk de tijd van rustiger, vreedzamer, normaler ontwikkeling gekomen zijn. Eerst dan--en niet eerder.
Het is hier de plaats, om een blik te werpen op de militaire organisatie van het vorstendom, op de hulpmiddelen waarover het beschikt, op zijne wijze van oorlog voeren; maar wij willen al dadelijk opmerken, dat ondanks velerlei hervormingen en navolgingen van vreemden bodem, ondanks de moeite, die de regeering zich gegeven heeft om in den krijg de methode der nieuwe taktiek en strategie in te voeren, het den Montenegrijn schier onmogelijk is zich te voegen naar de regelen der europeesche krijgstucbt, naar de afgepaste regelmatigheid onzer bewegingen; onmogelijk vooral, zich te onderwerpen aan dien eisch van volstrekte zwijgende onderwerping, waardoor ook het talrijkste leger een gewillig en wel georganiseerd werktuig wordt, bestuurd door den wil en de gedachte van één enkele, ter bereiking van een door dezen gekozen doel.
Ik zal niet verder teruggaan dan tot de reis van Viala de Sommières; hij was, zooals men weet, kolonel in het fransche leger, gouverneur van de provincie Cattaro, chef van den generalen staf van de tweede divisie van het leger van Illyrië te Ragusa, en woonde van 1807 tot 1813 in Dalmatië. Viala heeft over Montenegro een werk in twee deelen geschreven, dat, ondanks latere nasporingen, nog altijd onmisbaar is voor ieder, die zich met dit land grondig bekend wil maken; hij was een zeer geacht officier, en vertrouwende op de loyauteit en gastvrijheid der Montenegrijnen, verscheen hij geheel alleen in hun midden, om hun land te bestudeeren. Het ligt voor de hand, dat alles wat tot het krijgswezen behoorde in de eerste plaats zijne aandacht trok; het resultaat zijner persoonlijke waarnemingen en onderzoekingen deelt hij ons mede in zijn boek, en wij mogen veilig aannemen, dat hierin de staat van zaken, ten jare 1812, naar waarheid geteekend is.
Het aantal krijgslieden, als zoodanig op de registers ingeschreven, bedroeg toen, voor het geheele vorstendom, dertienduizend-driehonderd; maar aangezien ieder, die een geweer voeren kan, van den knaap tot den grijsaard, ook aan den oorlog deel neemt, kon dit getal, in vier-en-twintig uren, allicht tot twintigduizend stijgen. De kloekmoedigsten en krachtigsten gingen vooraan; de grijsaards hielden de bergpassen bezet, zorgden voor de veiligheid der communicatiën, het aanvoeren van proviand en ammunitie, en bespiedden de bewegingen des vijands; de kinderen brachten bevelen over of speurden de marschen der troepen na; de vrouwen eindelijk verzorgden de verwonden en brachten levensmiddelen aan de lieden van haar dorp. Uit de laatste rapporten der proveditoren van Cattaro aan de regeering van Venetië en uit andere onuitgegeven stukken, door den heer Armand Baschet openbaar gemaakt, blijkt dat omstreeks de helft der zeventiende eeuw het totaal der ingeschreven krijgers (aangenomen dat zulke inschrijving toen reeds plaats vond) het getal van achtduizend niet overtrof; een achtste deel daarvan was met haakbussen gewapend, de anderen hadden slechts lans en degen.