De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 67

Chapter 67 3,316 words Public domain Markdown

In dezen kleinen, half patriarchalen staat heeft ieder het recht, wapenen te dragen en zijne stem uit te brengen in de volksvergaderingen. Alle onderdanen zijn voor de wet gelijk; men kent hier geen klassen of standen, hetgeen niet belet, dat deze of gene familie, sedert langen tijd gewoon aan het hoofd van haar stam of clan te staan, daardoor van zelve een zeker traditioneel aanzien heeft verworven. Met uitzondering van de vorstelijke waardigheid, is echter geen enkel ambt erfelijk, en de geringste onderdaan kan naar de hoogste betrekkingen dingen:--echter, onder drie voorwaarden. Heeft hij zich door eigen arbeid en inspanning, door bekwaamheid en talent, fortuin verworven, dan vestigt zich de keus zijner medeburgers als van zelve op hem; ditzelfde is ook het geval, indien hij zich in den oorlog door bijzondere dapperheid of door een of ander schitterend wapenfeit heeft onderscheiden; eindelijk is meerdere kennis en ontwikkeling, door studie of reizen verkregen, bekendheid met vreemde talen en andere landen, eene zeer sterke aanbeveling voor ieder, die naar openbare ambten dingt.

Als algemeenen regel mag men, geloof ik, aannemen, dat de bewoner van Tzernagora donker van uitzicht is, terwijl die van de Berda meer naar het blonde trekt, zoo als sommige Zuid-Slaven. Over het geheel genomen, zijn beiden mager, slank, rijzig en welgevormd, zeer dikwijls indrukwekkend van voorkomen, en in gang en manieren somwijlen ietwat gemaakt. De inwoners van Tzernitza en Bjelopavitzka onderscheiden zich van alle anderen door hunne hooge gestalte, en herinneren aan de schoone dalmatische typen uit den omtrek van Knin. Daar zij nooit onder elkander trouwen--want de grieksche Kerk verbiedt het huwelijk tusschen bloedverwanten zelfs in zeer verren graad--vernieuwt de type zich zonder ophouden; en dewijl ten gevolge van de weinige zorg voor de kleine kinderen, van het ruwe klimaat en de verwaarloozing van de eenvoudigste gezondheidsregelen, zeer veel kinderen in jeugdigen leeftijd sterven, blijven alleen de gezondsten en krachtigsten in leven. Echter vertoont de montenegrijnsche type zich niet altijd in zijne zuiverheid; en dit is geen wonder: Montenegro was langen tijd eene wijkplaats, waar ieder, die zich aan de turksche dwingelandij wilde onttrekken of zich op turksch gebied niet langer veilig gevoelde, heen trok, dikwijls zonder iets anders dan zijne wapenen mede te brengen.

Groote liefhebbers van alle lichaamsoefeningen, onvermoeide voetgangers, gewend aan eene onophoudelijke worsteling met de onbarmhartige natuur, zijn de Montenegrijnen, om zoo te zeggen, in een voortdurenden staat van overspanning; zij kunnen de zwaarste vermoeienissen trotseeren, en zijn met even weinig tevreden als de Arabieren der woestijn. Wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt, vervallen zij echter lichtelijk tot onmatigheid, en dezelfde bergbewoner, die gewoonlijk van brood, van aardappelen, van rijst of tarwe leeft, en zijn dorst lescht met het water der naaste bron, zal, als er een schaap geslacht wordt, ongeloofelijke massaas verslinden; en gaat hij zich eenmaal te buiten aan brandewijn, dan kent hij ook geen perken meer.

Op de grenzen van Herzegowina en Montenegro, in de nabijheid van Grahovo, heb ik een paar dagen gelogeerd bij een Dalmatiër, die een kleinen drankwinkel hield; hij verhaalde mij, dat hij er zich aanvankelijk op had toegelegd, brandewijn te verkoopen van beter kwaliteit en minder met vreemde bestanddeelen vermengd dan die van zijn buurman, in het vertrouwen dat hij daardoor klanten zou trekken. In die verwachting was hij evenwel bedrogen geworden: zijn buurman, die veel slechter brandewijn verkocht, maar waarin meer vitriool was gemengd, had veel meer te doen dan hij. Deze door het gebruik van heete specerijen en sterke oliën bedorven kelen hebben een dergelijken heftigen prikkel noodig.

De krachtige, gezonde Montenegrijn ademt de frissche versterkende berglucht in, en bewaart de harmonie zijner physieke krachten en vermogens door voortdurende oefening, door spelen die aan de antieke wedstrijden en kampgevechten doen denken, waarin kracht en vlugheid om den prijs dingen. Hij is van nature vroolijk van aard, levendig van geest, en begaafd met eene zeer sterke verbeelding. Hij is onstandvastig en veranderlijk: geduld en volharding zijn hem zeer dikwijls vreemd; heeft hij eenmaal een denkbeeld opgevat, dan grijpt hij in zijne verbeelding reeds aanstonds het einddoel, geeft zich niet volledig rekenschap van de moeilijkheden, die te overwinnen zijn, en schat den te behalen prijs dikwijls veel hooger dan hij inderdaad waard is. Er is iets kinderlijks in deze zoo moedige, zoo onverschrokken strijders: slagen zij niet aanstonds in hun vermetelen aanval, dan gebeurt het dikwijls, dat zij eensklaps alle zelfvertrouwen verliezen en beschroomd worden. Ook in het gewone leven slaat de Montenegrijn zeer licht van vreugde tot droefheid, van blijmoedig vertrouwen tot doffe wanhoop over; en met zekeren takt valt het dikwijls niet moeilijk, zijn opgewekte drift weder tot bedaren te brengen of hem tot datgene te bewegen, waartegen hij zich eerst ten sterkste kantte.

Zijne wapenen zijn hem meer dan alles waard; zelfs de armsten getroosten zich elke opoffering om hun gordel te kunnen versieren met een kostbaren handjar of een paar fraai bewerkte pistolen, waarmede zij zeer goed weten te schieten; de meer vermogenden koopen in Albanië die met zilveren knoppen versierde wapenen, die onder den naam van ledenitze bekend zijn; in den laatsten tijd zijn ook onder hen revolvers geene zeldzaamheid. In zeker dorp, waar ik vertoefde, had een der inwoners zich een naaldgeweer aangeschaft, dat hem juist bezorgd werd en zeer waarschijnlijk hier nog geheel onbekend was; de gelukkige bezitter van dit nieuwe wapentuig werd den ganschen dag als het ware bestormd door zijne buren, die het geweer kwamen bekijken en het allen wilde probeeren; uren achtereen was het een schieten zonder ophouden, en op het gelaat van alle aanwezigen was duidelijk te lezen, hoezeer zij hun makker het bezit van een zoo kostbaar wapen benijdden. In de laatste jaren heeft de wapenrusting van de Montenegrijnen eene geheele verandering ondergaan; de geweren, die thans van regeeringswege worden uitgedeeld, zijn allen vervaardigd naar een der verschillende stelsels, bij de europeesche legers in gebruik; maar bovendien schaft ieder zich eigen wapenen aan, geheel overeenkomstig zijn smaak en zijne middelen. Zij, die in de nabijheid der oostenrijksche grenzen wonen, hebben karabijnen en Martini-geweren; naar gelang men verder in het binnenland komt, vindt men des te grooter verscheidenheid in de soort van geweren, die aan eigenaardigheid en sierlijkheid van vormen winnen, wat zij aan juistheid verliezen. Ondanks de onvolkomenheid van hunne vuurwapenen, zijn de Montenegrijnen zeer bekwame schutters. De Turken hebben een instinktmatig besef van afstanden, die zij met groote juistheid berekenen: aan deze eigenschap danken zij hunne bekwaamheid als artilleristen; de Montenegrijnen bezitten dezelfde eigenschap en oefenen zich voortdurend in het schijfschieten. Op de vlakte achter het paleis, ziet men zeer dikwijls den Vorst met de heeren zijner omgeving naar den prijs schieten, waarbij zijne zuster menigmaal, met een pistool in den gordel, de rol van kamprechter vervult.

De Montenegrijn heeft van nature een waardig en hooghartig voorkomen en een sierlijken, gemakkelijken gang: hij is zich van deze voorrechten zeer wel bewust en poseert gaarne. Uit zijn aard is hij zeer hoogmoedig; zijn gevoel van eigenwaarde, het bewustzijn van zijn moed, van zijne bedrevenheid in alles wat tot den wapenhandel en den krijg behoort, heeft althans dit voordeel, dat hij dikwijls de meest roekelooze ondernemingen durft bestaan, die meermalen met goeden uitslag bekroond worden. Dit volk vertoont, over het geheel genomen, eene zonderlinge mengeling van deugden en gebreken. De Montenegrijn spreekt luide en op hoogen toon; hij is trotsch, ongenaakbaar, terugstootend vaak; als hij alleen over straat gaat en bespeurt dat men hem gadeslaat, dan richt hij zich nog meer omhoog en neemt nog fierder houding aan; en niettemin is hij goedhartig en onderdanig tegenover zijn meerderen. Hij heeft bepaald aristokratische airs, en toch is hij in den grond van zijn hart demokraat: want ook aan den nederigsten zijner broederen weigert hij den vredekus niet, en verkeert met hem op een voet van gelijkheid, die allen beleedigenden trots buitensluit.

De nationale kleederdacht strookt uitnemend met die ingeschapen zucht van den Montenegrijn, om zich op zijn voordeeligst voor te doen, met zijn aangeboren liefde voor pracht en schittering, waaraan zelfs de armsten alles ten offer brengen. Ten einde die verderfelijke ijdelheid zooveel mogelijk te beteugelen, gaf Vorst Nikolaas, reeds in het tweede jaar zijner regeering, het voorbeeld van vereenvoudiging in het kostuum: hij trachtte het overmatig gebruik van kostbare stoffen, van gouden borduursels, van prachtige pelterijen, die dikwijls het grootste gedeelte van het vermogen van den eigenaar verslonden, te beperken, en zoo mogelijk af te schaffen. Hij verving toen de fraaie, zware gouden nestels van de djamadan (het over de borst gekruiste vest), door eenvoudige zwarte koorden, die ook goed staan. Deze pronkzucht is trouwens een kenmerk van het ras: de commissionnairs en bestellers te Ragusa, die toch zeker niet tot de gegoede burgers behooren, spreiden in hunne kleeding nog meer pracht en rijkdom ten toon. De vervaardiging van deze gouden en zilveren kwasten, nestels en koorden, waarmede de djamadans en andere kleedingstukken versierd worden, is een der voornaamste takken van bedrijf in de groote steden van Turkije, Servië, Bosnië, Dalmatië en Herzegowina. In de bazars van Serajewo, Belgrado, Banjaloeka, Mostar, in Albanië, en zelfs in die der meeste steden van Dalmatië, vindt men eene geheele straat, uitsluitend ingenomen door de werkplaatsen en winkels der kleermakers, die, den ganschen dag neergehurkt bij hun arbeid, deze prachtvolle sieraden vervaardigen, welke toch voor het meerendeel door armen en onvermogenden worden gedragen.

De Montenegrijn is niet zeer werkzaam van aard, en ziet met zekere minachting neder op allen handenarbeid: werkeloosheid is voor hem het teeken en het bewijs zijner persoonlijke waardigheid. Trouwens, in alle tijden en bij alle volken, was en is nog, ondanks den schijn dien men zich bij wijlen geeft van het tegendeel te willen, ontheffing van persoonlijken arbeid, met name handenarbeid, het teeken en voorrecht der aristokratie: wie met handenarbeid in zijn onderhoud moet voorzien, stond en staat nog, in de schatting aller volken en aller eeuwen, maatschappelijk lager dan hij, die, van deze verplichting ontheven, zijn vermogens en tijd op andere wijze, tot hooger doel kan besteden. In de laatste jaren zijner regeering, had Vorst Danilo, om de schadelijke gevolgen van dezen arbeidschuwen zin te keeren, eenige bekwame jongelieden naar het buitenland gezonden, ten einde daar een of ander ambacht te leeren, waarin zij dan vervolgens anderen zouden hebben kunnen onderrichten. Deze poging is mislukt; maar overigens is in menig opzicht, in den jongsten tijd, het peil der algemeene zedelijkheid zeer gerezen; overal heerscht volkomen veiligheid, en de vreemdeling kan, geheel alleen, het gansche land doortrekken, zonder vrees voor eenig gevaar.

Tot voor weinige jaren ondernamen de bewoners van het vorstendom geregeld strooptochten in Herzegowina, Bosnië en Albanië; deze razzias, tchétas genoemd, waren tot eene vaste gewoonte geworden, waarin niemand iets onbehoorlijks zag. Trouwens, wij moeten billijk zijn: het was niet enkel roofzucht of baldadigheid, die de Montenegrijnen daartoe dreef, maar zeer dikwijls de nood, in den meest letterlijken zin van het woord. Het arme, zoo weinig voor bebouwing geschikte land kon menigmaal zijn bewoners niet voeden: er schoot dan geene andere keus over, dan van honger te sterven of met het zwaard het noodige levensonderhoud te winnen. Die keus was er geene voor den krijgshaftigen Montenegrijn: spoedig was er eene gewapende schaar bijeen, en men toog naar de naburige vlakten en dalen om graan en vee te halen en met buit beladen terug te keeren, of in het gevecht met eere te vallen. Intusschen had reeds Vorst Danilo deze strooptochten afgekeurd, en ze met roof en diefstal gelijk gesteld; toch is er veel inspanning en zelfs de tusschenkomst der europeesche mogendheden noodig geweest, om aan dit schromelijk misbruik een einde te maken. Jammer slechts, dat men, uit kleingeestigen naijver, aan Montenegro onthoudt, wat het volstrekt noodig heeft om te kunnen leven en zich ontwikkelen: bouwgrond in de vlakte en een haven aan de kust.

Nog eene andere eigenaardigheid zou men gaarne voor goed uit de zeden der Montenegrijnen zien verdwijnen: de afschuwelijke gewoonte om de lijken hunner gevallen vijanden te verminken, en hun hoofd, neus of ooren af te snijden. De laatste souvereinen van Montenegro, verlichte en beschaafde mannen, die gereisd hadden en de voornaamste hoofdsteden en hoven van Europa bezocht, verheelden den afkeer niet, dien deze barbaarsche gewoonte hun inboezemde; weldra gingen zij verder: zij verboden de tentoonstelling dezer bloedige zegeteekenen, en bedreigden eindelijk ieder, die betrapt werd op het verminken van lijken of gevangenen, met de strengste straffen. Wilkinson, die in 1840 het vorstendom bezocht, zag op den toren van het klooster te Cettinjé twintig hoofden op kleine palen uitgestald. Na dien tijd spreken de verschillende reizigers, die het land bezocht hebben, nog steeds van de reputatie, die een of ander krijgsman zich kon verdienen door het afslaan van een zeker aantal hoofden; ook is het zeker, dat in de voortdurende oorlogen gedurende de laatste regeeringsjaren van Danilo en de eerste van Vorst Nikolaas, deze bloedige gewoonte nog steeds in zwang was;--maar sedert eenige jaren durft men toch niet meer op dergelijke heldenfeiten in het openbaar roem dragen.

Tijdens den jongsten opstand, en gedurende den oorlog van 1875-'76, zijn dergelijke gevallen op nieuw voorgekomen, want tusschen Turken en Montenegrijnen heerscht een doodelijke, onverzoenlijke haat, die alle barmhartigheid buitensluit; maar daar, waar de strijd het karakter aannam van een regelmatigen oorlog, onder de leiding van legerhoofden, die iets anders waren dan de aanvoerders van vrijbuitersbenden, heeft men daarentegen zoo veel mogelijk gevangenen gemaakt, die op dezelfde wijze behandeld werden als de krijgsgevangenen in Europa. In Herzegowina is van dezen regel zeer dikwijls afgeweken; en ik zelf heb, in Bosnië, aan een der turksche voorposten langs de servische grens, twee afgehouwen hoofden van rajas bij de hairen opgehangen gezien. Toen ik eene teekening van dien post met deze afzichtelijke zegeteekenen wilde maken, liep ik zelf ernstig gevaar, door de Turken mishandeld te worden; enkel omdat ik mijn album had geopend, werd ik door turksche soldaten naar de oostenrijksche grenzen gevoerd.

Een engelsch reiziger, Tozer, meent dat de bergbewoner zijn gesneuvelden vijand het hoofd afslaat, met geen ander doel dan om een zichtbaar teeken van zijne overwinning te kunnen toonen. "Maar de Turken hebben ons het voorbeeld gegeven," zeggen de Montenegrijnen; en mijne eigene ervaring heeft mij geleerd, dat overal waar Mohammedanen en Christenen op het slagveld tegenover elkander staan, in Europa zoowel als in Azië of Afrika, de eersten steeds de afschuwelijke gewoonte van het onthoofden der lijken of gewonden hebben toegepast.

De vreemdeling, die de servische taal niet verstaat, en dus, verstoken van de gelegenheid om met het huiselijk leven bekend te worden, het montenegrijnsche gebied maar in der haast doortrekt of er slechts korten tijd vertoeft, loopt groot gevaar, zich eene geheel valsche voorstelling te vormen van den toestand en den werkkring der vrouw in het vorstendom. Indien hij enkel naar den uiterlijken schijn oordeelt, zal hij kwalijk anders kunnen dan haar beklagen dat zij ooit geboren werd. En inderdaad moet het gezicht dier lange rijen van uitgeputte, afgesloofde vrouwen, die, met zware vrachten beladen, tegen de steile bergpaden op- en afklauteren, alsof zij lastdieren waren, wel bovenal doen denken aan een toestand van slavernij; terwijl ook de houding van den man tegenover haar, zijne minachting of liever volkomen onverschilligheid als hij hare tegenwoordigheid zelfs niet schijnt op te merken, een duidelijk bewijs is voor hare ondergeschikte maatschappelijke stelling. Maar wie niet aan deze uiterlijke teekenen blijft hangen, en inlichtingen vraagt bij de meer verlichte en beschaafde Serviërs, die met den werkelijken toestand goed bekend zijn, zal al spoedig ontwaren, dat de montenegrijnsche vrouw, in den schoot der familie, velerlei vergoeding vindt voor de haar opgelegde taak, die zeker zwaar is, maar toch haar zelve lang zoo zwaar niet valt, als wij, in gansch andere omgeving en geheel anderen kring van denkbeelden opgevoed, dit wel meenen.

Het is niet tegen te spreken, dat de geboorte van eene dochter door het gezin als een ongeluk, of minstens als eene groote teleurstelling wordt beschouwd; men heeft daar, niet zeer lang geleden, nog een merkwaardig voorbeeld van kunnen zien. De Vorst telt onder zijn zeven kinderen maar één zoon; en toen de keizer van Rusland, bij gelegenheid dat de bevalling der Vorstin werd tegemoet gezien, had beloofd peter te zullen zijn van het verwachte kind, werd de adjudant van den Tsaar door het volk vrij koel ontvangen, omdat het jonggeboren kind, tot groote spijt van het publiek, een meisje was.

De geboorte van een jongen verwekt daarentegen de grootste vreugde, die zich op allerlei wijze openbaart: geweerschoten weerschallen door het gebergte; al de buren worden uitgenoodigd tot het feestmaal; overal heerscht opgewekte vroolijkheid, en ieder spreekt de beste wenschen uit: zeer karakteristiek is daaronder zeker de wensch, die den jonggeboren knaap wordt toegebracht, dat hij niet in zijn bed moge sterven. Is er daarentegen eene dochter geboren, dan treedt de vader op den drempel zijner woning, en vraagt, met neergeslagen oogen, verschooning aan zijn vrienden en geburen; hij verontschuldigt zich, hij durft bijna niet bekennen wat er gebeurd is, maar ieder bespeurt het aan zijne blijkbare teleurstelling. Geschiedt het eenige malen achtereen dat de echtgenoote, in plaats van den vurig verlangden erfgenaam en aanstaanden soldaat, haren man slechts dochters schenkt, dan moet zij, volgens eene oude volksoverlevering, zeven priesters tot zich roepen, die gewijde olie door het huis sprenkelen, en den drempel wegnemen van de deur der woning, die op den bruiloftsdag betooverd werd.

Het jonge meisje wordt in huis opgevoed, waarbij zeker van geenerlei vertroeteling sprake kan zijn; maar dit neemt niet weg, dat ook het dochtertje deelt in al de zegeningen der moederzorg en moederlijke tederheid--en de slavische vrouwen zijn zorgvolle en tedere moeders bij uitnemendheid. Zoo lang zij zelve niet gehuwd en moeder van een gezin is, moet het montenegrijnsche meisje al het huiswerk, ook het zwaarste en ruwste, verrichten en deelen in al de ontberingen en ongemakken van dit aartsvaderlijke, harde leven. Dagelijks moet zij, aan de dikwijls hoog in het gebergte gelegen bron, het watervat gaan vullen; voorts moet zij in het bosch, of langs de hellingen en in de kloven der rotsen, hout gaan kappen; eindelijk moet zij het maal gereedmaken voor haren heer en meester, die in de zon zit te rooken, wandelt of ter jacht gaat. Behalve deze huishoudelijke bezigheden, breit zij kousen en vervaardigt warme kleedingstukken voor den winter; zij spint en borduurt ook, maar haar borduursels zijn veel minder fraai dan die der dalmatische vrouwen. De jonge meisjes zijn hier niet, als bij ons, het voorwerp van allerlei attenties en beleefde hulde; niemand denkt er aan, haar het hof te maken. De natuurlijke aantrekking tusschen de beide geslachten bestaat hier--het behoeft niet gezegd--zoo goed als elders; maar die zekere aangeboren koketterie, die maakt dat iedere vrouw zich in haar hart gevleid en gestreeld voelt door de hulde welke een man haar bewijst,--ook al meent zij zich voorzichtiglijk daaraan te moeten onttrekken--deze kent de montenegrijnsche vrouw eigenlijk niet. Even als zij zich niet vernederd gevoelt door den toestand van dienstbaarheid, waarin zij verkeert, zoo schijnt zij zich ook niet te verhoovaardigen op de bewondering, die haar somwijlen bewezen wordt; zelfs kwam het mij meermalen voor, dat de schoonste vrouwen zekeren angst en beklemming gevoelden, als een vreemdeling, door hare schoonheid getroffen, zijn oogen op haar gelaat vestigde. De montenegrijnsche vrouw erkent geene andere liefde, dan die door het huwelijk gewettigd en geheiligd wordt; zoo de verleider ongezind mocht zijn, het gepleegde misdrijf weder goed te maken, zou hij zijn vergrijp zwaar, misschien wel met het leven, boeten. Trouwens, zulke gevallen zijn hoogst zeldzaam; de vrouwen worden alom ontzien; ge zult ze overal, op de eenzaamste plaatsen, in de bosschen, op de bergen, alleen ontmoeten, en niemand denkt er aan, hoe jong en weerloos ze ook mogen zijn, haar eenige beleediging aan te doen. En toch treft men onder de montenegrijnsche meisjes typen aan van uitnemende schoonheid: slanke, heerlijk gevormde gestalten, fijn besneden zachte gelaatstrekken, met dien onuitsprekelijk bekoorlijken mat-bleeken tint der oostersche vrouwen, waaraan de groote donkere oogen, door lange zwarte wimpers overschaduwd, eene zoo wondervolle uitdrukking bijzetten.