De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 66
Dicht bij de kerk stond de papas (pastoor), een grijsaard met langen, witten baard; op zijn stok geleund, zag hij den dans aan, in gezelschap van eenige bejaarde landlieden. Moeilijk zou men zich een vroolijker en levendiger tooneel kunnen denken, dan die lange rij van witte tunika's, rood zijden gordels en voorschoten, van fustanellen en borduursels en galons, heen en weder golvende op het geluid der schelle fluit, en het dof gegons van den tamboerijn; den achtergrond dezer prachtvolle schilderij vormden de donkere bosschen, de dicht begroeide heuvelen en de naakte, kantige, hier en daar met pijnboomen beplante hellingen van den berg Kandili. Overal, op het ruime plein, vormden zich nieuwe groepen tot den dans; de vreugde werd algemeen, en waren wij niet gedwongen geweest met onzen tijd te woekeren, voorzeker zouden wij ons langer hier hebben opgehouden om getuigen te zijn van dit volksfeest, dat een zoo echt nationaal karakter vertoonde. Maar wij moesten voort, en terwijl de dans nog in vollen gang was, draafden wij de steile hellingen op, die zich ten noorden van Hagia-Anna verheffen.
Het landschap was hetzelfde als in den omtrek van Achmed-Aga; wij trokken door een uitgestrekt en prachtig woud, waarin eiken en dennen trotsch oprezen boven dicht struikgewas en eene menigte andere boomen. Overal zagen wij granaatboomen, met hunne bruinroode vruchten en donkergroene bladeren, myrthen met hun schitterend gebladerte, haagdoorns met scharlakenroode vruchten bedekt. Woeste ravijnen, waarin machtige rotsblokken op de grilligste wijze waren opeengestapeld, openden zich langs de hellingen der bergen; nu en dan mochten wij een blik werpen in stille geheimzinnige valleien, wegschuilende in den lommer van breede platanen en eeuwenheugende eiken, terwijl in de schemerende verte, door de saamgestrengelde takken en de slanke stammen der dennen heen, de blauwe zee ons tegenblonk. Hoe hooger wij komen, des te ernstiger en grootscher wordt de natuur om ons heen. Eindelijk, na eene smalle vallei te zijn doorgegaan, waar tallooze watervalletjes de lucht met muziek vervullen, komen wij aan den pas, van waar wij tegelijk de Egeïsche zee, de straat van Negroponte en de golf van Volo, die ten noordwesten diep landwaarts indringt, overzien.
Dergelijke panorama's ontmoet men schier bij elken voetstap in Griekenland, maar men wordt niet moede ze telkens weder te aanschouwen; ongelukkig kan geene beschrijving de schoonheid, de bekoorlijkheid en de verscheidenheid dezer vergezichten wedergeven. Ter linkerhand strekte zich de kast van Lokris en Beotië uit, beheerscht door de trotsche bergketen van den Parnassus, den Kitheron en den Olympus. De voorgebergten, half in een zilveren, doorschijnenden nevel gehuld, verrezen achter en nevens elkander, helder afstekende tegen de effen oppervlakte der zee, glad en glinsterend als een metalen spiegel. Hier en daar vertoonden zich enkele witte stippen: de zeilen van zacht glijdende vaartuigen. Vóór ons, half in de wolken verloren, zien wij de gescheurde en getande toppen van den Othrys, den Ossa en den Pelion; meer van nabij verhief zich de Olta, waar, volgens de legende, Herakles den brandstapel beklom; daar beneden, tusschen moerassen verscholen, zag men de bergengte van Thermopylae. Ten noorden teekende zich de gansche groep der eilanden boven Eubea, scherp en duidelijk, op de onafzienbaar wijde zee. Verre weg, aan den horizon, vertoonde zich in den nevel een grijze stip met witte punt, iets als een zwevende wolk, verloren in de onmetelijke ruimte: dit was de thessalische Olympus, de verblijfplaats der goden. Welke herinneringen en beelden, deels aan de poëzie, deels aan de historie ontleend, verdrongen zich hier in onzen geest! Maar de brandende, blakerende zonnehitte maakte ons een lang vertoeven op deze plek onmogelijk, en wij vervolgden weldra onze reis.
Nog altijd was het woud even prachtig, en vormde de zee met hare eilanden de wonderschoone omlijsting van de heerlijke schilderij, allengs door het ter kimme neigende licht met nieuwe kleuren en tinten getooid. Ter linkerhand verhieven zich trotsche, soms dreigend overhangende rotswanden; onder de hooge boomen was het fluweelen grastapeet bezaaid met tallooze witte, gele en blauwe bloempjes, door de natuur met kwistige hand tusschen het zacht groene mos gespreid. De lucht was zuiver en geheel doortrokken van balsemrijke geuren; op de takken en tusschen het gebladerte zongen en tjilpten honderden vogels; maar boven die allen klonk de zuivere, welluidende zang van den nachtegaal, die ons den ganschen dag door op onzen tocht vergezelde.
Na eenige oogenblikken gerust te hebben aan een kleine, onder de platanen verscholen kani, waar wij een kop koffie gebruikten, begonnen wij snel te dalen. Gaandeweg werd het bosch dunner; de groote boomen maakten plaats voor kreupelhout en struikgewas; de bergen slonken tot heuvelen; het gansche landschap scheen ons in hooge mate eentonig en naargeestig. Misschien droeg de vermoeidheid na een zoo langen tocht daar ook wel het hare toe bij. Wij trokken over dit heuvelachtig, golvend terrein, onophoudelijk rijzende en dalende, zonder een spoor van menschelijke woning of bebouwing te ontdekken, zonder eenig levend wezen te zien, dan nu en dan een kolenbrander, die ons alles behalve vriendelijk aanzag,--en telkens van den schier onkenbaren weg afdwalende. De zon haastte ten ondergang; en zoo wij door de duisternis werden overvallen, eer wij de vlakte van Oreos hadden bereikt, dan zouden wij genoodzaakt zijn, in het bosch te overnachten of misschien in het armzalige gehucht Kastaniotissa, waarvan wij de ellendige hutten ter linkerhand bespeuren. Onze paarden en lastdieren waren uitgeput van vermoeienis, en ook de agoyaten waren alles behalve in hun schik over eene zoo lange dagreis.
Eindelijk bereikten wij eene laatste hoogte, van waar wij de vlakte en de zee konden overzien. Het was tijd, want de zon was reeds achter de bergen van het vasteland verdwenen, en wij konden den hobbeligen weg, waarop onze paarden telkens struikelden, bijna niet meer onderscheiden. Wij reden langs bebouwde velden, en bij de laatste schemering ontdekten wij de rots van de akropolis van Oreos en de masten der vaartuigen, die boven de daken der huizen van het dorp uitstaken. Wij hadden welhaast bijna twee uren noodig om het strand te bereiken, waarlangs zich eene rij nieuw gebouwde huizen met pannen daken verheft. Sommige dezer woningen hebben twee verdiepingen, waarvan de onderste tot winkel is ingericht. Een twintigtal groote kaïken lagen bij een houten steiger gemeerd, en in de voornaamste straat heerschte vrij veel drukte, vooral bij de nog open herbergen. De grieksche paketboot, die, op haar reis van Athene naar Volo, zes maal per maand Oreos aandoet, was juist dien dag aangekomen; de nieuwstijdingen uit de hoofdstad leverden dus overvloedige stof voor gesprek aan de politici in de koffiehuizen.
Wij stijgen af voor een net en zindelijk huis, toebehoorend aan een rijzigen, krachtig gebouwden Hydrioot, die zich, na den achteruitgang zijner vaderstad, hier had nedergezet. Hij had dit huis gebouwd, en dreef nu een zeer voordeeligen commissiehandel. Een groot aantal Hydrioten hebben zich, even als hij, op Eubea gevestigd, waar zij zich zeer gunstig onderscheiden door hun arbeidzaamheid, hun geest van orde, hun gezond verstand en eenvoudigheid; voor het meerendeel doen zij goede zaken, en men vindt onder hen lieden van zeer aanzienlijk vermogen.
Onze gastheer bracht ons naar den eenvoudigen, maar comfortablen salon. Langs de wanden prijkten de portretten der helden van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog: Zaïmis, in zijn lang turksch gewaad, Mauromichalis met zijn donker dreigend uitzicht, Kolokotronis met zijne lange hairen en dien wonderlijken helm, dien hij bij voorkeur droeg. Boven eene mahoniehouten tafeltje hing eene afbeelding van de beroemde brik van den Hydrioot Tombazis, wiens schitterende wapenfeiten in de herinnering van alle Hellenen voortleven; en tusschen de twee ramen zag men een schilderij in olieverf: het portret van den heer des huizes, stijf en houterig als een byzantijnsche heilige, met strak starende oogen, en met een geopenden wissel in de hand. Dat is wel inderdaad de type van den griekschen eilandbewoner: tegelijkertijd held en makelaar, soldaat en schacheraar, bereid zijn bloed te storten en vlammende op eene kleine winst, koopvaardijkapitein en boekhouder, nog heden evenzeer gereed om kaviaar te verkoopen of zich met een ten ondergang bestemden brander tusschen de vijandelijke schepen te wagen;--een wonderlijk mengelmoes van onverschrokkenheid en list, van vermetele dapperheid en berekenend overleg, van ridderlijke toewijding en koopmans egoïsme.
Tien minuten ten zuiden van het dorp verrijst de akropolis, eene groote, alleenstaande, rechthoekige rots, zooals er zoo velen in Griekenland te vinden zijn, en langs welker randen nog overblijfselen van muren te zien zijn. Wij hadden een kwartier noodig om langs een smal en uitermate steil pad, meer voor geiten dan voor menschen geschikt, naar boven te klauteren. Even als in al die oude vestingen, vinden wij hier een soort van omwalling, waarbij materialen uit de meest verschillende tijdperken zijn gebruikt. De onderste lagen bestaan uit groote onregelmatige steenblokken, blijkbaar uit overouden tijd afkomstig; daarop volgen de zuiver gehouwen en fijn bewerkte steenen van het helleensche tijdperk, de kleinere bouwsteenen der Romeinen, het half uit steen, half uit baksteen bestaande metselwerk der Franken, en eindelijk de vierkante kanteelen der Turken. Ten noorden en ten westen ziet men overblijfselen van torens. In een hoek, onder doornig struikgewas, vinden wij twee ijzeren kogels, en een marmeren tulband, die eenmaal tot een turksch graf heeft behoord.
Onze blik overzag de baai van Artemisium, beroemd door de nederlaag der vloot van Xerxes, en voorts de vlakte, met akkers en plantages bedekt; nergens bruggen, en zeer weinig boomen, behalve moerbeziën en hier en daar eenige wilde olijven. Een aantal landlieden, mannen en vrouwen, waren aan den veldarbeid, en hunne witte wollen kleederen kwamen sprekend uit tegen het tedere groen der katoenplantages. Anderen bereidden de akkers, waarin het wintergraan moest worden gezaaid: met de eene hand bestuurden zij hun aartsvaderlijken ploeg, in de andere hielden zij eene lange lans, waarmede zij de twee zwarte thessalische buffels voortdreven en bestuurden.
Deze geheele streek komt mij voor zeer vruchtbaar en welvarend te zijn; naar men zegt, levert dit deel des eilands de belangrijkste inkomsten voor den staat op, hoofdzakelijk voortvloeiende uit de tienden van den graanoogst. Onze Hydrioot beweerde niettemin dat de landbouw, zoowel hier als in alle verwijderde provinciën, in verval verkeerde, en hij gaf ons, bij die gelegenheid, eene niet zeer vleiende karakterschets van de magistraatspersonen ten beste, wier minste gebreken, volgens hem, hunne onbekwaamheid en onwetendheid waren.
De eparch, het gerechtshof en eenige andere collegiën en besturen zijn te Xerochori gevestigd, eene kleine stad van tweeduizend zeshonderd inwoners, in de vlakte gelegen, twee uren meer oostwaarts, en met Oreos verbonden door een weg, die met eenigen goeden wil voor rijtuigen bruikbaar mag worden genoemd: want twee of drie half ontwrichte, vuile, stoffige berlines, door drie magere paarden getrokken, rijden dagelijks eenmaal tusschen de beide stadjes heen en weder.
(Wordt vervolgd.)
Montenegro.
(Vervolg van bladz. 280).
VI.
De geheele oppervlakte van het vorstendom bedraagt vierduizend-vierhonderd-zeven-en-twintig vierkante mijlen; het getal inwoners beloopt, volgens opgave van den Vorst zelven, in zijn brief aan den groot-vizier, van April 1877, honderd-drie-en-negentigduizend-drie-honderd-negen-en-twintig zielen. Het vorstendom, in twee groote deelen, het eigenlijke Montenegro en de Berda, gesplitst, bevat acht provincies of nahye. Vier daarvan, Katounska, Tzernitza, Rjetchka, Ljechanska, behooren tot het eigenlijke Tzernagora of Montenegro; de vier andere, tot de Berda behoorende, zijn Bjelopavitzka, Piperska, Moratcha, en Vasojevici. De nahye zijn, voor de administratie, weder verdeeld in plemenas, die met onze kantons overeenkomen; de plemenas bestaan uit dorpen, die soms niet meer zijn dan eene verzameling van enkele armoedige hutten.
Wij zijn aan de zuidwestzijde, door de provincie Katounska, het land binnengetrokken: deze provincie is eene der belangrijkste, want binnen hare grenzen liggen de hoofdstad Cettinjé en Njégosch, de bakermat van de regeerende familie. Maar zoo de reiziger deze provincie tot maatstaf nam, om zich een oordeel over het geheele land te vormen, zou hij zich zeer vergissen: want deze streek is de dorste en meest misdeelde van allen, en het wordt iemand waarlijk bang te moede, als hij denkt aan het lot van een volk, dat zijn levensonderhoud aan eene zoo onbarmhartige natuur ontwringen moet. De vlakte van Grahovo, waar de Turken in 1858 verslagen werden, behoort ook tot deze bergachtige provincie. In het westelijk gedeelte, naar de grenzen van Herzegowina, vindt men enkele vlakten, en het plateau van Njégosch toont hier en daar sporen van bebouwing.
De Rjetchka-Nahia ligt tusschen de vlakte van Cettinjé en het meer van Skutari, op anderhalf uur afstands van de hoofdstad; het klimaat is hier zeer zacht; het land is veel minder woest en dor dan in Katounska: de wijnstok en granaatboom bloeien hier. De provincie ontleent haar naam, die stroom beteekent, aan de beek, die op drie mijlen afstands van Rjeka, in het meer van Skutari valt. De streek in de onmiddellijke nabijheid van het meer is laag en moerassig; daar heerschen veelvuldige koortsen.
De Tzernitza-Nahia ligt ingesloten tusschen het meer van Skutari en de oostenrijksche grens; deze provincie is de rijkste en best bebouwde; haar klimaat komt overeen met dat van Italië; zij levert een overvloed van saprijke en smakelijke vruchten.
De Ljechanska-Nahia loopt van de punt van het meer van Skutari naar de grenzen van Herzegowina. Deze streek is bij uitnemendheid woest en verlaten; de wijd verspreide dorpen verschuilen zich zooveel mogelijk voor de blikken der reizigers; de veeteelt is de eenige bron van bestaan, en overal vindt men de sporen van armoede en ontbering. Nevens de rotsen van Cattaro, is dit het wildste en ongenaakbaarste deel des lands, een chaos van naakte, steile rotsen.
Bjelopavitzka ligt tusschen Niksich en Podgoritza; de hoofdplaats is Danilograd, tusschen Albanië en Herzegowina. Deze provincie is zeer vruchtbaar, met bosschen bedekt, rijk aan stroomende wateren en aan schoone natuurtafreelen, die aan Zwitserland doen denken. Dit is het oude Zeta, waaraan de voormalige hertogen, vazallen van Servië, hun titel ontleenden. In den omtrek van Danilograd heeft men pogingen aangewend om den grond te verbeteren; de regeering heeft over de Rjeka-Zeta een houten brug doen bouwen, die ruim tweehonderd el lang is. De vlakte is uitnemend geschikt voor bebouwing; maar in het belang der verdediging houdt men de bosschen en het dichte kreupelhout in stand, die een natuurlijk bolwerk vormen zoowel naar de zijde van Niksich als naar die van Spouz. Dit is het smalste gedeelte van het vorstendom: een turksch legerkorps, dat van Niksich in Herzegowina uitging, zou, met een stouten marsch, de hand kunnen reiken aan een ander korps, van Spouz in Albanië vertrokken. Nog in 1862 was daarop de taktiek der Turken gericht; het is dus niet zonder reden, dat men, met veronachtzaming der belangen van den landbouw, de dichte bosschen in stand houdt, die van zoo groote beteekenis zijn voor de verdediging.
Te Orza-Louka, in deze nahia Bjelopavitzka, bezit Vorst Nikolaas eene kleine villa, waar hij in den zomer eenigen tijd doorbrengt; en te Ostrog, in deze zelfde provincie, staat het beroemdste klooster van het geheele land. Tegen een steilen rotswand geleund, waarboven de berg trotsch oprijst, is een der kapellen in de rots zelve uitgehouwen. Dit klooster is eene druk bezochte bedevaartsplaats voor de Serviërs, die van alle zijden naar herwaarts komen om te bidden op het graf van den Vladika Basilius, beurtelings monnik en krijgsman, die in strenge afzondering in zijne kluis leefde, welke hij van tijd tot tijd verliet, om de montenegrijnsche scharen ten strijde te voeren tegen de Turken.
De Piperi of bewoners van de Piperska-Nahia zijn langs de oevers der Moratcha gevestigd; zij zijn herders, en hebben door de onbillijke grensregeling van 1858 een deel hunner voormalige weilanden verloren; hun land is zeer bergachtig, en de bevolking leeft in de uiterste armoede.
Aan alle zijden is Montenegro als door een ijzeren muur ingesloten: de naaste, direkte uitweg naar de Adriatische-zee, Cattaro, is in handen van Oostenrijk, dat niet altijd gunstig gezind is jegens het vorstendom, en dat naar goedvinden dien eenigen weg, waardoor Montenegro met het overige Europa gemeenschap kan oefenen, opent of sluit. Bovendien heeft de natuur tusschen de golf van Cattaro en het vorstendom dien bijna ontoegankelijken wal van rotsen opgeworpen, dien wij, van Cattaro komende, hebben moeten beklimmen. Men moet deze omstandigheid wel in het oog houden, als men den toestand, waarin Montenegro verkeert, juist wil beoordeelen. Voor zijn handel, voor den uitvoer zijner voortbrengselen, heeft het geen anderen uitweg dan Cattaro, dat bijna niet te genaken is, ondanks den kunstweg, dien men met inspanning van alle krachten tracht te banen; en willen de Montenegrijnen over het turksche gebied bij Skutari de Adriatische-zee bereiken, dan zijn zij overgeleverd aan de genade van hun trouweloozen erfvijand. Zulk een toestand zou nog eenigszins dragelijk kunnen zijn voor een van nature vruchtbaar land; men zou dan ijverig den grond bebouwen, daardoor in zijne eigene behoeften voorzien, en het overschietende, zoo goed en zoo kwaad als het ging, naar Cattaro voeren, om ruilhandel te drijven;--maar iedereen weet dat Montenegro volstrekt geen vruchtbaar land is. Wel beweeren sommigen, dat, ondanks de armoede van den grond, het vorstendom, over het geheel genomen, in de behoeften zijner inwoners kan voorzien; maar dit beweeren wordt door anderen tegengesproken, en zeker is het, dat zoo de maïs en de aardappelen mislukken, het volk onfeilbaar aan gebrek ten prooi is. Vandaar de telkens herhaalde aandrang om het bezit eener haven aan de Adriatische-zee, voor Montenegro in vollen nadruk eene levensvraag. Reeds vroeger was er sprake van den afstand van de kleine turksche haven van Spitza, boven Antivari, en ook van de kanalisatie van de Bojana, een stroompje, dat het meer van Skutari met de Adriatische-zee verbindt. Maar de onbeschrijfelijk kleingeestige, cyniek-zelfzuchtige politiek van Engeland, ten deze door Oostenrijk gesteund, heeft deze pogingen om aan het meest billijke verlangen te voldoen, steeds weten te verijdelen. Natuurlijk dat de Porte, wetende dat zij op den steun dier beide mogendheden rekenen kan, telkens als er sprake van was, den afstand van grondgebied en het verschaffen van een uitweg naar de zee, weigerde. En Europa berustte langmoedig in die weigering. Zal de tegenwoordige oorlog, waarin de Montenegrijnen weder nieuwe lauweren gewonnen hebben, hun eindelijk recht doen wedervaren?
De Moratcha-Nahia ontleent haar naam aan het rivierke, dat haar besproeit. Deze provincie ligt tusschen Bosnië en Herzegowina; haar bewoners vertoonen den montenegrijnschen type in al zijne zuiverheid en kenmerkende eigenaardigheid. Zij zijn met vurige liefde aan hun land gehecht, trouw aan hun Vorst, zeer gesteld op hunne voorvaderlijke zeden en traditiën, dapper en eerlijk, en de oude servische gastvrijheid nog in eere houdende. Zij leven van de opbrengst hunner kudden, en houden zich niet met landbouw bezig; met hunne schapen trekken zij van de eene weide naar de andere, en voorzien alzoo in hunne behoeften, die zeer weinigen zijn. Naar men zegt, leven hier in den mond des volks nog de oude zangen, waarin de geheele geschiedenis des lands is nedergelegd.--Nabij de bronnen van de Moratcha verheft zich het klooster van gelijken naam, naar de overlevering wil, gesticht door Douchan, den beroemden Koning van Servië. Men toont u daar nog een buffelhoorn, die in de dagen van dezen koning bij de heilige communie werd gebruikt, en eene menigte nog geheel ongeschonden graven, waaruit blijkt dat het heiligdom tot dusver aan de vernielende handen der Turken ontsnapte.
De Vasojevici, door Bosnië en Albanië begrensd, hebben dezelfde natuur als Moratcha en zijn, evenals deze provincie, rijk aan prachtige wouden, die niet geëxploiteerd worden. Het land vertoont hier hetzelfde karakter als het naburige Albanië, vanwaar de Venetianen het noodige hout haalden voor hunne galeien en de behoeften van hun tuighuis en werven.
Verreweg de meeste reizigers, die Montenegro bezoeken, beginnen hun tocht te Cattaro, trekken over de bergen naar Cettinjé, begeven zich vandaar naar Rjeka, en zakken vervolgens de Moratcha af naar het meer van Skutari, waar zij zich inschepen op groote sloepen, loudras genaamd, die met twaalf roeiers zijn bemand, om eindelijk te Antivari weder aan boord van eene of andere stoomboot te gaan. Op die wijze trekken zij het land door van de dalmatische grens tot de grenzen van Albanië. Om de meer binnenwaarts gelegen provinciën te bereizen, moet men eene karavaan organiseeren, en zulk eene reis blijft toch altijd een min of meer avontuurlijke tocht, die zeer veel tijd vordert uithoofde van den ongeloofelijk slechten staat der wegen. Men moet te Cettinjé gidsen nemen, de noodige levensmiddelen medevoeren, zich van paarden of muilezels voorzien, en wel zorgen dat men het geschikte jaargetijde kiest. Is men van goede aanbevelingsbrieven of officieele dokumenten voorzien, dan geeft de Vorst een of twee krijgslieden zijner lijfwacht mede, die tot gewapend geleide dienen. Met uitzondering van de geneesheeren, die in het land verblijf hebben gehouden, van de ingenieurs en de sekretarissen van den Vorst, zijn er maar zeer weinig reizigers, die al de verschillende provinciën van het vorstendom hebben bezocht; maar wie zich tot een bezoek aan Cettinjé bepaalt, krijgt van het land een zeer onvolkomen en daarbij zeer ongunstigen indruk; wie zich van Montenegro een eenigszins juist denkbeeld wil vormen, moet minstens tot aan het meer gaan. De tocht echter over de bergen naar Rjeka is misschien even bezwaarlijk, als die van Cattaro naar Cettinjé. De reis duurt niet langer dan vijf uren, maar de weg stijgt voortdurend tot Granitza, van waar men een prachtig uitzicht heeft. Vóór zich ziet de reiziger de vallei van de Rjeka; de schitterende, onafzienbare watervlakte van het meer met de citadel van Zabljak, den ouden zetel der Vorsten van Zeta, eer zij hunne residentie naar Cettinjé hadden verlegd; voorts de turksche eilanden Vranina, Monastir en Lesendria; de bergen van Albanië en het land der Mirditen.--Voorbij Granitza begint de weg te dalen, en wordt de tocht hoogst bezwaarlijk; de paarden glijden bij iederen voetstap uit, en de bij uitnemendheid woeste omgeving draagt er niet toe bij, om de ongemakken en gevaren van de reis te doen vergeten.
VII.
Montenegro bezit noch ruïnen, noch gedenkteekenen; men treft er nauwelijks enkele sporen van vroegere tijden aan: maar de bewoners des lands mogen op onze volle belangstelling aanspraak maken, en in deze schier ontoegankelijke bergen vindt men nog in al hare zuiverheid en ruwheid de zeden van lang vervlogen eeuwen terug.