De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 64

Chapter 64 3,379 words Public domain Markdown

Gindsche oude boer, zwijgend neergehurkt, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, zou hij geen bulgaarsch bloed in de aderen hebben? Zijn vierkant gelaat met uitstekende wangbeenderen, zijn breede onderkaak, zijn kleine grijze oogen, zijne korte gedrongen gestalte, alles aan hem kenmerkt den man, die zich meer toelegt op de werken des vredes, dan op krijgsavonturen, den man van eene meer apathische en lijdelijke natuur, maar die het in kalmte, bezadigdheid en volharding van den anderen wint. Hij draagt geen fustanella, maar een wijden turkschen broek van grove bruine wollen stof; voorts een bruin, met blauw afgezet vest, zoo als de Bulgaren langs de boorden der Maritza, en een mantel van dezelfde kleur.

Die twee zoo sterk sprekende en zoo zeer uiteenloopende typen vindt ge overal in noordelijk Griekenland terug. Vooral den eersten treft ge veelvuldig aan. Maar daarbij ontmoet ge soms enkele bijzonderheden, die van den algemeenen type afwijken en misschien de sporen zijn van nog andere stammen, die op verschillende tijden den helleenschen bodem hebben overstroomd. Dat zachte blauwe oog daar ginds, dat bleeke gelaat, door blonde lokken omgeven,--herinneren zij niet aan het Noorden, aan gothisch of frankisch bloed? Eeuwen lang, reeds in overoude tijden, hebben in dezen uithoek van Europa zeer verschillende rassen en stammen elkander ontmoet en gekruist. In het museum Varsaki te Athene ziet men eene collectie van veertig of vijftig marmeren borstbeelden, naar men zegt de authentieke portretten der "rectoren van de Universiteit," ten tijde van Perikles. Bij de intrede in de zaal, wordt ge dadelijk getroffen door de eigenaardigheid en het groote onderscheid tusschen deze koppen; ge hebt moeite aan de echtheid te gelooven, maar het werk zelf en de opschriften op de voetstukken schijnen die toch boven allen twijfel te verheffen. Ge ziet daar zuiver barbaarsche typen: kroeshair, uitstekende wangbeenderen, platte neuzen, of cilindervormige schedels, kaken als bij de Hunnen, voorhoofden als bij de Gothen. Drie of vier dezer busten gelijken sprekend op de figuren van gebakken aarde, die in de etrurische graven worden gevonden. Nauwelijks twee of drie vertoonen iets van den klassieken stempel der antieke beeldhouwkunst. Maar bespreking van deze ingewikkelde kwestie zou ons te ver leiden; keeren wij naar het feest terug.

Overal heerschte de grootste drukte, de meest luidruchtige vroolijkheid; en de verscheidenheid der kleederdrachten schonk aan het geheel iets bijzonder schilderachtigs. Onder de vrouwen waren er maar weinigen, die aanspraak mochten maken op schoonheid, en zeker geene enkele, die den lof verdiende door Anakreon en vele anderen na hem aan de vrouwen van Beotië toegezwaaid. Bijna allen die wij hier zien, zijn Albaneeschen, zelfs die van Vilia en de andere dorpen van den Kitheron. Zij behooren allen tot de arme klassen, en vertoonen in haar schralen lichaamsbouw en grove gelaatstrekken eene ruwheid, die zeker veel verschilt van de volle en slanke gestalte en de fijne regelmatige trekken der vrouwen van het antieke Beotië.

Talrijke groepen bewegen zich voortdurend langs de helling van een heuvel, op welks top eene oude kerk verrijst. Wij gaan ook derwaarts, en bevinden ons weldra aan den ingang van het kerkhof, voor het aan Sint-Lukas gewijde heiligdom, dat, naar men zegt, op de plek staat, waar vroeger de tempel van Apollo Ismenios verrees. Het inwendige is bijna opgevuld met brokstukken van smakeloos beeldhouwwerk en met bouwmaterialen, die reeds voor vele jaren werden aangevoerd voor herstellingen, die men sedert weer heeft opgegeven. Er is volstrekt niets te zien, dan eenige ruw bewerkte zuilen. Ter wederzijde van het altaar staan twee wit marmeren sarkophagen, met mos overgroeid, en versierd met opschriften uit later tijd en met ruw bewerkte kronen van bladeren. Een dezer sarkophagen zou, volgens het volksgeloof, de tombe van Sint-Lukas zelven zijn; de vrome bedevaartgangers beijveren zich eenige scherfjes van het marmer mede te nemen, als voorbehoedmiddel tegen de koorts: door dit voortdurend afkrabben zijn er in deze sarkophaag twee breede groeven ontstaan.

Van het kerkhof heeft men een zeer fraai uitzicht. Aan den voet des heuvels strekt zich eene kleine vallei uit, waardoor een beek stroomt, die de Ismenus moet zijn; verder de stad Thebe, gebouwd op de plek waar het oude Kadmea stond: een soort van voorgebergte of schiereiland, aan alle zijden door steile, diepe ravijnen omgeven, behalve aan de zuidzijde, waar een smalle landtong de verbinding vormt met de naburige plateaux. Ter rechterzijde verheft zich een zware frankische toren boven de steile helling, die naar de vlakte van den Asopus afdaalt; links, nabij de Atheensche poort, teekenen zich de bogen eener waterleiding af tegen den neveligen achtergrond der bergen. Door de Turken aangelegd en zorgvuldig onderhouden, om het voor de baden en reinigingen noodige water naar de stad te voeren, vervalt deze waterleiding thans meer en meer door de slordigheid en zorgeloosheid der Grieken, die veel minder dan de muzelmannen op water gesteld zijn. Aan gene zijde der stad en den gordel van tuinen, die haar omringt, begint de woestijn: eene groote, eentonige, bruine vlakte, omzoomd door een prachtige bergketen: den Helikon, vroeger met bosschen bedekt en rijk aan stroomende wateren, nu naakt en droog, maar altijd schoon door zijn vorm; de rots van den Sphinx, als door een reuzenzwaard gespleten, en den met sneeuw bedekten Parnassus.

Thebe is beroemd om zijn moestuinen en kweekerijen, die met zeer veel zorg onderhouden worden en allerlei groenten en vruchten opleveren, onder anderen heerlijke meloenen, die kunnen wedijveren met de beroemde meloenen van Kasaba in de provincie van Smyrna. Het frissche groen dezer tuinen en boomgaarden, waardoor zich kleine beken slingeren, is eene verkwikking voor het oog. Nergens ziet men hier het grijze en sombere gebladerte van den olijfboom, die tegen de vrij koude winters van Beotië niet bestand is; maar de paden tusschen de tuinen zijn omzoomd door moerbeziën-, vijgen- en granaatboomen en myrthen.

Aan de overzijde van het diepe ravijn, dat ons van de stad scheidt, ziet men hier en daar eenige brokstukken van oude muren, die waarschijnlijk de plaats aanwijzen der omwalling van het antieke Kadmea; zij dienen tot fondamenten voor de huizen der tegenwoordige stad.--Iets verder staat een vierkante toren, het eenige overblijfsel van het voormalige frankische paleis. Die toren draagt den naam van den toren van San-Omeri, ter herinnering aan Nicolas de Saint-Omer, fransch ridder.

Toen wij de woning van onzen gastheer weer binnentraden om te ontbijten, kwam Perikles ons, met blijkbare verlegenheid, mededeelen, dat de agoyaten (verhuurders van paarden) geweigerd hadden te vertrekken, en dat het onmogelijk zou zijn, een enkelen Griek te bewegen, op dezen feestdag Thebe te verlaten. Het kwam ons voor, dat Perikles zelf grooten lust had om ook hier te blijven; en daar wij ons verzekerd konden houden dat wij, ingeval wij de agoyaten hadden gedwongen te vertrekken, onder weg allerlei moeilijkheden met hen hebben zouden, besloten wij in vredesnaam te blijven.--Er valt te Thebe weinig te zien. Slechts hier en daar vindt men nog brokstukken van zuilen, gebroken kapiteelen, fragmenten van kroonlijsten, maar zeer weinig beeldhouwwerk, en niets van eenig belang. Daarentegen vindt men opschriften in menigte, zoodra men slechts eenigszins in den grond graaft; maar zij zijn allen uit den romeinschen tijd en behelzen doorgaans niet anders dan zekere formulen van lof en vereering jegens den Keizer of den romeinschen landvoogd. Andere herinneringen aan den schitterenden voortijd bezit het hedendaagsche Thebe niet.

VII.

Den volgenden morgen gelukte het aan Perikles, niet zonder moeite, de agoyaten met hunne paarden bijeen te krijgen; en nadat er geruime tijd met het opladen van onze bagage verloopen was, konden wij eindelijk afscheid nemen van onzen gastheer, die nog maar half wakker was en met dankbaarheid de tien drachmen aannam, welke onze gids hem ter hand stelde. Hij wenschte ons goede reis en staarde ons na tot aan het einde der straat.

Wij steken de Ismenus over op de plek waar weleer de poort Praetides moet hebben gestaan, een der zeven poorten waaraan Thebe haar dichterlijken bijnaam dankte, en komen weldra in eene wijde vlakte, slechts hier en daar door eenige golvingen van den grond afgebroken, links begrensd door de grauwe bergen van den Ptoüs, en rechts door de breede naakte hellingen van den Parnassus. Noch boomen, noch struiken, noch dorpen, noch akkers: niets dan een kort, bruin, somber gewas, dat, zoo ver het oog reikte, den toch blijkbaar zeer vruchtbaren grond bedekte. Van menschelijke woningen was geen spoor te ontdekken, evenmin als van menschen zelven. Het vroeger zoo volkrijke en vruchtbare Beotië is vreeselijk geteisterd en verwoest, niet alleen door de herhaalde aardbevingen, maar vooral door de barbaarsche Turken gedurende den onafhankelijkheidsoorlog. Tegenwoordig telt dit gewest hoogstens veertienduizend inwoners, terwijl het met gemak vierhonderdduizend menschen zou kunnen voeden en de korenschuur worden voor geheel Griekenland. Beotië zou een van de rijkste en welvarendste landstreken kunnen zijn, indien slechts de mannen, die in Griekenland de macht in handen hebben, de wezenlijke belangen des lands wilden begrijpen en behartigen, en door verstandige maatregelen de grondbezitters en landbouwers beschermen tegen de afpersingen en knevelarijen van allerlei aard, die nu alle ondernemingszucht uitdooven en iedere ontwikkeling tegenhouden.

Zonder den stoffigen weg te verlaten, naderen wij al meer en meer den Parnassus; de grond wordt al meer en meer kalkachtig, gemakkelijk bebouwbaar, met een veenachtige onderlaag: het terrein is dus uitnemend geschikt voor graanbouw, terwijl de lagere gronden in het midden der vallei konden worden gebruikt voor de kultuur van industriëele gewassen. Hier en daar vertoonen zich enkele schrale strooken, met koren beplant. Wij ontmoeten enkele boeren, die kleine, magere ezels voor zich uit drijven, beladen met een zak met graan: dit is de tiende, die zij naar de gouvernementsmagazijnen brengen;--eene belasting, even slecht verdeeld als willekeurig ingevorderd, en die mede het hare bijdraagt tot den ongelukkigen toestand, waarin de landbouw in Griekenland verkeert. Eerst tegen den middag, na eenige door Albaneezen bewoonde dorpen te zijn doorgetrokken, komen wij te Tanagra. Over eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid kan men duidelijk de grondslagen der muren van de oude stad onderkennen, maar vele fragmenten verdwijnen onder de bebouwde gronden en wijngaarden. Binnen dien ruimen omtrek ontdekt men voortdurend groote hoeveelheden aardewerk, en dikwijls ook graftomben, waarin die wonderfraaie beeldjes van gekleurde gebakken aarde geschaard liggen, die de bewondering van alle kenners opwekken. Die beeldjes stellen doorgaans gedrapeerde vrouwen voor, die smaakvol zijn gekapt en een waaier in de hand houden; zij hebben zulk een typisch karakter en realiteit, dat men geneigd zou zijn, ze voor portretten te houden. Als zij uit de tombe, waarin zij sedert meer dan tweeduizend jaar hebben gerust, te voorschijn worden gebracht, schitteren zij nog in al den glans en de frischheid van hun koloriet, maar in de lucht verbleeken zij spoedig. Te Athene worden die beeldjes met goud betaald; en meer dan een dezer figuurtjes, nauwelijks vijftien tot twintig duim hoog, bracht denzelfden prijs op als de schoonste marmeren beelden. Ook als men de overdrijving der mode buiten rekening laat, moet men erkennen dat wij hier eene openbaring van de grieksche kunst voor ons hebben, die ons vroeger zoo goed als onbekend was. Echter zijn de werkelijk fraaie beeldjes zeer zeldzaam.

Niet zonder moeite bestijgen wij den heuvel, waarop de oude stad was gebouwd. In den heuvel was een ruime schouwburg aangelegd, met de voorzijde naar het oosten. Er zijn nog verscheidene gaanderijen en zitplaatsen overgebleven; beneden onderscheidt men nog den onderbouw van het tooneel, en eenige onkenbare fragmenten, die waarschijnlijk vroeger tot zuilen hebben behoord. Verderop verheft de heuvel zich met zeer steile helling boven de valleien ten oosten en ten westen. Daar lag de Akropolis. De blik omvat de hier en daar met olijven beplante vlakte, en rust op de bergketen van Eubea, waarboven de Delphi fier zijn met sneeuw bedekte kruinen verheft.

Zoo wij nog vóór den avond Chalkis wilden bereiken, hadden wij niet veel tijd te verliezen. Na in een der woningen van het dorp een haastig ontbijt te hebben gebruikt, ten aanschouwe eener nieuwsgierige en lastige menigte, stijgen wij onverwijld weder te paard. Wij steken de vlakte over, ter rechterhand het dorp Sikanino latende liggen, waar men drie oude byzantijnsche kerken vindt, en komen weldra aan den Asopus, die in dezen tijd des jaars niet meer is dan een onbeteekenend beekje, dat langzaam voortkronkelt tusschen de zandbanken.

Aan de overzijde rijst de grond langzaam; de weg rijst en daalt tusschen kleine heuvelen, met thym en struikgewas bewassen. Weldra beginnen zich aan onze linkerhand steile rotsen te verheffen, met eiken, wilde olijven en kreupelhout begroeid; de helling van den weg wordt al sterker en sterker, en niet zonder inspanning bereiken wij eindelijk een pas, vanwaar wij de zeeëngte van Euripus overzien, en in de verte de stad Chalkis met hare witte huizen.

Maar de afstand was nog zeer groot, en de avond naderde. De bergen kleurden zich reeds met die warme tinten, die het einde van den dag aankondigen; en in Griekenland duurt de schemering zoo kort, dat binnen weinige minuten volslagen duisternis op den klaren dag volgt. Nog eer wij den voet van den berg hadden bereikt, konden wij den weg niet meer onderscheiden.

Wij reden langs eene wijde, cirkelvormige baai, en hoorden dicht in onze nabijheid, aan onze rechterhand, maar zonder iets te kunnen zien, het zacht geklots der golfjes, die op het strand rolden.

Perikles scheen te midden van die duisternis maar half op zijn gemak. Van tijd tot tijd schoten geweldige honden met woest geblaf op ons toe, alsof zij ons wilden verscheuren. Groote witte gedaanten vertoonden zich achter de struiken, en ruwe gebiedende stemmen knoopten met onzen gids een gesprek aan, dat somtijds meer op eene vijandelijke uitdaging, dan op een vriendschappelijk onderhoud geleek. De herinnering aan het bloedig drama, dat, nu vier jaren geleden, op eenige uren afstands van hier was opgevoerd, was juist niet geschikt om ons gerust te stellen; en het ware ons aangenamer geweest, op dezen tijd van den dag niet door deze eenzame streken te zwerven. Eindelijk, bij het eerste schijnsel van de maan, die boven Eubea opsteeg, zagen wij een heuvel, met eene citadel op den top; en voor ons, sterk uitkomende op de flikkerende zee, de steenen brug, die het eiland met den vasten wal verbindt en naar de stad Chalkis voert. Wij gaan die brug over, en worden door Perikles geleid naar de nieuwe stad, naar het huis van een rechterlijk ambtenaar, met wien ik te Athene kennis had gemaakt en die mij bij zich had genoodigd.

Van eene met twee groote vijgenboomen beplante binnenplaats, voerde een houten trap naar eene met wijngaardranken omslingerde bovengalerij, waarop de deuren der kamers uitkwamen; deze inrichting is bijkans in alle huizen in Griekenland gebruikelijk, zoowel in de nieuwe als in de oude, ten minste in de provinciën. Het inwendige der woning was eenvoudig en zindelijk; de muren waren wit gepleisterd en de zolderingen versierd met blauwe arabesken, op italiaansche manier.

Overeenkomstig de oostersche gewoonte, die overal in Griekenland is bewaard gebleven, presenteerde men ons confituren en koffie, die wij op de galerij zittende gebruikten, want het was smoorheet.

Wij wilden den volgenden dag naar Achmed-Aga vertrekken, en gingen dus reeds bij het aanbreken van den dag uit, om een ontdekkingstocht te doen. De nieuwe buurt, waarin onze woning stond, ligt ten noorden van de oude stad, die in haar oude muren te weinig ruimte vindt. In deze voorstad heeft zich het leven vooral saamgetrokken. Echter is de handel hier nog zeer onbeteekenend, zoowel als de nijverheid.

In de binnenstad strekken zich tusschen de huizen dikwijls ledige terreinen uit, en zijn de straten niet gelijk gemaakt. Langs de haven vindt men de winkels en de magazijnen der kooplieden; tot aan den voet der muren heeft het water eene aanmerkelijke diepte, zoodat de schepen rechtstreeks aan den oever kunnen aanleggen en hunne lading lossen; maar de baai is niet gedekt tegen de noord-westelijke winden, en ten gevolge der hevige stormvlagen, die zeer dikwijls in het kanaal van Eubea woeden, biedt zij voor de schepen geene veilige ligplaats aan.

De oude stad ziet er akelig en armoedig uit; de meeste huizen vallen in puin; sommigen doen u denken aan de turksche huizen, want er zijn te Chalkis nog enkele muzelmannen, die in zeer goede verstandhouding met de andere inwoners leven; maar wier aantal toch voortdurend afneemt.

In een nog vuiler, smeriger en armoediger buurt dan de andere, woont eene joodsche bevolking, die men anders in Griekenland uiterst zelden aantreft. Natuurlijk drijven al deze Joden een meer of min uitgebreiden handel; en het maakt een zonderlingen indruk, als men deze Joden, in smerige fustanella's, in hunne vuile, duistere, bekrompen winkeltjes ziet staan. Zoo als ik zeide, bleef Griekenland tot hiertoe over het algemeen van Joden bevrijd: wat heeft hen dan juist hierheen, op deze kust van Eubea, gevoerd? Niemand weet het, en de overlevering zegt er niets van.

De stad, op een voorgebergte gebouwd, heeft de gedaante van een driehoek, waarvan de top uitloopt op de brug, die door een oud venetiaansch fort wordt verdedigd.

De zeeëngte, die Chalkis van de kust van Beotië scheidt, is slechts tachtig el breed. Een klein eilandje, op tien el afstands der wallen gelegen, deelt den zeearm in twee ongelijke helften. Dit eilandje, waarop zich mede eene venetiaansche citadel verheft, is met de stad verbonden door middel van een houten en ijzeren draaibrug, voor eenige jaren gebouwd ter vervanging van de vaste houten brug, die elke gemeenschap tusschen de noordelijke en zuidelijke helft van het kanaal onmogelijk maakte. Dit werk heeft ruim een millioen gekost, maar is van het grootste belang voor Chalkis, dat door de afsluiting der doorvaart zeer benadeeld was. De heilrijke gevolgen doen zich nu reeds gevoelen, in vermeerdering der bevolking en der inkomsten.

De vroeger geheel verlaten haven van Hagios-Minos ligt tegenwoordig vol met groote grieksche booten en barken, die de voortbrengselen van het eiland komen afhalen. Eenmaal per week houdt een stoomboot van de helleensche maatschappij, op haar vaart van Stylida, te Chalkis stil, en brengt daar allerlei europeesche produkten en waren aan, waaraan de inwoners meer en meer behoefte beginnen te gevoelen.

Op de plaats, waar nu de brug is gebouwd, lag in vroeger tijd, naar men zegt, een dam, waarvan het boven vermelde eilandje nog een overblijfsel zou zijn, en die door de strooming in den Euripus zou zijn vernield. Deze geweldige stroom, die eerst van het noorden naar het zuiden loopt, om eenige minuten daarna, met niet minder hevigheid, van het zuiden weer naar het noorden terug te loopen, is tot dusver voor alle geleerden een ondoorgrondelijk raadsel, waarvan niemand de oplossing heeft kunnen vinden. Echter hebben maar weinigen zich dat zoo sterk aangetrokken als Aristoteles, die, volgens de legende, uit spijt dat hij dit zonderling verschijnsel niet verklaren kon, zich in den Euripus verdronk.

Na de brug te zijn overgegaan, bevonden wij ons weder op den weg, waarlangs wij gister avond gekomen waren, en die langs de baai van Vourko loopt. Deze zeer ondiepe baai, die ten noorden door de brug en ten zuiden door twee vooruitstekende landtongen, waartusschen slechts eene kleine opening is gebleven, is ingesloten, schijnt een groot meer zonder uitgang. Aan de overzijde der straat vertoonden zich de donkere oude muren der stad, en daarachter de witte huizen, door het morgenlicht met rooskleurige en grijsachtige tinten gekleurd, en zich afteekenende tegen de naakte en dorre bergen op den achtergrond.

Maar wij hadden geen tijd meer te verliezen, en keerden naar onze woning terug, waar wij de paarden bereids gereed vonden staan. De lastdieren met onze bagage waren reeds vóór het aanbreken van den dag vertrokken, want wij zouden een langen tocht hebben af te leggen.

Even voorbij de stad komen wij bij de oude fontein van Arethusa, waar de Romeinen tamme visschen en palingen hielden, die met versche kaas werden gevoed. Tengevolge van eene aardbeving is deze beroemde bron, die de Venetianen nog van water voorzag, zoo spoorloos verdwenen, dat het zelfs niet mogelijk is, de juiste plaats aan te wijzen, waar zij zich bevond.

Na een vermoeienden tocht van eenige uren, bereiken wij eene hoogte, waar eene bron ontspringt en vanwaar wij een prachtig uitzicht hebben. Aan onze voeten kronkelde de zeeëngte, als een breede azuren stroom, tusschen de bochtige, schilderachtige oevers; tegenover ons verhieven de bergen van Beotië, de Helikon, de met sneeuw gekroonde Parnassus, hunne toppen ten hemel; tusschen ons en de zee ontrolde zich een amphitheater van heuvelen, met welriekende dennenboomen, dwergeiken en andere gewassen begroeid.