De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 63
Innocentius III, de groote paus, die de omverwerping van het oostersche rijk door de kruisvaarders niet had goedgekeurd, hield niet op, de veroveraars en de hen vergezellende monniken en geestelijken te vermanen tot zachtmoedigheid, geduld en matiging: de eenige middelen waardoor men mocht hopen, de overwonnen volken weder in den schoot der katholieke Kerk terug te voeren. Er zijn van hem verschillende bewonderenswaardige brieven aan de abten van het vorstendom Morea en het hertogdom Athene, waaruit blijkt dat zelfs de invloed en het gezag van den paus niet altijd voldoende waren om den overdreven godsdienstijver van de latijnsche geestelijkheid te temperen. Ook de Benedictijnen van Daphné stonden niet altijd op den besten voet met hun hertog; en meer dan eenmaal moest de tusschenkomst van den paus worden ingeroepen, om de geschillen bij te leggen en de verhouding te regelen tusschen de burgerlijke overheid en de geestelijke orden, die op bijna volstrekte onafhankelijkheid aanspraak maakten.
Deze worsteling, die toch slechts een klein onderdeel vormt van de geschiedenis der middeleeuwen, geeft ons op nieuw de gelegenheid om den adel van ziel en de grootsche verhevenheid van bedoelingen en inzichten te bewonderen van de acht of tien groote pausen, die destijds het lot van Europa, van de Christenheid, waarvan zij het erkende en geëerbiedigde hoofd waren, in handen hadden en die daarop den heilzaamsten invloed uitoefenden, al ware het slechts daardoor dat zij bij de verschillende volken het innig bewustzijn hunner éénheid, als leden van de groote christelijke familie, als zonen derzelfde heilige Moederkerk, levendig hielden en alzoo een krachtigen dam opwierpen tegon de eenzijdige ontwikkeling van dat nationaal egoïsme, dat zich heden ten dage in al zijne driestheid, in al de onbeschaamdheid zijner toomelooze aanmatiging vertoont en door sommigen als het hoogste, het eenige beginsel van volkenrecht gehuldigd wordt.
De abdij van Daphné was het Saint-Dénis der fransche hertogen van Athene; in een kleinen kelder, onder den voorhof der kerk, heeft men verscheidene hunner graftomben teruggevonden: zware steenen lijkkisten, zonder versierselen of opschriften. Op een dezer kisten is in relief het wapen gebeeldhouwd van Guy II de la Roche, den derden hertog van Athene. Deze Guy gedroeg zich, naar de getuigenis der kronieken, "zooals het een goeden en vromen heere past"; hij werd door zijne onderdanen bemind en won zich een grooten naam in alle koninkrijken. Zoo hervinden wij hier, in deze verwijderde streken, de herinnering aan de schoone, schitterende rol, die de roemruchtige fransche adel eeuwen lang, in en buiten zijn vaderland, in dienst der edelste en schoonste idealen, gespeeld heeft.
VI.
Daphné verlatende daalt men, langs eene vrij steile helling, naar den oever der golf van Eleusis af. Aan den zoom der golf is de weg in de rots uitgehouwen en wordt door muren gedragen, aan wier voet de golven kabbelen. De aanblik van deze ruime, kalme, rustige baai is inderdaad bewonderenswaardig. De fijne en schilderachtige omtrek der bergen teekent zich scherp af tegen den schitterend blauwen hemel, en weerspiegelt in de azuren wateren van den oceaan. Tegenover ons verrijzen de rossige, vale rotsen van Salamis loodrecht uit de zee; rechts de doorwoelde en doorgraven hellingen van den Parnessus en den Kitheron, in warme, lichtgrijze tonen en tinten gehuld; aan hun voet strekt zich de heilige vlakte van Demeter uit, blakerend in den zonnegloed, en van de blauwe, onbewegelijke zee gescheiden door een smal strand, geheel bezaaid met kleine wit- en rooskleurige marmersteentjes. Dit strand, eene bevallige kromming beschrijvende, voert ons naar Eleusis, waarvan de witte huizen, aan de overzijde der golf, ons tegenblinken. Hooge bergtoppen vormen den achtergrond van het tooneel, naar de zijde van Megara.
Wij gaan langs twee groote vijvers of plassen, door steenen dammen omzoomd en gevoed door bronnen van zout water, en steken vervolgens de vlakte van Thria over, zoo buitengewoon vruchtbaar, nadat Demeter zelve aan Triptolemos den akkerbouw geleerd had. Van die vruchtbaarheid is thans weinig meer te bespeuren. De zorgeloosheid en nalatigheid der bewoners heeft de afleidingskanalen laten verzanden, en het water heeft voor drie vierde deze alluviaalgronden in bezit genomen, die nog zoo uitnemend geschikt zouden zijn voor bebouwing. Men heeft wel enkele plekken ontgonnen, maar er is niets gedaan, en zelfs nog geen plan ontworpen, om deze vlakte te bevrijden van de geregeld terugkeerende overstroomingen en de daarmede gepaard gaande koortsen. De gemeente is te arm, en het gouvernement denkt aan niets dan aan politiek, aan den strijd tegen de oppositie in de Kamer, aan het behoud van het vluchtig ministerieel leven, aan de omkooping der kiezers. Voor werken van openbaar nut is er noch tijd, noch geld, noch aandacht. Dat zijn trouwens de eigenaardige zegeningen van menige parlementaire regeering!
De landlieden, die wij ontmoeten, zijn rijzig van gestalte; zij hebben een langen, eenigszins platten neus, een wijkend voorhoofd, kleine oogen en een beenig gelaat. De vrouwen zijn groot en sterk gebouwd, maar niet bevallig, ondanks haar blauwe oogen en blonde haren. Het zijn Albaneezen van Elefsina, een ellendig, armoedig dorp, dat wij voorbijtrekken, en dat op de plaats zelve is gebouwd van het oude Eleusis, aan het uiteinde van een steenachtigen heuvel, aan den oever der zee. Van den beroemden tempel van Demeter is niets meer over, dan eenige stukken van den onderbouw, achter hutten verborgen; de fragmenten der propyleeën, uit den romeinschen tijd, liggen in wanorde door elkander in de uitgravingen, door den heer Lenormant hier ondernomen.
Naar Eleusis trok de processie der Panatheneeën, en daar werden die beroemde mysteriën gevierd, waarin de oude natuurdienst der Pelasgiërs de hand reikte aan de vereering van de goden en godinnen van den helleenschen Olympus. Ondanks de halve onthullingen van Diodorus van Sicilië en van Apollodorus bestaat er omtrent de eigenlijke beteekenis dier geheimzinnige plechtigheden nog veel onzekerheid; ik voor mij kan moeielijk gelooven, dat in deze mysteriën de zuivere leer van de eenheid Gods en de onsterfelijkheid der ziel werd verkondigd. Dit is zeker, dat zoowel Sokrates als Diogenes, schoon overigens geen geestverwanten, weigerden, zich in de mysteriën van Eleusis te laten inwijden. Deze geringschatting van de bijgeloovige eeredienst der priesters van Demeter kostte Sokrates het leven.
Voorbij Eleusis verlaat de weg het zeestrand, en wendt zich rechts naar het noorden. Wij komen aan het dorp Mandra, door albaneesche uitgewekenen bewoond. Bij onze nadering omsluieren de vrouwen zich het gelaat; de mannen, voor het eenige koffiehuis van het dorp gegroept, staren ons met nieuwsgierigheid en met niet al te vriendelijke blikken aan. Hun wijkend voorhoofd, hun uitstekende jukbeenderen, hun blonde, rechte, naar tartaarsche manier geknipte knevels, hun kort geknipte haren, die van achteren lang afhangen--dit alles herinnert aan den type der Bulgaren, die toch Slaven zijn, of misschien tot Slaven geworden Hunnen. Overigens rijst schier bij elken voetstap, dien men in het Oosten zet, een of ander ethnografisch raadsel op, waarvan de beantwoording uiterst moeilijk is, en dat in de praktijk dikwijls tot nog grooter bezwaren aanleiding geeft. De Grieken houden stijf en sterk staande, dat zij rechtstreeksche afstammelingen zijn van de Hellenen uit den tijd van Themistokles. Toch is het niet te ontkennen, dat, met uitzondering van Maïna en van enkele eilanden, het tegenwoordige Griekenland bewoond wordt door een ander, nieuw ras, voortgesproten uit de vermenging van de oude bevolking met noordelijk wonende stammen, en vooral met Albaneezen of Skipetaren. Die Albaneezen hebben geheel nieuwe denkbeelden en elementen, eigenaardige zeden en gebruiken medegebracht; zoowel uit een physiek, als uit een moreel oogpunt, hebben zij op het helleensche ras, waarmede zij zich vermengd hebben, een zeer grooten invloed uitgeoefend en den oorspronkelijken aanleg sterk gewijzigd. Ik zal niet ontkennen, dat ook in het tegenwoordige grieksche volk de grondtrekken van het helleensche karakter in menig opzicht meer of minder duidelijk zijn bewaard gebleven; maar evenmin valt, in de vorming der nieuw grieksche nationaliteit, de invloed van andere dan antiek-helleensche elementen te miskennen.
Wij hebben den voet van den Kitheron, dichterlijker gedachtenisse, bereikt; langzamerhand voert de weg door een lommerrijke kloof naar boven. Kromgebogen dennen, doornige gewassen met kleine, harde bladeren, bedekken de steile hellingen van den berg, waar overal de naakte grijze kalkrots te voorschijn treedt. Nergens is eenig spoor van bouwgrond te ontdekken; nergens is water te zien; nergens hoort men gezang of gesjilp van een vogel; overal doodsche, eentonige stilte en eenzaamheid. Wij bespeuren geen andere levende wezens dan een kleine smaragdgroene hagedis met bruinen staart, en een roofvogel, hoog in de lucht zwevende. Omziende, ontdekken wij nog in de verte, achter verschillende bergreeksen, de hooge toppen van den Hymettos en den Pentelikon.
Na eenige uren lang, voortdurend in vollen galop, nu eens tegen de berghellingen te zijn opgeklauterd, dan weder naar de slingerende valleien afgedaald, houden wij eindelijk stil aan een afgelegen, eenzame kani (herberg) Pirnari genoemd, waar wij het ontbijt gebruiken. Verderop loopt de weg, tusschen groote steile rotsen door, naar eene woeste, smalle kloof, waarboven zich de indrukwekkende ruïnen van de helleensche vesting Eleutheres verheffen, die den pas tegen de Beotiërs verdedigen moest. Zeven zware vierkante torens, die nog vrij goed bewaard zijn gebleven, rijzen omhoog op den top van een steilen heuvel. Zij vormen een schilderachtig geheel, vooral als men ze van gene zijde van den heuvel, waaromheen de kronkelende weg zich slingert, ziet.
Deze pas is niet de eenige welke over den Parnassus voert, die de natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Attika en Beotië. Meer oostwaarts is nog eene andere smalle pas of overgang, die sinds overoude tijden door de beide volken werd gebruikt, en waar de Atheners die beroemde vesting Phylae hadden gebouwd, waarvan Thrasybulus zich bij verrassing meester maakte, en waar hij zich geruimen tijd tegen de aanvallen der Dertig Tirannen staande hield.
Het steile plateau, waarop de citadel van Eleutheres is gebouwd, heeft eene lengte van honderd-zeventig, bij eene breedte van zeventig el, en is slechts van twee kanten, ten oosten en ten zuiden, genaakbaar. De muren zijn uit groote gehouwen steenen, waarvan sommigen de gedaante van een parallelogram vertoonen, opgetrokken; een nog ongeschonden vierkante toren, ten zuidoosten, en een half vernielde ronde toren, ten noordoosten, dienden blijkbaar tot verdediging van de poorten. Aan de westzijde verheft zich een tweede vierkante toren boven een loodrechten rotswand. Van hier overziet de blik de gansche bergstreek tot aan den Hymettus en de vlakte van Athene, waarvan de Akropolis zich in schemerende omtrekken tegen den achtergrond der zee afteekent. Langs de geheele keten van den Parnas waren vestingwerken aangelegd, die dit natuurlijke bolwerk van Attika nog sterker moesten maken. Van die vestingwerken is de citadel van Eleutheres het voornaamste en een der merkwaardigste monumenten van de grieksche militaire architektuur.
Wij begonnen nu de steile hellingen van den Kitheron te beklimmen, tot aan den pas, die de eigenlijke grensscheiding tusschen Attika en Beotië vormt. De hooge bergvlakten en de weg zelf waren als overdekt met kudden schapen, die door de herders werden bijeengedreven om naar de winterweiden te worden geleid; deze winterweiden bevinden zich in de vlakten van Attika en vooral in de omstreken van Vari, tusschen Athene en kaap Sunium. Voorop gingen de vrouwen en de kinderen met een kleinen mageren ezel, die een paar gestreepte dekens, eenige levensmiddelen en een ketel droeg. Nevens de kudden gingen, midden door het struikgewas, de herders met hunne honden, woeste dieren, die met luid geblaf op ons aanstormden en in de wielen van het rijtuig beten. Zoo gaat de tocht langzaam, met kleine dagreizen, voort. Bij de putten houdt men stil om de kudden te drenken en de schapen te laten grazen in het welriekende heidekruid, dat de gansche streek bedekt. Om een afstand van vijftien mijlen af te leggen, hebben deze karavanen even zoo veel dagen noodig. In de lente, wanneer de hitte in de vlakte ondragelijk wordt, wanneer de grond hard wordt als metaal en het gras verdort en verdroogt, wanneer het water in de putten wegzinkt, dan verlaten de herders hunne uit boomtakken gevlochten hutten, om terug te keeren naar de hooge bergvlakten van den Parnassus en den Kitheron.
Spoedig hadden wij den hoogen bergpas bereikt, waar de blik geheel Beotië overziet. Een prachtig panorama! Voor onze voeten breidt zich de wijde vlakte van Thebe uit, stralende van licht, met de slagvelden van Platea en Leuktra, vanwaar dichte stofwolken oprijzen. Ter linkerhand, de scherpe, uitgetande toppen van den Helikon en den Parnassus, met blinkende sneeuw bedekt; rechts, de witte kruin van den Ida en de bergen van het eiland Eubea. Voor ons, half omsluierd door de dampen, uit het meer Kopaïs opstijgende, de toppen van den Oeta en den Saromata. De gezichteinder is nevelig; het licht is minder fel, en de opvolgende bergreeksen baden zich in een zachten, lichten nevel. Achter ons, naar de zijde van Attika, straalt de smetteloos blauwe hemel in weergalooze helderheid. De lijnen zijn daar overal scherp en zuiver getrokken, wel niet hard, maar ook zonder dat eigenaardig zachte, weeke en smeltende, dat zoo groote bekoorlijkheid geeft aan dit panorama van Beotië. Zou dat zoo duidelijk merkbare onderscheid in de natuur des lands ook niet van invloed zijn geweest op het karakter en den aanleg der zoo zeer verschillende volksstammen aan deze en aan gene zijde van den Parnassus en den Kitheron? De Atheners, in wier oogen alles wat niet van Athene kwam, bespottelijk was, beschuldigden hunne naburen van domheid en stompzinnige onbevattelijkheid des geestes: eene reputatie, die zij tot heden hebben behouden. Toch is deze beschuldiging volkomen onverdiend. Misten de Beotiërs al den fijnen atheenschen geest, de atheensche vlugheid en levendigheid, zij waren daarentegen ook eenvoudiger en eerlijker; de verfijning der atheensche beschaving bleef hun onbekend, maar zij hadden daarom wel gevoel voor het schoone in kunst en litteratuur en waren verre van onverschillig voor militairen roem. Wij behooren nooit te vergeten dat Pindarus, Hesiodus, Epaminondas, Pelopidas en Plutarchus geboren Beotiërs waren.
De kunstig aangelegde, maar zeer smalle weg daalt met breede kronkelingen langs de kale, steile hellingen van den Kitheron naar de vlakte af. Onze vier magere knollen, met versleten touwen aangespannen, hollen in vollen galop langs dien steilen weg naar beneden, op het gevaar af, ons bij elke kromming in de diepte te doen nederstorten. Eerst toen wij in de vlakte waren gekomen, hield ons span, zweetende en snuivende, schier ademloos stil. Een der wielen van het rijtuig was half ontwricht, en de touwen waren voor een deel gebroken; maar de ijdelheid van onzen koetsier was voldaan: hij en Perikles waren zeer in hun schik over dit onzinnig waagstuk, dat ons zeer gemakkelijk armen en beenen, indien niet het leven, had kunnen kosten.
Wij wilden de nog overschietende uren vóór den avond benuttigen, om het slagveld van Platea te bezoeken. De afstand bedraagt, te paard, slechts een uur; vervolgens kunnen wij in twee uren Thebe bereiken. Ondanks de weinige hulpvaardigheid der inwoners, gelukt het onzen tolk toch, zich in een naburig albaneesch dorp de noodige paarden te verschaffen. Gemakkelijk gezeten op pakzadels, met tapijten belegd, rijden wij over een steenachtigen, hobbeligen weg naar het slagveld, waar veertigduizend Grieken driehonderdduizend Perzen op de vlucht dreven.
De onderlinge twisten en oorlogen der verschillende grieksche staten en stammen verdienen wellicht de aandacht niet, die er doorgaans, dank zij het talent der oude geschiedschrijvers die ze ons eerst verhaalden, aan geschonken wordt. In verre de meeste gevallen waren hierbij slechts kwesties van persoonlijke of nationale ijdelheid en lokaal belang in het spel. Anders is het evenwel met de perzische oorlogen. De heldhaftige weerstand, door dit kleine volk aan de geweldige overmacht der barbaren geboden; de aard en beteekenis van dien strijd; het besef dat de overwinning der Aziaten de ontluikende grieksche beschaving, waaraan de wereld zoo oneindig veel verplicht is, in hare geboorte zou hebben verstikt:--dit alles wekt billijkerwijze onze belangstelling en sympathie op en verdient die ook ten volle.
Nabij het kleine dorp Kikla, aan den voet van den Kitheron, die zijn drie naakte toppen ten hemel beurt, ziet men nog de overblijfselen eener oude citadel, uit groote drie- of veelhoekige steenblokken opgetrokken, en geflankeerd door vierkante torens, waarvan nog slechts enkele sporen zijn te ontdekken. Honderd ellen van daar, verheffen zich tegen de helling van den heuvel, boven eene antieke fontein, groote steenen sarkophagen zonder eenig versiersel. Perikles noemt ze de graven der helden; maar uit niets blijkt dat ze in eenige betrekking staan tot de perzische oorlogen. Op deze hoogte staande, kan men zich eene zeer duidelijke voorstelling maken van het slagveld, en van de strategische bewegingen der beide legers.
Platea verlatende, rijden wij over eene groote, onbebouwde vlakte, door de hitte gespleten, zonder een enkelen boom, dor en akelig. In den winter en in het voorjaar is deze vlakte een groot moeras, en zinkt men haast weg in eene kleiachtige, zwarte aarde, geheel doorweekt door den regen en de beken, die niet geregeld kunnen afvloeien. Toch is deze grond zeer vruchtbaar en voor bebouwing geschikt; enkele, niet moeilijke noch kostbare werken voor den afvoer van het water zouden voldoende zijn om duizenden bunders in kultuur te brengen, en deze dorre heiden te herscheppen in korenakkers en katoenvelden, of in weilanden, waar talrijke kudden vee een overvloedig voedsel zouden vinden. Waarom geschiedt dit niet? Is het uit zorgeloosheid, of uit vrees voor aardbevingen, die zoo menigmaal Beotië geteisterd hebben? Ik weet het niet: zeker is het dat ook hier, als op zoo menige plaats elders in Griekenland, eene bron van nationale welvaart ongebruikt blijft.
De weg voert om een kleinen roodachtigen heuvel, en eensklaps zien wij twee- of driehonderd huizen voor ons, op een klein plateau van ongeveer vijftig ellen hoogte, aan alle zijden van de omringende heuvelen afgezonderd. Dat is de stad Thebe, die wij weldra binnenrijden. De waterleiding, waarlangs de weg loopt, dagteekent uit de middeleeuwen; zij voert het water eener naburige bron naar de stad.
Thebe bestaat eigenlijk slechts uit eene enkele, vrij breede straat, ter wederzijde bezet met kleine smalle huizen, twee verdiepingen hoog, waarvan de benedenverdieping doorgaans tot winkel is ingericht en voorzien van breede planken luifels, op ruwe houten palen rustende. Die luifels volgen elkander geregeld op, en vormen zoo ter wederzijde van de straat eene soort van overdekte galerij, die bij regenachtig weer, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is, eene zeer gewenschte beschutting biedt. Verscheidene huizen, die door de laatste aardbeving geleden hebben, zijn nog niet hersteld.
Er heerscht groote drukte op straat, want morgen is het een der honderd-tachtig feestdagen van den orthodoxen kalender. De toevloed van boeren uit den omtrek voorspelt ons weinig goeds voor den nacht, als wij dien ten minste moeten doorbrengen in de kani, waaruit een vuile, walgelijke stank ons tegemoet komt. Gelukkig vinden wij, door tusschenkomst van den demarch (burgemeester), logies bij een der burgers van de stad.
Den ganschen nacht woedde een geweldige wind, die ons huis op zijn grondvesten kraken en schudden deed. In de straten en stegen blaatten honderden schapen en lammeren, met allerlei modulatiën van klaagtonen. De in de stad, tot bijna voor onze deur, bijeengedreven kudden werden onrustig en antwoordden op dat geblaat. Somwijlen verhief een herder zijn forsche stem, waarop een oogenblik stilte ontstond, doch om straks weer door hetzelfde concert van blatende, jammerende en loeiende stemmen vervangen te worden.
Wij waren te Thebe gekomen op den laatsten dag van een der vier vastentijden, die telken jare door de Grieken zoo streng worden gehouden. Veertig dagen lang hadden de Thebanen zich uitsluitend gevoed met bittere en gezouten olijven, kaviaar en flauwe, smakelooze groenten; nu maakten zij zich gereed om den terugkeer tot de gewone levenswijze recht feestelijk te vieren. Ieder gezin koopt voor die gelegenheid een lam of schaap, dat hetzij op de binnenplaats der woning, of indien dat niet kan op de straat, geslacht en gebraden wordt. Sedert eenige dagen waren de zwervende herders van den Parnassus en den Helikon afgedaald, ongeveer een duizendtal schapen voor zich uit drijvende, die bestemd waren om geslacht te worden; en des avonds hadden de voornaamste Thebanen reeds de beste en vetste beesten voor den maaltijd uitgezocht.
De vermoeidheid had eindelijk de overhand gekregen over het loeien van den wind, het blaten der kudden, en ook over de scharen van insekten, die langs de muren onzer kamer afdaalden, zoekende wien zij mochten verslinden, en wij waren zoowat in een onrustigen slaap gevallen. Tegen vier uur in den morgen echter, lang voor zonsopgang, werden wij plotseling gewekt door herhaalde geweerschoten, door een dof en aanhoudend gerucht gevolgd.
De Grieken, even als de Bedouïnen der woestijn, zijn groote liefhebbers van schieten. Hetzij er een kind wordt gedoopt of eene bruiloft gevierd, hetzij er een doode wordt begraven, een kandidaat half doodgeslagen of een afgevaardigde eene ovatie gebracht--altijd moet er geschoten worden. Maar al te dikwijls is dit schieten de oorzaak van een min of meer toevalligen moord.
De hoofdstraat was geheel gevuld met eene dichte en schilderachtige menigte. Al de inwoners van Thebe en van den omtrek waren daar bijeen, ieder met een waskaars in de hand, en in plechtigen optocht de priesters volgende, wier gezang boven het dof gemurmel der schare uitklonk. De eentonige litaniën werden zonderling afgewisseld door geweerschoten en wilde kreten, terwijl de klokken der kerk uit alle macht luidden.--Wij hadden hier eene ongedachte, uitnemende gelegenheid om de verschillende typen dezer gemengde bevolking te bestudeeren. Zoodra de dag was aangebroken, mengden wij ons dan ook onder de vroolijke luidruchtige groepen, die op straat en op de omliggende heuvelen bezig waren met het braden van het schapenvleesch, waarvan de geur de lucht vervulde. Wij vinden daar de vertegenwoordigers van al de rassen, die het helleensche ras omringen en zich daarmede vermengd hebben.
Die schoone, krachtig gebouwde jonkman, wiens hooge roode muts met een blauwen doek is omwonden, en wiens lange fustanella bijna verdwijnt onder een ruimen overjas van witte wol, is een Albanees. Zijn gelaat getuigt van kracht en energie, zijn trotsche vurige blik, zijne rijzige gestalte, zijn hoog voorhoofd, zijn arendsneus, zijn fijn geteekende mond, door een zwaren knevel overschaduwd, zijn zoo vele teekenen van zijne afstamming uit het bloed der Epiroten.