De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 62
Op den 3den Januari, verliet kolonel Warburton zijn kamp, en kwam op den 11den bij de heeren Grant, Harper en Anderson aan. Zijne ontdekkingsreis was geëindigd. Uit het hart van Australië uitgegaan, was het hem gelukt, de westkust van het vaste land, dwars door de woestijn heen, te bereiken: hij had den voet gezet in streken, waar vóór hem nog geen Europeaan was doorgedrongen.
Dank zij de goede zorgen, die men aan de reizigers besteede, konden zij den 21sten naar Roeburne vertrekken, eene kleine stad aan de kust der Indische zee, waar zij met groote hartelijkheid werden ontvangen. Trouwens gansch Australië stelde er prijs op, zijn dank te kunnen betuigen aan den onverschrokken reiziger, die weldra ook in Engeland zijne ontberingen en doorgestane gevaren zag beloonen op eene wijze zoo schoon als hij maar had kunnen verlangen: de Royal Society of Geography keurde kolonel Warburton in 1874 haar gouden eerepenning waardig.
Reis door Griekenland.
(Vervolg van bladz. 232).
V.
In de maand October begint in Griekenland de hitte dragelijk te worden; ettelijke regenbuien hebben den grond bevochtigd en verfrischt; de koortsen, die gedurende de maand September zoo vele lagere streken in hooge mate ongezond maken, beginnen te wijken; een tocht door het binnenland wordt dan voor vreemde toeristen mogelijk. Zeker hebben zes maanden droogte het land uitgemergeld en verschroeid, maar dit schaadt niet aan het eigenaardig karakter van zijne schoonheid. Het is reeds meermalen gezegd geworden: men moet de noordelijke landen eigenlijk in den winter bezoeken, en de zuidelijke in den zomer.
De gelegenheid was gunstig voor eene reis door de noordelijke provinciën, waarvan men zich anders meestal door vrees voor de roovers laat terughouden. Sedert drie jaren had de regeering al hare krachten ingespannen, om den smet uit te wisschen, door den moord van Marathon, in 1872, op het land geworpen. Men had met ernst de handen aan het werk geslagen, en, met ijverige medewerking van den pâsja van Thessalië, het zoover gebracht, dat er nu geen roovers meer in Griekenland te vinden waren, en men het land van het noorden naar het zuiden kon doorreizen, zonder gevaar te loopen, neus en ooren te verliezen. Het was geraden, van die ongewone veiligheid, die misschien niet lang stand zou houden, gebruik te maken.
Ik gaf mitsdien aan den minister van binnenlandsche zaken en aan den prefect van policie kennis, dat ik binnen eenige dagen op reis hoopte te gaan naar Thebe, Eubea en Phthiosis, om over Delphi en den Parnessus terug te keeren. Deze kennisgeving was eene bloote formaliteit, maar waaraan het voordeel verbonden was, dat de kommandanten der gendarmerie en de plaatselijke besturen van onze komst werden verwittigd, zoodat wij overal konden rekenen op een nachtverblijf en een maal: twee zaken, waarop de reiziger in dit land anders volstrekt niet altijd rekenen kan.
De grieksche ministers zijn niet bijzonder prachtig gehuisvest, en hebben ook geen drom van kamerdienaars tot hunne beschikking om de al te lastige bezoekers af te weren. In een huis van zeer nederig voorkomen, klimt ge langs een krakenden houten trap naar boven. Wie wil, gaat binnen; er is geen concierge of bode die u tegenhoudt. Door de openstaande deuren ziet ge, in kamers met naakte muren en vensters zonder gordijnen, de ambtenaren zitten op matten stoelen, voor tafels van ongeverwd hout, en onder hun werk sigaartjes rookende. Een man, in een vuile, versleten en gelapte overjas gekleed, wijst u, zonder op te staan, zonder uw naam te vragen of naar het doel uwer komst te onderzoeken, het kabinet van den minister.
Ge kunt zonder kloppen binnentreden; in den hoek van een zeer sober gemeubeld vertrek zit een heer aan eene kleine schrijftafel te werken: dat is de minister. Hij staat op, reikt u de hand, en noodigt u uit, plaats te nemen. Een oogenblik later komt de smerige kamerdienaar binnen, en presenteert u, op een tinnen blad, te Neurenberg beschilderd, een kop koffie, dien hij in het naburige koffiehuis heeft gehaald.
Die antieke eenvoud heeft eene zekere aantrekkelijkheid voor hen, die zich dikwerf door de aanmatiging en overdreven etiquette, elders gebruikelijk, hebben beleedigd gevoeld. Zij, die hier tijdelijk--doorgaans zeer tijdelijk!--de macht in handen hebben, doen geen pogingen om door zeker prestige te verblinden. En zoo zij het deden, zou de spottende, alles nivelleerende zin van het volk hen spoedig alle lust voor dergelijke proefnemingen benemen. Ieder, die wil, treedt onaangemeld bij den minister binnen, neemt een stoel, en brengt met groote woordenrijkheid en op den meest gemeenzamen toon zijne klacht of zijn verzoek te berde. De minister luistert, spreekt met hem als met zijn gelijke, en belooft dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen is om den man te helpen. Zeker is de hoop, om een kiezer of een die het worden kan voor zich te winnen, aan deze handelwijze niet geheel vreemd; maar nog veel meer moet men hier denken aan de traditioneele gewoonten van het Oosten, waar tusschen de verschillende standen, in den dagelijkschen omgang, de meest mogelijke gelijkheid heerscht. Trouwens, dit was ook bij ons vroeger het geval, ondanks het groot verschil van stand, in maatschappelijken en politieken zin; en niets is oppervlakkiger en onjuister, dan te meenen dat de opheffing van dit verschil, de politieke en sociale gelijkmaking van allen, de ware toenadering, den waren geest van gelijkheid en broederschap tusschen de verschillende standen zal bevorderen: veeleer is het tegendeel waar.
Nog maar weinige jaren geleden, moest, wie een tochtje door het binnenland wilde ondernemen, dit te paard doen, en zich daarbij van het noodige voorzien. Dit is thans niet meer noodig: wij verlaten Athene, gezeten in een kales. Dit is misschien minder schilderachtig, maar zeker gemakkelijker. Echter brengen de straatwegen u in Griekenland niet ver; reeds te Thebe, dat slechts tien uren van Athene verwijderd is, zullen wij voor het overige van de reis paarden moeten nemen. Onze gids heeft wel eenige gelijkenis met Quasimodo; hij draagt een lichtkleurige jas en een slappen hoed; hij haspelt, op onverstaanbare manier, twee of drie talen dooreen, waaronder wij nu en dan eenige woorden fransch kunnen onderscheiden. Door eene wreede spotternij van het lot voert hij den naam van Perikles.
Het was ruim vier uren in den morgen, toen wij het hotel verlieten. Achter den berg Hymettus voorspelde een zachte rozengloed aan den hemel de nadering van den dageraad. Enkele kleine koffiehuizen waren reeds geopend; en de aromatische geur van de mokka, vermengd met den doordringenden reuk van de oostersche tabak, verkondigde den aanvang van een nieuwen levensdag in de stad van Pallas-Athene. In de straten heerschte nog de zwoelte van den vorigen dag; ondanks de frischheid van den morgen straalde van de muren der huizen ons nog de warmte tegen.
Gelukkig zijn wij spoedig buiten de stad; welhaast hebben wij de grenzen der beschaafde wereld bereikt:--op vijftien minuten afstands van het koninklijk paleis. Ter linkerzijde van den weg, op twintig el afstands van het station, waar eene brutale locomotief haar vuile rookwolken uitblaast in de dichterlijke attische lucht, stond weleer de Dipylische poort. Daar liepen en loopen nog de twee wegen naar Eleusis en den Piraeus samen: van alle poorten van Athene was dus deze de drukste. Te midden van die wolken van fijn kalkachtig stof, dat destijds zoowel als nu de wegen van Attika bedekte, bewoog zich toen de stroom der vrachtwagens van den Piraeus, der lastdieren, der kooplieden die hunne waren naar de stad brachten, der boeren die met groenten en vruchten ter markt gingen, der slaven die den voorraad voor den dag moesten inkoopen, der wandelaars en leegloopers eindelijk, wier aantal te Athene zeer groot was. Nabij deze poort drongen de soldaten van Sylla, na een bres in den muur gemaakt te hebben, de stad binnen; en de menigte menschenbeenderen, die men bij de jongste opgravingen op die plek gevonden heeft, bewijst dat er hardnekkig gevochten werd. Bij die opgravingen zijn ook enkele der graven ontbloot, die aan den heiligen weg van Eleusis hetzelfde voorkomen moeten gegeven hebben als aan de Via Appia bij Rome. Men vindt hier uitnemend fraaie beeldwerken en merkwaardige inscripties; en hoewel wij met onzen tocht meer ten doel hebben, de levenden te leeren kennen dan de gedenkteekenen der dooden na te sporen, laten wij toch het rijtuig even stilhouden en stappen uit.
Zie hier de tombe van eene jonge syrische vrouw uit Baireuth, gehuwd met een burger van Sunium; daar rust een wapenheraut, verraderlijk omgebracht door de Megarenen, die zich hadden schuldig gemaakt aan het omploegen en bezaaien van den heiligen akker van Eleusis. Daar zijn de graven van krijgslieden, met eer op het slagveld bezweken. Ginds rusten vrouwen met een onzijdigen naam, dat wil zeggen dezulken die, uit hoofde van haar afkomst of haar bedrijf, onwaardig werden geacht, ook taalkundig met de anderen op eene lijn te worden gesteld. De eerlijke, fatsoenlijke buurvrouw heet, bij voorbeeld, Koralia: dan heet deze eenvoudig Koralion. Boven sommige graven ziet men afbeeldingen van dieren, eene meer of minder duidelijke zinspeling op den naam van den overledene. Iemand, die bij voorbeeld Aper heette (een zeer gemeenzame naam bij de ouden), kreeg op zijn graf de levensgroote afbeelding van een wild zwijn, met borstelige haren en dreigende slagtanden.
De weg van Eleusis, dien wij nu volgen, is aan de eene zijde begrensd door eene gasfabriek en aan de andere door pannenbakkerijen, waar groote kerels met snorren bezig zijn met het vervaardigen van reusachtige kruiken en watervaten van geelachtig roode klei. Van de oude graftomben is geen spoor meer over. Ziehier, aan onze linkerhand, den ingang van den Botanischen Tuin. Eene turksche fontein schuilt in de schaduw eener groep van hooge virginische populieren met hunne zilverachtige, gladde stammen. De fontein zwijgt; het steenen bekken, waar het frissche heldere water met welluidend ruischen in nederstroomde, is nu met stof en dorre bladeren gevuld. De Turken wisten het genot te waardeeren eener springende fontein onder den lommer van groote boomen; zij zijn het, die al de fonteinen, welke wij langs onzen weg ontmoeten zullen, hebben gebouwd; de Grieken, die aan andere dingen te denken hebben, laten deze weldadige bronnen opdrogen en vervallen.
De Botanische Tuin, de eenige in het geheele land, verdient in geen enkel opzicht zijn naam; hij dient letterlijk tot niets dan tot het kweeken van enkele groenten door de bedienden. Gedurende de dertig jaren van zijn bestaan, is er voor dien tuin ruim anderhalf millioen zonder eenig nut weggeworpen. Korten tijd voor den val van koning Otto had men het, onder de leiding van een bekwaam beijersch botanicus, althans zoo ver gebracht, dat de zoogenoemde tuin ook eenigermate op een tuin begon te gelijken. Plantsoenen van jong, met zorg gekozen geboomte, vreemde gewassen, bloembedden, mochten als voorloopers van een gelukkigen omkeer worden begroet; maar de omwenteling van 1861 verdreef den kundigen directeur en benoemde in zijne plaats een dagbladschrijver, die zich hoegenaamd niet bekommerde om de aan zijne zorgen toevertrouwde planten. In de verwaarloosde en verwoeste perken ziet men nog slechts eenige ijzeren stangetjes, waaraan latijnsche opschriften zijn bevestigd: de laatste overblijfselen dezer wetenschappelijke inrichting.
Weldra brengt de weg ons in het beroemde olijvenbosch, door Sophokles verheerlijkt, en dat nog altijd bestaat ondanks Sylla en de Turken. De warme en krachtige toon van het groen der wijngaarden komt te sterker uit tegen het dunne, grijsachtige gebladerte dezer olijfboomen, waarvan enkelen een omtrek hebben van zes el, en meer dan waarschijnlijk een paar duizend jaar oud zijn.
Mannen, wier roode fez levendig afsteekt bij al dit groen, in het wit gekleede vrouwen, half naakte kinderen, zijn bezig met den wijnoogst; langs de kanten der besproeiingskanalen draven kleine grijze ezels, met groote manden vol reusachtige trossen zwarte druiven beladen. Die besproeiingskanalen doorsnijden het bosch in alle richtingen, en voeren het water van den Kephissus door de tweehonderd tuinen, die onder den lommer dezer eeuwenheugende boomen een schuilplaats hebben gezocht tegen het zonnebranden en tegen den noordenwind. De eigenaars dezer tuinen, bijna allen Albaneezen, hebben een bestuur ingesteld, dat voor de behoorlijke verdeeling van het bevloeiingswater moet zorgen en uitspraak doen in de te dezer zake gerezen geschillen. Die uitspraken worden altijd geëerbiedigd; er is geen voorbeeld van, dat iemand zich van de altijd verstandige en verzoenende beslissing van dit bestuur op de rechtbank heeft beroepen. Tweemaal per week wordt iedere tuin regelmatig door het vruchtbaarmakend water bedekt, dat door een lagen aarden dam verhinderd wordt, te spoedig weg te vloeien. Deze smalle strook, langs de vlakte van Attika, levert dan ook een in dit land zeer zeldzamen aanblik op, die te meer treft door de tegenstelling met de omringende landstreek: frisch en welig groen, een altijd vochtige grond, bloeiende boomen en malsche grasperken verheugen en verkwikken het oog, vermoeid van het staren op de grijze en naakte vlakte van Athene.
Op plaatsen waar het water der rivier niet komen kan, of ook wanneer, na een heeten zomer en een regenloozen winter, de bronnen en sprengen zijn uitgedroogd, behelpt men zich met norias, die het water opbrengen van dertig voet beneden den beganen grond. Reeds van verre hoort ge het eigenaardig geknars van die overoude werktuigen. Een mager, half blind paard, voortgedreven door een knaap met groote geestige oogen, brengt een eenvoudig raderwerk in beweging, waardoor kleine aarden potten worden opgevoerd, die een deel van het water onderweg verliezen en het overige uitstorten in een houten goot. Deze aartsvaderlijke toestellen beantwoorden zeker zeer slecht aan den regel der mechanica, dat de som van den arbeid evenredig moet zijn aan die der gebruikte beweegkracht; maar erkend moet het worden, dat zij oneindig veel schilderachtiger zijn dan de bewonderenswaardigste machine, afkomstig van het beroemdste huis van Manchester. Al onze moderne werktuigen zijn, zonder onderscheid, absoluut leelijk; maar van deze norias kan dit in geenen deele gezegd worden. Onder die schoone olijven, met hunne knoestige stammen, met hun schraal gebladerte, waardoor de zon zoo geestig speelt, wat leveren ze een prachtige stoffage, die norias! Laat in de nabijheid een palmboom zijn lange bladeren wiegden; laat een paar cypressen hun sombere kruinen verheffen in die heldere lucht, onder dien weergaloos blauwen hemel; geef aan den knaap, die daar half in de schaduw tegen de witte pilaren van de noria zit, met een lange zweep in de hand, geef hem het roode vest en den korten blauwen broek der landlieden van Attika:--en ge zoudt meenen, een dier wonderschoone schilderijen, waarop Decamps het Oosten zoo dichterlijk trouw heeft afgemaald, voor u te zien.
Een steenen brug voert over een der takken van den Kephissus, waarvan de stoffige, uitgedroogde bedding wel bewijst dat de oeverbewoners geen enkelen droppel verloren laten gaan van het kostbare vocht, door de natuur met zoo karige hand aan Attika toebedeeld. Hier placht, bij haar terugkomst van Eleusis, de groote processie der Panatheneeën stil te houden. Het volk wachtte, gemaskerd, den optocht bij de brug af, en begroette de ingewijden met een stortvloed van scheldwoorden en grove smaadredenen, zelfs de voornaamste en hoogst geplaatste personen aanrandende met eene bandelooze vrijpostigheid, waarvan de atheensche pers de traditie nog niet verloren heeft. De priesters en de ingewijden bleven evenwel niet in gebreke te antwoorden, en niet altijd behield de menigte, in dien zonderlingen tweestrijd, het laatste woord. In later tijd plakte men aan de palen der brug bijtende schotschriften, zoo als op het beeld van Pasquino te Rome.
Al te spoedig hebben wij het olijvenbosch, dat op het breedste punt niet meer dan twee kilometers beslaat, achter ons. De weg rijst door dorre heivelden, met wilde planten en kruiden begroeid, die de lucht met haar geuren vervullen. Nergens een boom, nergens een droppel water. Langs den weg verheffen zich enkele steenachtige heuvels, waarvan een op zijn top een klein klooster draagt. Dit klooster met zijn witgepleisterde muren heeft, zoo als doorgaans het geval is, de plaats ingenomen van een ouden heidenschen tempel, aan de zon gewijd. De zon heet in het grieksch helios, en langzamerhand is dat woord verbasterd tot den naam van den heiligen Elias, die nu te dezer plaatse vereerd wordt. Die zonderlinge vermenging tusschen de oude goden en de nieuwe heiligen ontmoet ge overal in dit land, waar de oude heidensche grondlaag nog altijd onder de dikwijls vrij oppervlakkige christelijke bedekking is te vinden. De heiligen, die men hier vereert, zijn fantastische wezens, gemetamorphoseerde goden, die in de nieuwe grieksche godsdienst--een mengeling van bijgeloof en rationalisme, die nog geheel het echt helleensche karakter vertoont--zonder veel moeite eene plaats konden innemen.
Vijf of zes oude monniken slijten daar op dien heuvel hunne dagen in volstrekte ledigheid en verstomping; zij hebben niets anders te doen, dan elken avond den heuvel af te dalen, om beneden aan den weg een kleine lantaarn aan te steken voor een zwart berookt heiligenbeeld in eene gemetselde nis. Voorts moeten zij, tweemaal in het jaar, aan de geloovigen der omliggende dorpen, tegen eene kleine vergoeding, de gelegenheid geven om een leelijken byzantijnschen Sint-Elias, olijfgroen op gouden grond, te kussen.
Een weinig verder bevinden wij ons op de plek, waar volgens de overlevering de apostel Paulus stil stond, om nog eenmaal een blik te slaan op de stad, die hem uitwierp ter wille zijner fouten tegen de spraakkunst. Van Antiochië, dwars door Klein-Azië, gekomen om het Evangelie te prediken, had hij inderdaad, van de klassieke hoogte van den Areopagus, het woord tot de mannen van Athene gevoerd; maar wat bekommerden die vrijdenkers en spotters zich om den "Onbekenden God", zij, die reeds zoo vele goden hadden en die goden zoo bitter weinig telden! Wat echter bovenal mishaagde aan dit volk, rijk bedeeld met geest, maar inderdaad arm aan gemoed, was niet zoozeer de leer, die de apostel verkondigde, maar de wijze waarop hij dat deed: zijne nu eens verhevene, dan weder ruwe en onbevallige welsprekendheid, die er meer op aangelegd was om in het geweten te grijpen, dan de zinnen te streelen. Wat dezen dillettanten, aanbidders van den vorm vóór alles, aanstoot gaf, dat waren de fouten van den zinbouw en de onzuiverheid van den stijl. De rhetoren en pedagogen haalden, met een verachtelijken glimlach, de schouders op en wendden zich af; de spotzieke menigte floot hem uit; Paulus moest de stad verlaten, en de Atheners bleven wat zij nog heden zijn: het meest praatzieke en het minst godsdienstige volk der wereld.
Weldra daalt de weg in eene kleine vallei af, ingesloten door twee steile rotswanden, met dennen begroeid, en bij een der krommingen verliezen wij de vlakte van Athene uit het oog. Hier ligt, tusschen de bergen verscholen, het kleine klooster van Daphné, dat door de Benedictijner-monniken van Citeaux om eene oude byzantijnsche kerk werd gebouwd, in de dagen toen een edelman uit Champagne, Otto de la Roche, den titel voerde van hertog van Athene.
Even als alle middeleeuwsche kloosters, is ook dit versterkt: een zware, gekanteelde muur van acht tot tien ellen hoog, omgeeft de gebouwen, binnenhoven en tuinen; van afstand tot afstand springen torens een weinig vooruit, terwijl aan de binnenzijde een op bogen rustende weg gelegenheid gaf de wallen rond te gaan. Het binnenhof is aan drie zijden door gebouwen omringd; op de eerste verdieping bevinden zich de cellen, die op eene houten galerij uitkomen; beneden, onder zware booggangen, zijn de keukens, de voorraadkamers, de eetzalen en andere vertrekken tot allerlei dienst bestemd. De meesten liggen in puin; de anderen worden bewoond door eenige landlieden en schapen. De kerk is eene van de oudste en merkwaardigste van het byzantijnsche tijdvak, en is waarschijnlijk, naar de bouworde te oordeelen, uit de zesde of zevende eeuw afkomstig. Nevens de kerk verrijst een vierkante toren, door de Benedictijnen gebouwd, zoowel om daarin de klokken op te hangen, als om tot wachttoren en uitkijk te dienen.
Het inwendige der kerk vertoont een zeer opmerkelijk specimen van de mozaïeken, waarmede de byzantijnsche kerken uit dien tijd werden versierd, en die hoogst zeldzaam zijn, dewijl de Grieken hoegenaamd geen zorg hebben gedragen voor het behoud van dezulken onder deze kunstwerken, die aan de ruwe beeldstormerswoede der Turken waren ontsnapt. Ook hebben deze mozaïeken zeer veel geleden; de vochtigheid doet geheele stukken van de kalk van het gewelf afvallen, die op den steenen vloer in stukken springen; de turksche kogels hebben menig beeld geschonden, toen het klooster, tot militairen post ingericht, in al de wisselingen van den onafhankelijkheidsoorlog deelde; eindelijk hebben de vuren der herders, en na de herstelling der orthodoxe eeredienst, de waskaarsen der papas de gewelven met een vuile rooklaag bedekt en op vele plaatsen de kleur bijna onkenbaar gemaakt. Boven in den koepel prijkt nog, geheel ongeschonden, een reusachtige Christuskop op gouden grond. Beneden aan den koepel ziet men de twaalf apostelen, met bijbelsche bijschriften; daaronder, tusschen de vensteropeningen, de profeten; op de bogen der vier pilaren, die den koepel dragen, de Aankondiging, de Geboorte, de Doop en de Verheerlijking.
Er is genoeg gezegd over de stijfheid en onnauwkeurigheid der byzantijnsche mozaïeken; maar wanneer de stralen der avondzon haar slechts met een geheimzinnigen schemerglans verlichten, waarin de onvolkomenheden der techniek bijkans verdwijnen, dan maken die groote hiëratische figuren op gouden grond, die scheppingen eener aan strenge regelen gebonden kunst, toch een indruk van onweerstaanbare, vorstelijke majesteit; dan kunt ge begrijpen, hoezeer de aanschouwing van die bovenaardsche beelden de schare treffen moest, wier godsdienstig gevoel niet bedorven werd door meer of minder wijsneuzige esthetische kritiek.
De kloosters, gedurende de bezetting van Griekenland door de Franschen gesticht, hebben ongelukkig geen kronieken nagelaten, en ook de geschiedschrijvers maken zeer weinig melding van hunne lotgevallen. En toch zou men zoo gaarne, in hun nieuw vaderland, die monniken volgen, die hunne fraaie abdij van Bourgondië verlaten hadden, om in het verre vreemde land de afgedwaalde scheurmakers te onderwijzen, en wat het zwaard der kruisridders begonnen had, door hunne prediking te voltooien. Maar vele van die ridders hadden het witte kruis verruild voor eene kroon, en eene voorzichtige staatkunde gebood hun, jegens hunne nieuwe onderdanen eene gematigheid en verdraagzaamheid in acht te nemen, die soms kwalijk strookte met den vurigen bekeeringsijver der Benedictijnen.