De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 60
En men meene niet, dat deze ongeletterde lieden geheel of voor het meerendeel vreemde landverhuizers zijn: iersche arbeiders, duitsche landbouwers, Chineezen, Afrikanen enz. Volstrekt niet. Vooreerst kunnen de duitsche en chineesche landverhuizers, in den regel, wel lezen en schrijven;--ik heb nog nimmer een Chinees ontmoet, die niet kon lezen, en maar zeer weinigen, die niet konden schrijven--natuurlijk in hun eigen taal. Maar volgens de statistiek zijn van die vijf millioen zeshonderdduizend, die niet lezen en schrijven kunnen, slechts zevenhonderd-vijftigduizend personen niet in Amerika geboren. Natuurlijk worden bij deze opgaven de negers medegerekend; maar de negers zijn nu ook amerikaansche burgers, met politieke rechten. Hun aantal in deze statistiek bedraagt twee millioen zevenhonderd-vijftigduizend. Dan komen nog eenige getallen in aanmerking voor roodhuiden en Chineezen; maar na aftrek van negers, roodhuiden en gelen, blijven er dan toch nog twee millioen achthonderdduizend zuivere blanken over, die noch lezen, noch schrijven kunnen, en daarvan zijn ruim twee millioen echte geboren Amerikanen! Als men nu daarbij overweegt, hoe bitter weinig de bloote kennis van lezen en schrijven voor de intellectueele ontwikkeling bewijst, dan zal men den grooten roep over het amerikaansche volksonderwijs zoo wat op zijne wezenlijke waarde kunnen schatten.--Echter moet worden erkend, dat sedert deze verbazingwekkende feiten aan het licht kwamen, van verschillende zijden, met ernst en kracht, de hand aan het werk is geslagen, om in dezen jammerlijken toestand--mede voor een groot deel het gevolg van den burgeroorlog--verbetering te brengen. Daar zullen echter vele, vele jaren moeten verloopen, en daar zal nog zeer, zeer veel gedaan moeten worden, eer de model-republiek, ook wat het volksonderwijs aangaat, zich op gelijke lijn kan stellen met de meeste staten in Europa.
Laat ons, ten slotte, met een enkelen blik, den huldigen toestand overzien.
De natuurlijke hoofdvoorwaarden voor nationale ontwikkeling zijn overal: grond en bevolking. Ook Amerika dankt aan den overvloed van beiden in de eerste plaats zijn voorbeeldeloos snellen wasdom. Tot nu toe heeft de stroom van immigranten niet stil gestaan, en voor allen was er grond en woning in voorraad. Zal dit zoo blijven?
Sedert het einde van den onafhankelijkheidsoorlog heeft Europa meer dan negen millioen menschen aan Amerika geleverd. Blijkens de volkstelling van 1870 waren vijf-en-een-half millioen inwoners op vreemden grond geboren; terwijl van bijna elf millioen hetzij de vader, hetzij de moeder vreemdeling van geboorte was. Van de zeven Amerikanen was er dus één van geboorte vreemdeling; en bijna één van de drie was althans deels van vreemde afkomst. Geen ander land telt zoo vele vreemden in zijn gebied.
Van de ongeveer tien millioen menschen, die uit verschillende wereldstreken naar Amerika zijn verhuisd, zijn bijna zes millioen van de Britsche eilanden en van Britsch Amerika afkomstig; en ruim twee-en-een-half millioen van Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, doch zonder Polen en Hongarije. Van de niet-europeesche staten heeft China het grootste getal geleverd; dan volgen West-Indië en Mexiko. Maar de bijdragen van landverhuizers uit Azië, Afrika, Australië en Amerika (met uitzondering van Engelschen) beloopen nog niet één per dozijn. De republiek is dus hoofdzakelijk bevolkt door personen, uit Engeland en Duitschland afkomstig.
Zal nu deze toevloed van engelsche en duitsche kolonisten ook in het vervolg, op dezelfde groote schaal, blijven voortduren? Niemand die het gelooft. Daar zijn vele teekenen, meer of minder duidelijk en openbaar, die recht geven tot de uitspraak, dat deze landverhuizing haar toppunt reeds heeft bereikt en verder voortdurend af zal nemen.
Gedurende veertig jaren (1820-'60) klom het cijfer der emigranten uit engelsche havens met ieder tiental jaren. In het eerste tiental bedroeg dit cijfer honderd-twee-en-vijftig-duizend; in het tweede tiental steeg het tot omstreeks zeshonderd-duizend; in het derde tot een millioen-zevenhonderdduizend; in het vierde tot twee-en-een-half millioen. Dan volgt een stilstand. Gedurende twee jaar daalde het cijfer, niet alleen in evenredigheid tot de vroegere vermeerdering, maar ook wat het werkelijk aantal personen betrof. Toen de oorlog uitbrak, en zoo lang die duurde, werden een aantal Ieren, door het vooruitzicht van hooge soldij en goed voedsel, verlokt om naar Amerika te gaan. Maar zelfs toen werden de vroegere cijfers van emigranten nooit meer bereikt. De bronnen, waaruit de stroom ontsprong, begonnen op te drogen. Door de engelsche regeering werd en wordt nog niets gedaan, om de verhuizing des volks naar Amerika tegen te gaan: het recht om zijn eigen woonplaats te kiezen, wordt als een onschendbaar recht des menschen beschouwd. Integendeel zijn, zoowel door de regeering als door particulieren, allerlei maatregelen genomen om de landverhuizing te bevorderen en gemakkelijk te maken. En toch, ondanks dat alles, neemt de beweging af; ja, is er zelfs reeds eene beweging in tegenovergestelde richting begonnen. Scharen van landverhuizers keeren naar Europa terug, en nog grootere scharen zouden dit doen, indien hunne middelen het hun veroorloofden. Van Portland tot Nieuw-Orleans worden onze consuls onophoudelijk lastig gevallen met aanvragen om vrijen overtocht, dien zij niet bezorgen kunnen. De verhouding tusschen de aankomende en de terugkeerende landverhuizers is niet na te gaan, want van de vertrekkenden wordt geen aanteekening gehouden. Maar de persoonlijke ervaring leert mij, dat menschen van allerlei beroep, zoowel stedelingen als landbouwers, hun best doen om terug te keeren. Onze regeering doet niets om deze beweging in de hand te werken: een landverhuizer als zoodanig kan op geenerlei ondersteuning rekenen: niettemin spannen duizenden en tienduizenden al hunne krachten in om naar Liverpool en Cork terug te keeren. Tien jaar geleden, vondt ge in Munster of Essex geen enkelen boer of arbeider, die in Amerika was geweest: Amerika was voor allen het beloofde land, en niemand dacht er aan, daaruit terug te komen. Tegenwoordig is dat anders. In bijna ieder dorp nabij Cork vindt ge boeren, die te Chicago of Saint-Louis zijn geweest. In den omtrek van Ongar en Brentwood is het geen zeldzaamheid arbeiders aan te treffen, die met u over Kansas spreken kunnen. Zij hebben het beloofde land aanschouwd, en zijn toch tot hunne oude woningen teruggekeerd.
Uit Duitschland schijnt voortaan geen rijker toevoer van landverhuizers te wachten dan uit Groot-Brittannië; laat mij liever zeggen nog minder, want prins Von Bismarck heeft zijne aandacht gewijd aan deze beweging en tracht de oorzaken der voor het vaderland zoo schadelijke landverhuizing weg te nemen.
Even als Engeland, leverde ook Duitschland in ééne dekade het grootste aantal landverhuizers, waarna de beweging afnam. In de eerste tien jaren van hetzelfde tijdvak (1820-'60) vertrokken uit Duitschland, met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, nog geen achtduizend zielen; in het tweede tiental klom dit cijfer tot honderdvijftigduizend; in het derde, tot vierhonderd-dertigduizend; en in het vierde tot negenhonderd-vijftigduizend. Toen kwam ook hier de stilstand. Gedurende de drie volgende jaren daalde het cijfer. Tijdens den burgeroorlog wies ook weer tijdelijk de stroom der duitsche landverhuizing, maar ook hier werden, ondanks de verlokkingen van hooge soldij en goed voedsel, de cijfers van 1853 en 1854 nooit meer bereikt. De bronnen schenen op te drogen. Sedert is in Duitschland eene geheele omkeering tot stand gekomen. De pruisische regeering, thans de leidende macht in Duitschland, is niet gezind de landverhuizing ongestoord haar gang te laten gaan; reeds zijn er te velen vertrokken. Wel zal de regeering de landverhuizing niet rechtstreeks verbieden, maar ongetwijfeld zal zij die trachten te beperken en te voorkomen, door zooveel mogelijk de oorzaken weg te nemen, die de lieden bewegen elders hun levensonderhoud te gaan zoeken. Het laat zich dus niet aanzien, dat in het vervolg vele millioenen Duitschers naar Amerika zullen verhuizen.
Dit voor zoo veel het volk betreft. En nu het land. Mogen wij de opgaven en de verslagen van generaal Hazen gelooven, dan is de voorraad van land evenmin onuitputtelijk als de toevoer van kolonisten. Vele illusiën daaromtrent zijn bij nauwkeuriger onderzoek geweken. Toen Louisiana van Frankrijk werd aangekocht, achtte men dit grondgebied schier grenzenloos; niemand wist hoe ver het zich naar het westen uitstrekte, ter nauwernood waar de noordelijke grens te vinden was. Toch is nu reeds iedere bunder van dat grondgebied bezet, en voor zoover de arme en moerassige bodem toelaat, ook in cultuur gebracht. Hetzelfde was het geval toen Illinois, Jowa, Nebraska, Kansas ingelijfd werden. Die streken, meende men, boden overvloedig ruimte aan voor een onnoemelijk getal menschen, elk minstens voor dertig millioen, met eene boerderij voor ieder gezin. In deze vier staten is ook al het land reeds ingenomen: althans al het land, dat de moeite der inbezitneming loont. Het grootste gedeelte van Kansas en Nebraska, en wijde, onafzienbare streken in Dakota en Colorado, zijn voor nederzetting en kolonisatie geheel ongeschikt. Idaho, Montana, Wijoming en Utah zijn bergplateaux, voor het grootste gedeelte hoog en dor, over het geheel genomen slechts geschikt voor veeteelt op zeer groote schaal, zoo als alleen voor kapitalisten mogelijk is. Langs den oever van den Stillen-oceaan, van Washington tot Opper-Californië, is geen "wild land" meer over, en nog maar een klein deel werkelijk bruikbaar domaniaal land. Volgens Hazen geldt ditzelfde ook van Texas, Nieuw-Mexiko en Arizona. In de nabijheid van den Mississippi is de grond vochtig genoeg: maar naarmate men den Stillen-oceaan nadert, wordt de bodem hooger en dorder. Water en hout worden zeldzaam; de winter is hier zeer streng. Hier en daar vindt men wel eene vruchtbare vallei en enkele liefelijke oasen in de woestijn, zoo als Sint-George aan de Rio Virgen, maar over het geheel genomen is het land uitgedroogd, naakt en dor. In Utah en Colorado is de natuur minder ongunstig: maar de oppervlakte van het voor bebouwing geschikte terrein is ook daar zeer gering; verder noordwaarts is de grond arm, de hoeveelheid regen van weinig beteekenis, de plantengroei schraal en de koude zeer streng.
De slotsom van generaal Hazen is, dat er binnen de grenzen der republiek nog maar zeer weinig land over is van zoodanige kwaliteit, dat degelijke kolonisten daardoor tot verhuizing zouden worden uitgelokt.
Zijn deze opgaven juist--en zeer bevoegde personen verzekeren mij dat ze juist zijn--dan is het einde van den buitengewonen, exceptioneelen toestand, waarin Amerika tot dusver verkeerd heeft, nabij. Voor het vervolg zal de republiek dan op eigen krachten moeten steunen en zich zelve helpen, en kan zij voortaan van Europa geene andere of meerdere hulp verwachten dan bij voorbeeld Engeland van Duitschland, of Italië van Frankrijk verwacht.
Met haar schier voorbeeldeloos verleden mag Amerika voorzeker op eene schoone toekomst hopen. Maar er zijn dreigende teekenen, die niet over het hoofd mogen worden gezien. De strijd is nog niet volstreden; het groote werk nog niet voltooid. Zal het blanke ras in Amerika zijne meerderheid tegenover vreemde elementen handhaven, dan zullen alle blanken zich aaneen moeten sluiten en, met terzijdestelling van dwaze theorieën en zelfzuchtige berekeningen, den werkelijken toestand ernstig onder de oogen zien en zich doordringen van het besef hunner onderlinge solidariteit. Zal de republiek inderdaad met vrucht arbeiden aan het groote werk der algemeene ontwikkeling en beschaving, dan moet zij, in stede van voortdurend te roemen op de verkregen resultaten, in de eerste plaats haar aandacht schenken aan de gevaarlijke wormen, knagende aan de wortelen van dien wonderboom. Dan moeten binnenlandsche twisten en partijschappen worden ter zijde gesteld; dan moet bovenal de grenzenlooze zelfzucht, het allesoverheerschende materialisme, de weergalooze corruptie, met alle kracht worden bestreden, en met ernst en toewijding de hand geslagen aan de groote taak, ook voor dit volk weggelegd, en die alleen door eendrachtige samenwerking van alle werkelijk beschavende en veredelende krachten kan worden vervuld.
Schipbreuk van de Cospatrick.
De Cospatrick, een schip van veertig ton, bemand met veertig man, gezagvoerder kapitein Elmslie, zou vierhonderd landverhuizers, voornamelijk werklieden en boerenarbeiders met hunne gezinnen, van Engeland naar Nieuw-Zeeland overbrengen. Den 12den September 1874 vertrok het schip uit de haven van Deal. Aanvankelijk was de reis in alle opzichten voorspoedig, tot in den nacht van den 17den November, toen een geweldige brand uitbarstte, die weldra zoozeer in hevigheid toenam, dat er, ondanks de ijverige pogingen en krachtsinspanning der bemanning, geen hoop op redding meer overbleef. Het schip bevond zich toen op zeven-en-dertig graden zuiderbreedte, en twaalf graden oosterlengte, op ongeveer tweehonderd mijlen van kaap de Goede-Hoop.
Naarmate de Cospatrick meer en meer door het vuur overweldigd werd, vertoonde zich op het dek een schouwspel, waarvan de verschrikkingen alle beschrijving te boven gaan. Door radeloozen angst en wilde vertwijfeling gedreven, drongen en joegen de passagiers, mannen, vrouwen en kinderen, in toomelooze wanorde, onder luid gegil en hartverscheurend geschreeuw, naar de booten. Om aan het vuur te ontkomen, sprongen zij in zee, en verdwenen in de golven, zonder dat het mogelijk was, hun hulp te verleenen. Slechts aan twee booten gelukte het, de open zee te bereiken. Al de andere sloepen waren of verbrand, of gezonken onder het wicht der overtalrijke passagiers, die daar een toevlucht hadden gezocht.
Twee dagen duurde de bange doodstrijd van het schip: eerst op den 19den November ging het te gronde. De kapitein Elmslie, zijne vrouw, hun jonge zoon en de scheepsdokter Cadle, bleven tot op het laatste oogenblik aan boord, op het brandende dek. Toen het vuur eindelijk hunne laatste wijkplaats had bereikt, sprongen zij over boord, en verdronken onder de oogen der passagiers, die zich in de booten hadden geborgen, en die zich nog niet hadden verwijderd, maar toch niet bij machte waren, de ongelukkigen te redden.
De beide booten bleven gedurende den 20sten en 21sten November bij elkander; toen werden zij door eene hevige windvlaag gescheiden. Van de eene boot, waarin zich de eerste officier, zes matrozen en vijf-en-twintig passagiers bevonden, heeft men nooit meer iets vernomen. De andere sloep, waarover de tweede officier, de luitenant Macdonald, het bevel voerde, en waarin zich vijf-en-twintig personen bevonden, had noch masten, noch zeilen. Met behulp van de japon van een der vrouwelijke passagiers, werd een soort van zeil vervaardigd. Maar het ontbrak aan water en aan levensmiddelen; en den 22sten begonnen honger en dorst zich ernstig te doen gevoelen. Een matroos, die het roer hield, viel in zee en verdronk. Den 25sten was het getal der schipbreukelingen tot acht geslonken, waarvan drie hun verstand hadden verloren. Deze overblijvenden hadden hun leven gerekt door het bloed der lijken te drinken.
Den 26sten vóór zonsopgang, voer een schip dicht langs de sloep. De schipbreukelingen riepen en maakten teekenen, maar werden waarschijnlijk niet opgemerkt: althans er volgde geen antwoord. Den 27sten stak de wind op en begon het te regenen: maar de ongelukkigen konden slechts enkele droppels opvangen. Op nieuw bezweken drie mannen; van de vijf die overbleven, waren er twee krankzinnig. Allen waren in bijna gevoellooze verdooving verzonken. Eindelijk, in den morgen van den tienden dag, werd luitenant Macdonald uit zijn bewusteloosheid gewekt, omdat een zijner metgezellen, in een aanval van waanzin, hem in den voet beet. Op het eigen oogenblik ontdekte hij een groot schip, dat de sloep naderde. Het was de British-Sceptre, die van Calcutta naar Dundee ging. De schipbreukelingen werden aan boord opgenomen en met de grootste zorgvuldigheid verpleegd. Maar de twee ongelukkigen, die krankzinnig waren geworden, stierven in waanzin; de drie anderen werden den 8sten December te Sint-Helena aan wal gezet en met de paketboot Nyanza naar Engeland teruggevoerd.
Reis door Australië.
I.
Een reisverhaal door Australië heeft voor den nederlandschen lezer iets aantrekkelijks en belangwekkends. De naam toch, dien zich de onsterfelijke Genuëes Columbus ten opzichte van Amerika heeft verworven, komt, wat Australië aanbelangt, aan onze landgenooten toe: van den eersten bodem die de Eilandenzee kliefde, woei de nederlandsche vlag.--En al moge op dit oogenblik diezelfde driekleur slechts nog wapperen op een gedeelte van het eiland Nieuw-Guinea, en overigens nog slechts enkele namen van kusten op Nieuw-Holland en eilanden hier en daar in Polynesië aan Hollanders herinneren, toch roepen die namen ons dat heldentijdvak onzer historie voor den geest, toen onze landgenooten zich baan braken langs vroeger onbekende wegen en van den hollandschen naam deden gewagen, zoowel in de Poolstreken als onder de Evenachtslijn.
Dit woord meenden wij te moeten laten voorafgaan, alvorens mededeeling te doen van een ontdekkingstocht door West-Australië, door twee rijke bewoners van het zuidelijk deel van dat werelddeel, de heeren Elder en Hughes, in het jaar 1872 georganiseerd. De leiding van den tocht was opgedragen aan een oud officier van het britsch-indische leger, den kolonel Egerton Warburton. Een verhaal van die reis heeft in Engeland het licht gezien, en wij zullen trachten in de volgende bladzijden van dit verhaal een kort overzicht te geven.
De expeditie bestond uit zeven reizigers: kolonel Warburton, geboren in 1813; zijn zoon Richard, geboren in 1840; den heer I.M. Lewis; twee kameeldrijvers uit Afghanistan, Sahleh en Halleem; een kok, die tevens kameeldrijver was, Dennis White, en Charley, een jonge Australiër.
Een der bijzonderheden van dezen ontdekkingstocht was het gebruik van kameelen.
Eerst in 1866 zijn deze dieren in vrij grooten getale in Australië inheemsch gemaakt door den heer Elder zelven, die hen met afghaansche kameeldrijvers uit Indië had doen overkomen. De uitstekende diensten, die zij aan kolonel Warburton bewezen hebben, zullen er voorzeker het hunne toe bijbrengen, om deze poging van acclimatatie aan te moedigen.
De karavaan telde zeventien kameelen: vier om op te rijden, twaalf om de bagages en het voor zes maanden aangeschafte proviand te dragen; éen diende als reserve.
Den 15den April 1873 verlieten de reizigers de Alice-bronnen (Alice Springs), een station in het midden van Nieuw-Holland gelegen. Dit was het eigenlijke uitgangspunt der expeditie, die zich ten doel stelde de westkust van Australië te bereiken, door het hart van het land heen, eene streek die het nog geen reiziger gelukt was door te trekken.
Reeds in de eerste dagen leed de karavaan gebrek aan water, waarmede zij telkens te kampen zou hebben. Door nasporingen in verschillende richtingen te doen, gelukte het den reizigers bronnen of kleine beken te ontdekken, die hun gelegenheid gaven hunnen watervoorraad te ververschen, hetgeen vooral voor de kameelen onontbeerlijk was.
Terwijl men in noordwestelijke richting voorttrok, vertoonde zich weldra de spinifex, de plant die zoo herhaaldelijk vermeld wordt door alle reizigers in centraal Australië. Het is een met stekels voorzien kruid, dat in dichte bossen groeit, van achttien duim tot vijf voet diameter. Als de loten jong zijn, zijn zij groen; maar naar gelang zij ouder worden, nemen zij een tint aan die aan stroo herinnert, en in plaats van het landschap leven bij te zetten, geven zij er een nog treuriger en doodscher voorkomen aan. Zelfs de kameelen willen er niet van eten, en terwijl zij zich met moeite een weg banen door het dicht bewassen doolhof, passen zij er toch op niet op de planten te trappen. De hoogte der scherpe stekels wisselt zoodanig af, dat de kleine punten de paarden of kameelen even boven den hiel treffen, en de lange dorens in de knieschijf doordringen. Deze stekelige spinifex, ook triodia genoemd, is eene der grootste plagen, die men bedenken kan, en het behoeft geene vermelding, dat waar deze plant groeit de streek ongeschikt is voor veeteelt.
Toen de maand Juni was aangebroken, hadden de reizigers op verre na niet den weg afgelegd, dien zij zich hadden voorgesteld. De strijd met de woestenij nam nu een meer dramatisch karakter aan; wij zullen verder het woord laten aan kolonel Warburton, en een en ander uit zijn dagboek mededeelen.
II.
Den 12den Juni liet ik halt houden om de kameelen wat rust te gunnen. Den volgenden morgen ging ik met twee metgezellen op verkenning uit naar een heuvelrij, maar het uitzicht dat zich van alle zijden, behalve van die waarvan wij gekomen waren, voor ons opdeed, was niet geschikt om ons op te vroolijken. Wij zagen niets dan een vlakke, zandige streek, hier en daar met eenige groepen van casuarinas bedekt, en verder overal met de noodlottige spinifex. Er moest ergens in de buurt water zijn, maar het gelukte ons niet te ontdekken waar.
Op de volgende dagen begon zich de spinifex in nog grooter hoeveelheid te vertoonen; zij bedekte het land zoover men zien kon. Het was noodeloos in die richting onzen tocht verder voort te zetten, en wij keerden terug. Op dien terugweg bemerkten wij eene inboorlinge, met een kleinen jongen en een pasgeboren kind. Mijne makkers wilden haar achtervolgen: maar de kameelen lieten zich niet zoo gemakkelijk mennen, en in dien tusschentijd was de vrouw ons te vlug af; zij nam de vlucht, terwijl zij alles wegwierp, uitgezonderd het kleine kind, dat zij in hare armen had. Zoo gelukte het haar, te ontkomen. Charley kreeg echter den kleinen jongen in zijn macht, die niet de minste vrees toonde; hij keek ons en onze kameelen aan, als ware hij volkomen aan dat gezicht gewend. Wij plaatsten hem voor Charley op zijn kameel, en gaven hem door gebaren te verstaan, dat hij ons een plek zou aanwijzen, waar wij ons water zouden kunnen verschaffen. Deze nieuwe manier van reizen scheen den kleinen schalk niet bang te maken: in zijne taal en door zijne gebaren wees hij ons in westelijke richting. Wij gingen in die richting voort: maar nu ontdekte de scherpe blik van Charley eenige kleine vogels die van den grond opvlogen; hij liep naar de plek, en vond inderdaad twee natuurlijke putten vol water.
Deze natuurlijke putten, van welke zoo dikwijls het leven der reizigers in Australië afhangt, en die het alleen mogelijk maken dit land te doorreizen, zijn niets meer dan zeer kleine holten of kuilen in het zand, waar het water, als niet aan den invloed der zon blootgesteld, ook niet zoo sterk verdampt. De diepte is gewoonlijk vijf voet, somtijds echter ook meer. Zelfs over dag zou men dicht langs deze zoogenaamde putten kunnen trekken, zonder ze op te merken; des nachts is het volslagen onmogelijk ze te ontdekken.
Den 26sten rukten wij voort naar het westen; aan den gezichteinder in het noordwesten werden lage heuvels zichtbaar; het terrein begon langzamerhand eene zacht golvende gedaante aan te nemen.
Ik beklom een heuveltop, om het omliggende land te overzien: een weinig bemoedigende aanblik. Op dien top vonden wij dunne steenplaten, breed vijftien duim en lang zes duim, die aan de hoeken afgerond waren en bedekt met krabbels, waaraan wij geene beteekenis konden hechten; en een kogel, evenzeer van steen, zoo groot als een sinaasappel. Wat deze voorwerpen moesten beduiden, en met welk doel zij daar waren neergelegd, konden wij niet begrijpen.