# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatië in vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in zeer hooge, steile rotskegels.

Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatië vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt, twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, en zich in de moerassen boven Fort-Opus verliest.

De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt; in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin, vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom des lands; en de Dalmatiër, hoezeer matig en arbeidzaam van aard, aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud te voorzien. De oude bosschen van Dalmatië, die nog in den atlas van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen, bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen Dalmatië bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt, niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt en regelen gesteld voor het weiden.

Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede, op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven, en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatië is sterk, moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt, bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatië, niet ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen, gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde, sterk gespierde Dalmatiërs, met hunne edele gelaatstrekken en hun krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde, op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder volkomen dan vroeger.

Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatië is geen land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.

Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij zich draagt. De Dalmatiër is gastvrij, en geheel onbekend met die streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven; de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden, muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog; maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatië wil gaan reizen, moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners, ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol rijst verschaffen konden.

De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die het in drie provinciën verdeelden, een soort van vazalstaten, welke wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche koloniën te Lissa en Trau aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke jaartelling was geheel Dalmatië eindelijk voor goed onderworpen aan de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land den naam gedragen van Illyrië; nu werd het Dalmatië genoemd, en daar het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis, moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde Dalmatië in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruïnen aanschouwen: Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.

Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviërs, die het land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatië onder de heerschappij der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings oefent bijna iedereen de heerschappij in Dalmatië uit: de Sarraceenen, de Venetianen, de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten zulke verwoestingen aan, dat Venetië de Dalmatiërs te hulp komt, en, tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.

Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland van Cattaro tot aan de golf van Triëst; van weerszijden worden gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De heerschappij van Venetië duurde, ondanks de pogingen van enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden, driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio, den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrië, Dalmatië, de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro en Venetië zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatië aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk Italië in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van Dalmatië. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu werd het echter van Italië gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische provinciën vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal, die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.

Het koningrijk Dalmatië is in vier kreitsen verdeeld, die elk een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara, Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza, Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de districten Curzola, Sabioncello, Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten; Spalato, tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro, honderd-vier.

Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatië tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk Marmont eene volkstelling liet houden, schatte hij de bevolking op tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend; de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang; niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid des lands.

Venetië oefende haar gezag uit door middel van beambten, die naar Dalmatië gezonden werden om in naam van de republiek en den Senaat het bewind te voeren; zij droegen den naam van proveditoren, en waren zoowel met het burgerlijk als het militair gezag bekleed; naar gelang van de belangrijkheid der stad, voerden zij den titel van graaf, gouverneur, kapitein of burchtvoogd, maar zij stonden allen onder de bevelen van den proveditor-generaal, die rechtstreeks briefwisseling voerde met den Senaat en den Doge. Te Zara en te Spalato werden die proveditoren in het bestuur bijgestaan door een raad van drie patriciërs, uit Venetië gezonden. Maar daar de republiek nimmer haar stelsel van argwanende controle liet varen, en daar zij hare koloniën wenschte te beschermen tegen mogelijk misbruik van macht van de zijde dezer proveditoren, werd telkens om de drie jaar eene buitengewone commissie, bestaande uit drie senatoren, afgevaardigd, om een algemeen onderzoek in te stellen, en tevens aan allen, die meenden zich over handelingen van het bestuur te moeten beklagen, gelegenheid te geven, die klachten persoonlijk in te brengen. Deze buitengewone commissarissen traden met groote staatsie en veel vertoon van indrukwekkende macht op: tot hun gevolg behoorde ook de beul, in het rood gekleed en met het zwaard in de hand. Later werd, vooral op aandrang der proveditoren, de taak dezer commissie eenigszins gewijzigd.

Tegenwoordig heeft iedere stad haar gemeenteraad, die belast is met de zorg voor de stoffelijke en zedelijke belangen der burgerij. De behartiging van de algemeene belangen des lands is opgedragen aan den Landdag van Dalmatië, eene vertegenwoordigende vergadering, waarvan de leden gekozen worden, en die te Zara bijeenkomt. De Landdag vaardigt eenigen zijner leden af naar den Rijksdag te Weenen; de bijzondere belangen van Dalmatië worden dus ook in de hoogste regeeringscollegiën der monarchie vertegenwoordigd. De zittingen van deze vergadering te Zara kunnen soms onstuimig genoeg zijn, wanneer de politieke hartstochten der verschillende partijen worden opgewekt.

In den Landdag van Dalmatië staan, even als in dien van Istrië, drie partijen tegenover elkander: de italiaansche partij, de slavische partij, en de duitsche partij. Elk van deze drie maakt voor zich aanspraak op de heerschappij. De groote intellektuëele en staatkundige beweging, in de laatste jaren voornamelijk van Agram uitgegaan, en de oprichting eener slavische universiteit, hebben de slavische partij aanmerkelijk versterkt en een vasten bodem voor haar streven geschapen. De slavische idee ligt ten grond aan de herhaalde bewegingen en opstanden in de aangrenzende turksche provinciën; zich harer kracht bewust, streeft zij er naar, zich een vasten vorm te verschaffen, uitdrukking te vinden, tot werkelijkheid te worden. Het ware roekelooze verblinding, dit niet te zien, en gevaarlijke zelfmisleiding het gewicht van deze verschijnselen te miskennen. Blijkbaar woelt en werkt in de gemoederen dezer bevolkingen het denkbeeld eener slavische eenheid; en wellicht is de dag niet zoo verre meer, waarop de Slaven in Bohemen en Moravië, of althans die in Kroatië, in Servië, in Bosnië, in Herzegowina, in Dalmatië, in Bulgarije en Montenegro, alle onderlinge verdeeldheid vergetende, en de slagboomen, die hen nu nog scheiden, verbrekende, zich onder de banier van één hoofd zullen scharen, en met haastige schreden zullen jagen naar de verwezenlijking van een ideaal, waarvoor men nog niet durft uitkomen, maar dat geen geheim kan zijn voor ieder, die met eenige aandacht de stemming der bevolking in deze gewesten heeft gade geslagen.

Niemand kan zeggen, hoe lang het nog duren zal eer de groote slavische beweging zulke kolossale afmetingen zal aannemen, en eene overweldigende macht zal worden. Om haar einddoel te bereiken, zal zij zeer geduchte vijanden moeten overwinnen en een harden kamp hebben te voeren; voor meer dan één europeeschen staat geldt het hier inderdaad de kwestie van te zijn of niet te zijn. Welke houding zal Rusland, welke Oostenrijk tegenover deze beweging aannemen? Van welken invloed zal zij zijn op de naaste toekomst van het vermolmde rijk der Osmanlis? Ziedaar vragen, waarin wij ons nu niet willen verdiepen, en waarop het ook onmogelijk is, thans een antwoord te geven. Dit is zeker: even als Europa eene italiaansche en eene duitsche kwestie gekend heeft, waarvan de tijdelijke of definitieve oplossing op stroomen bloeds en tranen is komen te staan, zoo zal het ook weldra eene slavische kwestie leeren kennen, die niet minder beroeringen, omwentelingen en oorlogen in haar schoot verbergt. Ieder ziet en gevoelt dit; zonderling echter is het, dat zij, die, waar het de unificatie van Duitschland, of liever de onderwerping van Duitschland aan Pruissen gold, elk middel geoorloofd rekenden, die verraad en onrecht, geweld en roof toejuichten, mits ze maar bevorderlijk waren aan het groote doel;--dat diezelfde lieden, voor wie het recht der duitsche eenheid boven alle bedenking stond, en elk ander recht beheerschte, nu aan de Slaven het recht betwisten, het hun gegeven voorbeeld na te volgen en op hunne beurt naar nationale en politieke eenheid te streven! Dat de verwezenlijking van dit slavische ideaal voor Pruissen-Duitschland minder aangename gevolgen zou kunnen hebben, is toch op zich zelve geen reden, waarom het streven der Slaven ongeoorloofd moet worden genoemd? Van historisch recht mag hier geen sprake zijn: de moderne staatslieden en rechtsgeleerden hebben ons immers sedert lang aangetoond en metterdaad bewezen dat dit niet bestaat?

V.

Mocht een mijner lezers ooit Zara bezoeken, dan wensch ik hem toe, dat hij daar te scheep aankome, in het begin van den herfst, met mooi frisch weer, liefst des morgens, als de zwevende nevels wegsmelten voor de stralen der rijzende zon. Een voor een zal hij dan de eilanden, die het kanaal van Zara vormen, uit den wijkenden morgennevel zien opdoemen: en weldra vertoont zich aan zijn blik de blanke stad zelve, binnen hare muren omsloten, en fier haar vele torens en spitsen ten hemel heffende.

De stad slaapt nog en de kaaien zijn ledig: enkele pandoeren, geheel met zilver en blinkende muntstukken bedekt, de roode muts met gouden pailletten op het hoofd, zitten op den oever, hun kersenhouten pijp rookende, en naar ons vaartuig ziende. Achter ons laat zich een eigenaardig geluid hooren: omziende bespeuren wij twee groote inlandsche vaartuigen, met hun eenvoudige lijnen, hun rood en zwart geverwden voorsteven, waarop nevens andere figuren twee groote fantastische oogen geschilderd zijn. Zachtkens door den morgenwind voortgestuwd, voeren deze vaartuigen een honderdtal vrouwen en jonge meisjes van de naburige eilanden naar de stad; eene nieuwe wereld, de wereld van het Oosten, gaat voor ons open.

Wij treden de stad binnen door de poort van San-Chrysogone, eene romeinsche poort, in den venetiaanschen muur gevat, waarop de republiek haar fier blazoen met den leeuw van Sint-Marcus heeft gebeiteld. De straten der stad zijn recht en snijden elkander rechthoekig. Men gevoelt aanstonds dat Zara eene militaire stad is, weleer een der hoofdbolworken tegen de Turken en de Hongaren, en telkens aan de aanvallen der vijandelijke naburen bloot staande.

Wij nemen onzen intrek in het Capello-Nero, een klein hotel, waarvan de met wijngaarden beplante binnenplaats aan Venetië herinnert. Naar onze gewoonte, gaan wij, zonder vooraf vastgesteld plan, uit en de stad in, als op eene ontdekkingsreis.

Eerst naar de markt. Hier is de algemeene verzamelplaats der landlieden uit het binnenland van Dalmatië, en der vrouwen van de eilanden; de kleederdrachten zijn vol karakter en van bijkans oneindige verscheidenheid: elk distrikt heeft zijn eigenaardig kostuum, elk dorp zijne eigene mode. Bijna alle vrouwen dragen witte linnen hemden, op de borst en de mouwen met fraai gekleurde borduursels versierd. Over dit hemd dragen zij een overrok zonder mouwen, donkerblauw van kleur, van voren open, en versierd met gele, roode, donkergroene oplegsels; de zakken prijken met zonderlinge borduursels van kleine witte schelpen en pailletten. De koperen gordel is bezet met tallooze zilveren knoppen; het voorschoot gelijkt een duizendkleurig tapijt van Khorassan: het reikt tot aan de knieën, en is van onderen voorzien van eene lange franje van dezelfde kleur en stof; kousen of beenkleeden van dezelfde stoffage, met de hand geweven, bedekken ten deele de opanké, het schoeisel der Slaven, uit schapenvel vervaardigd, dat op den voet met strooien koorden wordt vastgebonden. Om den hals prijken een aantal kettingen, die vrij laag op de borst afhangen, en deels uit glaskoralen, deels uit muntstukken, uit amuletten, ruwe turkoisen en allerlei andere steenen bestaan. De jonge meisjes vooral dekken zich het hoofd met de roode muts met goudgalon en gouden pailletten; anderen dragen een grooten witten sluier of huive, die met een punt tot op het midden van den rug afhangt, en met een breed rood lint is omzoomd.

Dit is de algemeene type; maar ten aanzien van bijzonderheden en kleur zijn daarin zoo vele afwijkingen en verscheidenheden, dat het geheel den indruk maakt van een groot mozaiek. De dames der stad komen, door hare dienstboden gevolgd, ter markt om haar inkoopen te doen: haar westersche, moderne kleederdrachten vormen een scherp contrast met de kostumen der landbewoners. De marktplaats zelve maakt niet veel indruk; zij is eerst in later tijd aangelegd en bebouwd: de stijl is een verbasterd gothisch, met byzantijnsche elementen vermengd, zoo als dat ook nog te Venetië in zwang is. Aan een der hoeken staat, als op de meeste italiaansche markten, een kolossale antieke zuil, volgens zeggen, afkomstig van een tempel van Diana, waarvan men nog de overblijfselen ziet in den tuin der artillerie-kazerne. Op de zuil staat de leeuw van Sint-Marcus met gebroken vleugels; het voetstuk bestaat, even als dat der zuil van de Piazzetta, uit trappen; even als te Verona, te Vicenza en te Venetië, hangt nog op manshoogte aan de zuil de ijzeren ketting van het brandmerk voor de bankroetiers. Men was destijds nog naïef genoeg, een bankroetier als een misdadiger te beschouwen. Wij zijn sedert vooruit gegaan.

Een vriendelijk voorbijganger biedt zich welwillend aan om mij te geleiden, en met hem bezoek ik achtervolgens vijf of zes kerken: den dom, Sint-Chrysogonus, Sinte-Anastasia, Sinte-Maria, Sint-Simeon, Sint-Franciscus, en eenige kloosters.

De dom verdient ten volle de belangstelling: hij dagteekent uit de dertiende eeuw, is uitnemend bewaard gebleven en wordt goed onderhouden; in lombardischen stijl gebouwd, vertoont hij veel overeenkomst met de kerk San-Zenone te Verona. Even als de meest oud-lombardische basilieken, heeft ook deze dom drie schepen, ieder met een afzonderlijken ingang; de kerk is zeker een der merkwaardigste overblijfselen van den oudchristelijken bouwstijl in Dalmatië. De hoofdgevel staat geheel vrij; ook in een zijstraat bevindt zich een zeer fraaie gevel. Aan het altaar ziet men een hoogst merkwaardig beeldwerk, dat mij toescheen afkomstig te zijn uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. De eerste steen van dezen dom werd gelegd door den Doge Enrico Dandolo, na de verovering der stad door de Venetianen en de Franschen, bij den aanvang van den vierden kruistocht.

De kerk van Santa-Maria is mede een zeer fraai gebouw, met een ruim voorplein; zij behoort tot een Benediktijner klooster, dat in de elfde eeuw werd gesticht door de zuster van Cresimus, Koning van Kroatië. Een oude toren, evenwel van veel jonger datum en in den lombardischen stijl gebouwd, dankt zijne stichting aan Koloman, Koning van Hongarije, die Dalmatië veroverde.

