De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 59

Chapter 59 3,505 words Public domain Markdown

De geschiedenis dezer meisjes is dikwijls zeer treurig. Sommigen werden door haar vader verkocht: de arme mongoolsche boeren toch verkoopen geregeld hun dochters, juist zoo als de indiaansche wilden geregeld hunne squaws verkoopen. Velen van haar zijn gestolen kinderen, opgelicht en weggevoerd door schurken, die met dit doel de dorpen nabij de kust afloopen. In elke chineesche haven is eene markt voor zulke waar. Te Hongkong moeten zij wel van een ambtenaar een paspoort erlangen, maar die ambtenaar laat zich gemakkelijk een rad voor de oogen draaien. De eene handelaar laat drie of vier meisjes voor zijne dochters doorgaan; een ander geeft er vijf of zes voor zijne vrouwen uit. Een op het stuk van polygamie wat minder toeschietelijke consul zal wellicht zwarigheid maken, zulk een paspoort te viseeren; maar in dat geval behoeft de handelaar slechts naar een van de slaaphuizen te gaan, waar de landverhuizers, in afwachting van het vertrek der boot, hun intrek nemen, en aan eenige hunner tijdelijk eene vrouw toe te voegen--voor zoo lang de reis duurt. Dank zij dit huismiddeltje, komen de meisjes in San-Francisco, en worden verkocht aan ieder, die eene slavin begeert.

Om dit kwaad op afdoende wijze te stuiten, heeft men in Californië eene wet uitgevaardigd, waarbij aan de plaatselijke autoriteiten de bevoegdheid wordt gegeven om alle van Azië komende schepen te onderzoeken; en tevens het recht, om, wanneer zij aan boord eene lading vrouwen vinden, die verondersteld kunnen worden slavinnen te zijn, en die blijkbaar met onzedelijke bedoelingen worden aangebracht, van de stoomvaartmaatschappij te vorderen, dat die personen terug zullen worden gevoerd.

Het duurde niet lang, of het geval deed zich voor, want verscheidene kooplieden zijn bij dezen afschuwelijken handel betrokken. "Gij moogt deze vrouwen niet aan land brengen," zeide de havenmeester.--"Dat zullen wij eens zien," antwoordden de kooplieden, die de meisjes op spekulatie hadden gekocht, en gaarne eene goede winst van hun koopwaar wilden trekken. Zij stelden eene rechtsvordering in. De eerste rechtbank te San-Francisco stelde den havenmeester in het gelijk, waarop de kooplieden in hooger beroep kwamen bij den Chief Justice Wallace, van het opperste gerechtshof te Sacramento, die het vonnis der eerste rechtbank bevestigde. Hier afgewezen, wendden de kooplieden zich tot het kreitshof der Vereenigde-Staten, beweerende dat de wetten van Californië in openbaren strijd zijn met de amerikaansche constitutie, en daarom van geen kracht te San-Francisco, als behoorende tot het gebied der Vereenigde-Staten. De rechters van het Hof vereenigden zich met deze zienswijze.

Verbitterd over deze uitspraak van het Hof, is het volk van Californië daarvan weder in beroep gekomen bij het Hoog Gerechtshof te Washington [25]; maar terwijl de Opperrechter Waite en zijn hoogachtbare collega's zitten te peinzen over lastige rechtskwesties, komen de vrouwelijke slaven alvast ongehinderd binnen, en mag een vrije amerikaansche staat deze zedelijke pest niet van zijn gebied weeren. De rechters zeggen, de grond is vrij. Eene slavin wordt eene vrije vrouw, zoodra zij den californischen grond betreedt. Dat klinkt heel fraai; maar wie zal zulk een schepsel als eene chineesche slavin gaan vertellen dat zij vrij is? Wie zal haar aan het verstand kunnen brengen, wat dat woord vrije grond beteekent? Slavin in haar eigen land, heeft zij nooit hooren spreken van vrouwen van haar klasse, die vrij waren. In San-Francisco is zij evenzeer slavin als zij dit was in Canton of in Peking. En toch zal niemand de slavenhandelaars kunnen beletten, hunne afschuwelijke lading door de Gouden-Poort binnen te brengen!

"Luister nu eens naar dit geleuter, zegt de senator. De President spreekt over die aziatische kwestie, als gold het eene kwestie van alledaagsche moraliteit!"

Dit zijn de woorden van den President: "Ik vestig de aandacht van het Congres op het algemeen erkende feit dat de groote meerderheid der chineesche landverhuizers, die op onze kusten landen, blijkbaar niet komen om zich onder ons te vestigen en hun arbeid bevorderlijk te maken aan de algemeene welvaart; maar zij komen krachtens een contract met hoofdlieden, die bijna volstrekte macht over hen hebben. In nog erger mate geldt dit van de chineesche vrouwen. Nauwelijks een merkbaar deel van haar wijden zich aan eerlijken arbeid: zij worden aangebracht met schandelijke bedoelingen, tot oneer voor de gemeente waar zij zich vestigen, en tot groot gevaar voor de zedelijkheid van de jeugd dier plaatsen. Kunnen deze kwade praktijken langs wettelijken weg worden gekeerd, dan zal het, niet alleen mij een plicht, maar ook een genoegen zijn, elke wettelijke regeling toe te passen, die de bereiking van een zoo gewenscht doel kan bevorderen."

In californische ooren klinken zulke woorden al zeer flauw en zwak. "Als ge nu deze boodschap met de werkelijkheid vergelijkt, gaat de senator voort, verdienen zulke frazen dan wel een anderen naam dan geleuter? Hier, in Sacramento, maken wij ons geene illusiën over dezen toevloed van aziatisch gepeupel. In Californië hebben de chineesche mandarijnen eene strafkolonie gevonden, waarheen zij nu, dank zij onzer schraapzucht en dwaasheid, het schuim der maatschappij, hun vagebonden, misdadigers enz. heenzenden. Zoo komen zij van over de zee, bij duizenden, of liever bij tienduizenden; en toch zijn die duizenden en tienduizenden nog slechts de voorhoede van een groot leger. Millioenen kunnen verschijnen, waar tot dusver duizenden zijn verschenen, en tientallen van millioenen kunnen komen van waar de tienduizenden kwamen".

Is dit alleen een droom der verhitte verbeelding, die reeds tallooze drommen van Aziaten door de Gouden-Poort meent te zien binnenstroomen? In voorhistorische tijden werd Amerika uit Azië bevolkt: waarom zou zoo iets niet op nieuw kunnen geschieden? De noodige menschenmassa is er aan gindsche kust. De zee ligt open voor hunne schepen. De overtocht levert winst op.

"Wij zijn iets meer dan dertig millioen blanken sterk, gaat de senator voort; daar ginds leven ruim drie-honderd-zestig-millioen gelen. Als zij vijftig millioen naar Amerika overzenden, heeft dit voor hen zoo goed als niets te beteekenen; maar dat geschenk zou voor ons de dood zijn."

De senator heeft gelijk. Ook na den uittocht van vijftig millioen menschen, zouden de Vijf Provinciën nog even dicht bevolkt zijn als Ierland was vóór den hongersnood. Als de regeering van Peking schepen huurde en die vijftig millioen overvoerde, zou zij goede zaken maken. Door de Vereenigde-Staten verspreid, zoo als loontrekkende arbeiders zich altijd verspreiden, zouden vijftig millioen Mongolen eene beslissende meerderheid hebben bij alle verkiezingen, van Oregon tot de Golf van Mexiko.

Wie kan de verzekering geven, dat zij nooit komen zullen? Wie kan berekenen wat menschen, door gebrek gedreven, durven ondernemen? Honger heeft zich een weg gebaand door steenen muren en onstuimige zeeën getrotseerd. Misgewas onder de aardappelen heeft een derde deel der bevolking van Ierland naar Amerika doen verhuizen, hoewel een iersche kern vooral niet minder aan zijn geboortegrond gehecht is dan een mongoolsche boer. Wie is met de toekomst van de theeplant bekend? Wij hebben de ziekte in de druiven en de aardappelenziekte. Stel voor een oogenblik dat ook de theeplant op dergelijke wijze werd aangetast. Indien zulk een ramp van China een tweede Ierland maakte, zou het volk wel genoodzaakt zijn, bij millioenen te verhuizen. Als slechts een zevende deel der chineesche bevolking naar Amerika verhuisde, zouden zij de verkiezingen geheel beheerschen, en dank zij der wijze en voorzienige republikeinsche constitutie, onbeperkte gebieders van het land worden, waar dan de europeesche beschaving plaats zou moeten maken voor de aziatische barbaarschheid.

XXIX.

Vooruitgang der blanken.--De tegenwoordige toestand.

Tegenover het gansch niet hersenschimmige gevaar eener groote volksverhuizing uit China, waardoor de europeesche beschaving misschien zou kunnen ondergaan en door de aziatische barbaarschheid verdrongen worden, mogen de blanken in Amerika, tot welke partij of richting zij ook behooren, zich wel ernstig rekenschap geven van den tegenwoordigen toestand met zijne eischen en behoeften, zijne beloften en gevaren.

De vooruitgang der blanken in Amerika was tot dusver zoo snel en zoo onophoudelijk, dat zorgeloosheid omtrent de toekomst niet onverklaarbaar is: bij een terugblik op hetgeen bereids is verricht, kunnen de Amerikanen lichtelijk zich inbeelden dat het werk is volbracht, dat het voortdurend bezit van het land voor hen verzekerd is. Toen Hancock en zijne vrienden de onafhankelijkheidsverklaring onderteekenden, waren dertien koloniën door haar afgevaardigden op het Congres te Philadelphia vertegenwoordigd; dertien koloniën, die te zamen eene oppervlakte besloegen van nog geen vijfhonderd-duizend vierkante mijlen en eene bevolking telden van omstreeks twee-en-een-half millioen, waaronder bijkans vijfhonderd-duizend negerslaven. Na verloop van een eeuw zijn die dertien koloniën aangegroeid tot negen-en-dertig staten en acht territoriën, eene oppervlakte beslaande van meer dan drie millioen vierkante mijlen, en eene bevolking tellende van ruim veertig millioen vrijen, de geheel onafhankelijke, zwervende indiaansche stammen niet medegerekend.

Aanvankelijk niet meer dan een strook kustland, zag de jonge republiek haar gebied beperkt tusschen de zee en de naburige bergketen. Van de Penobscot-rivier in Maine tot de Attamaha in Georgië, strekte het bewoonbare land zich zelden verder dan honderd mijlen binnenwaarts uit. Hier en daar reikte eene of andere vruchtbare vallei tot twee- of driehonderd mijlen, maar in den regel begonnen de hellingen van het Alleghany-gebergte reeds op een afstand van circa honderd mijlen van de kust. Slechts op een enkel punt was deze natuurlijke slagboom doorgebroken: eene opening in de Blue-Ridge, waardoor zich eenige ondernemende planters hadden gewaagd in de vlakte, nu door westelijk Virginia en Kentucky ingenomen; en deze eenzame zwervers hingen af van de genade der roodhuiden, die van tijd tot tijd de hoeven verbrandden, de mannen scalpeerden en de vrouwen naar hun kamp wegvoerden. Pittsburg, een dorp negen jaar oud, stond midden in de woestijn. Iemand, die in een kano de Ohio durfde afzakken, werd als een stoutmoedig ontdekker geëerd. Waar nu Wheeling en Cincinnati staan, met haar scholen en kerken, haar spoorwegen en fabrieken, zag toen de stoutmoedige pionier den rook opstijgen der indiaansche wachtvuren, en hoorde hij uit de verte het krijgsgeschrei der indiaansche kampen. Roodhuiden togen ter bisonjacht in de vlakten van Indiana, dreven in kano's de Ohio af, en wierpen hunne netten uit in de nevenstroomen van de Big-Drink.

Ten zuiden had de jonge republiek aan hare grenzen een wantrouwenden en scherpzienden vijand, tegenover wien hare verhouding zoo veel te moeilijker was, omdat hij vroeger haar vriend en bondgenoot was geweest. Frankrijk had nog steeds de monden van den Mississippi in bezit, en hield dien grooten handelsweg praktisch voor de Amerikanen gesloten. In een land zonder kanalen en nauwelijks met bruikbare wegen, was het vrije gebruik van de groote rivier eene eerste voorwaarde voor kolonisatie in de vallei van den Mississippi; en het was onmogelijk, van de fransche gouverneurs te Nieuw-Orleans die vrijheid te verkrijgen. Zoo scheen de jeugdige republiek, door de natuur en door de omstandigheden, voor altijd beperkt tot haar oorspronkelijk gebied: de kusten en de valleien, die zich van Maine tot Georgië uitstrekken.

Toen de onafhankelijkheidsoorlog ten einde was gebracht, zagen vele ernstige en vaderlandslievende mannen de toekomst donker in. De edele gevoelens en hartstochten, door den oorlog opgewekt, waren uitgebluscht en geweken--en niets bleef over dan de ruïnen en het verderf, van iederen burgeroorlog onafscheidelijk. Het land was een wildernis geworden. Boerderijen, door de eigenaars verlaten, waren aan verval en verwoesting prijs gegeven. Steden waren geplunderd en verbrand geworden door de strijdende legers; bruggen waren vernield, molens verbrand, plantages verwoest. De bevolking der staten was armer dan de bevolking der vroegere koloniën; ieder stak in schulden, en bovendien was er, met en door den oorlog, een onrustige, avontuurlijke geest in de vroegere kolonisten gevaren, die hen met hun lot ontevreden en van de werken des vredes afkeerig maakte. Meer nog: dronkenschap, vloeken en zweren, vroeger bijna onbekend, waren schrikbarend toegenomen; het onderwijs, weleer het voornaamste voorwerp van de zorg der overheid in iedere stad, was verwaarloosd en in verval geraakt; leeraars en onderwijzers, in de republiek geene gelegenheid meer vindende om hunne talenten te besteden, vertrokken naar Europa. Lichtzinnigheid en onzedelijkheid was mode geworden, en de aanzienlijke dames van Boston en Richmond rekenden het zich tot een eer, Voltaire na te praten.

Zelfs Washington's vaste geest werd in hem ontrust. "De geest der vrijheid," zeide hij zeven jaren na de onafhankelijkheidsverklaring," is sinds lang geweken, en zelfzucht heeft zijne plaats ingenomen." Maar tevens wijdde Washington zich met onverzwakte kracht en volhardenden ernst aan de taak, om de wonden te genezen, en de jammeren, door den oorlog veroorzaakt, te doen verdwijnen. En met welken uitslag!

Frankrijk liet zich afkoopen: de monden van den Mississippi kwamen in handen van Amerika. Spanje werd uit Florida verdrongen, en Mexiko uit Californië, Arizona en Texas verjaagd. Bijna geheel de gematigde en een deel van de tropische streek van Noord-Amerika werd gaandeweg ingelijfd bij de republiek. Bijkans dertig staten en territoriën zijn haar in het verloop van een eeuw toegevoegd. In die staten en territoriën wonen veertig millioen vrije burgers, zijn drie-en-zestigduizend kerken, honderd-veertigduizend scholen met tweehonderd-zeventigduizend onderwijzers en ruim zeven millioen leerlingen. Landstreek bij landstreek, ieder zoo groot als menig koninkrijk, is op de woestijn veroverd en in cultuur gebracht; steden bij honderden zijn verrezen en in weinige jaren tot metropolen aangegroeid; spoorwegen doorsnijden in alle richtingen het onmetelijk gebied en verbinden de beide oceanen; handel en nijverheid hebben zich op reusachtige schaal ontwikkeld, en op het gebied van technische wetenschappen neemt Amerika eene eerste plaats onder de moderne volken in. Zoo staat de jonge republiek daar, een voorwerp van bewondering en naijver voor velen, in de volle grootheid van macht, rijkdom, vrijheid, en met eene toekomst voor zich, die nieuwe wonderen in haar schoot te bergen schijnt.... Toch heeft ook deze medaille eene keerzijde!

De onderlinge strijd der rassen, dien wij hebben geteekend, is niet de eenige plaag, waarmede Amerika te worstelen heeft: daar zijn nog andere euvelen te bestrijden, zoowel van moreelen als van physieken aard, om niet te spreken van geduchte politieke en sociale krisissen, die misschien niet verre zijn.

Onder de oorzaken, die de normale ontwikkeling der blanke bevolking in Amerika belemmeren, bekleedt de ongelijke verhouding tusschen beide geslachten--een gevolg van den toevloed van mannelijke landverhuizers en kolonisten--eene eerste plaats.

Dit euvel is de bron van zeer vele anderen, en tevens van den allernoodlottigsten invloed niet alleen op het onderling verkeer tusschen de beide geslachten, maar ook op het karakter en de positie der vrouwen zelven. In dit opzicht staat Amerika achter bij elk ander beschaafd land.

In 1871 bedroeg de bevolking van Groot-Brittannië, in ronde cijfers, een-en-dertig millioen zeshonderd-zeventienduizend zielen. Daaronder waren vijftien millioen-driehonderd-zestigduizend mannen, en zestien-millioen tweehonderd-zeven-en-vijftigduizend vrouwen: overwicht der vrouwelijke bevolking, achthonderd-zeven-en-negentigduizend.

In 1870 telden de Vereenigde-Staten ook, in ronde getallen, eene blanke bevolking van drie-en-dertig millioen vijfhonderd-negentigduizend zielen. Daarvan behoorden zeventien millioen negen-en-twintigduizend tot het mannelijk, en zestien millioen vijfhonderd-zestigduizend tot het vrouwelijk geslacht. Overwicht der mannelijke bevolking, vierhonderd-negen-en-zestigduizend zielen.

Deze wanverhouding, reeds op zich zelve zoo bedenkelijk, wordt nog erger door de zeer ongelijke verdeeling der vrouwelijke bevolking in de verschillende deelen des lands. Terwijl de republiek over het geheel arm aan vrouwen is, is bijna de helft der staten daarvan rijk voorzien, sommige staten zelfs al te rijk. In zeventien staten en in het district Columbia zijn er meer vrouwen dan mannen. In enkele van die staten is het verschil onbeteekenend, maar in andere daarentegen zeer aanzienlijk, grooter dan in eenig land van Europa. In Engeland bedraagt het verschil tusschen mannen en vrouwen gemiddeld acht-en-twintig per duizend--een gevolg van de sterke landverhuizing--; in Pruisen niet meer dan dertien. In Massachusetts bedraagt dit cijfer reeds vier-en-dertig, en in Noord-Carolina en Rhode-Island is de verhouding nog ongunstiger. Daarentegen heeft in al de andere staten en territoriën de mannelijke bevolking de meerderheid. Ook hier is het verschil soms onbeteekenend: in Vermont, Delaware en Kentucky niet meer dan zeven per duizend. In Californië, Kansas en Minnesota is het verschil zeer belangrijk; in Arizona, Wyoming, Idaho en Montana is het buitensporig groot:--drie, en zelfs vier tegen één. Is het noodig in beschouwingen te treden omtrent den maatschappelijken en zedelijken toestand van landstreken, waar slechts ééne blanke vrouw wordt gevonden tegen vier blanke mannen?

In onmiddellijk verband hiermede staat een ander feit. Drie jaar geleden maakte het bureau voor onderwijs eene statistiek openbaar, waaruit ontegenzeggelijk bleek, dat het getal der geboorten in Amerika van jaar tot jaar verminderde, en dat niet slechts in enkele staten, maar in alle staten. De afneming is blijvend en algemeen: dezelfde in Arkansas en Alabama, als in Massachusetts en Connecticut, in Michigan en Indiana als in Pennsylvanië en New-York, Het getal der geboorten is aanzienlijker onder de landverhuizers dan onder de ingeborenen; en toch, ondanks deze omstandigheid, is het gemiddeld cijfer over het geheele land lager dan in eenig land van Europa. Is het wel zoo vreemd, dat sommige bekwame statistici en physiologen tot de, waarschijnlijk wel wat voorbarige, slotsom zijn gekomen, dat het blanke ras op den duur op amerikaanschen bodem niet leven kan?

Een ander euvel, waarmede de amerikaansche maatschappij te worstelen heeft, en dat ontzaggelijke verwoestingen aanricht, is de verregaande onmatigheid, de dronkenschap. Deze schier onbedwingbare trek naar sterken drank is eene erfenis van de germaansche, engelsche en duitsche, voorvaders van het tegenwoordige amerikaansche volk; hier echter wordt die behoefte nog meer geprikkeld door den invloed van een klimaat, dat zoowel in warmte als in koude telkens tot uitersten overslaat. Evenals de Engelschen, hebben ook de Amerikanen allerlei middelen aangegrepen om dit steeds heftiger voortwoekerend kwaad te stuiten. Zij zijn daarin zelfs verder gegaan dan in Engeland. In sommige staten werd de verkoop van bedwelmende dranken geheel verboden; in andere werd die handel aan beperkingen onderworpen, welhaast met een verbod gelijkstaande. In onderscheidene staten is de drankverkooper verantwoordelijk gesteld voor de vergrijpen of misdaden, door de beschonkenen begaan; en in vele andere is doorgaande dronkenschap een grond voor echtscheiding. En toch--in Amerika zoowel als in Engeland, is de uitkomst van dergelijke maatregelen voor 't minst twijfelachtig. Over het geheel genomen, wordt er in Amerika tegenwoordig meer sterke drank gebruikt dan ooit te voren. Zelfs in die staten, die tot dusver geacht konden worden het minst aan dit euvel te lijden, nemen de veroordeelingen wegens dronkenschap voortdurend toe. In spijt van zijn uiterst strenge wetten, worden er in Maine, in het vorige jaar (1875), meer personen ter zake van dronkenschap veroordeeld, dan in eenig vroeger jaar sedert de invoering der verbodsbepalingen. Massachusetts, na gedurende meer dan twintig jaar de proef te hebben genomen met het verbod van drankverkoop, hoeft onlangs die wet ingetrokken, en laat nu den verkoop van sterken drank toe, behoudens vergunning der overheid. Wetten, reglementen en politiemaatregelen zijn onmachtig gebleken om het kwaad te keeren; maar evenmin is dit tot dusver gelukt aan de ijverige en welmeenende pogingen van particulieren, afschaffingsgenootschappen, vereenigingen, meetings, predikers, zendelingen. Zelfs de, in sommige opzichten misschien bespottelijke, maar in ieder geval goed gemeende, kruistocht door de vrouwen in Ohio, onder aanvoering van Moeder Carey, tegen den drank ondernomen, heeft, voor zoover men oordeelen kan, niet bijzonder veel vrucht gedragen. Het kwaad is zoo ingeworteld, en zoo velerlei oorzaken werken, juist in onzen tijd, mede om het te bevorderen, dat de vraag, hoe die verderfelijke en steeds grooter verwoestingen aanrichtende kanker kan worden genezen of althans beteugeld, inderdaad eene der ernstigste is, die de staatsman en ieder vriend des volks zich ter beantwoording kan voorleggen.

Weinig minder ernstig is het gevaar, dat de republiek dreigt door de schromelijke onwetendheid harer burgers. In Europa wordt zoo dikwijls en met zoo grooten ophef over de amerikaansche scholen en het amerikaansche onderwijs gesproken, dat vele mijner lezers misschien zeer verwonderd zullen zijn, als ik hun zeg, vooreerst, dat er geen amerikaansch stelsel van onderwijs bestaat; ten andere, dat het schoolbezoek nergens in vollen ernst verplicht is, zoo als in Zwitserland; en ten derde, dat het onderwijs noch algemeen, noch voldoende is. De republiek als zoodanig bemoeit zich niet met de opvoeding harer burgers: zij heeft slechts twee speciale inrichtingen van onderwijs: de militaire akademie te West-Point in New-York, en de marineschool te Annapolis in Maryland. De zorg voor het gewone, lager, middelbaar en hooger onderwijs wordt door de republiek overgelaten aan de bijzondere staten, en door de staten aan de verschillende graafschappen (provinciën), en over het algemeen door de graafschappen weder aan de verschillende gemeenten (townships). Ligt er eene stad binnen de grenzen eener gemeente, dan moeten de burgers dier stad doorgaans zelven voor het onderwijs hunner kinderen zorgen. Daar is dus niet alleen geen algemeen stelsel van onderwijs in Amerika, maar men zou bijna kunnen zeggen, dat er zoo vele verschillende stelsels als gemeenten zijn.

Slechts in vijf staten van de negen-en-dertig bestaat er eene wet, die het bezoeken der school voorschrijft. Die vijf staten zijn New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Michigan en New-York; maar zelfs in die staten wordt de wet nergens met kracht gehandhaafd, en de uitkomsten der statistiek zijn dan ook alles behalve gunstig. In New-Hampshire kunnen zevenduizend personen niet lezen, en bijna tienduizend niet schrijven. In Connecticut kunnen twintigduizend personen niet lezen, en dertigduizend niet schrijven. In Michigan kunnen vier-en-dertigduizend personen niet lezen, en drie-en-vijftigduizend niet schrijven. In New-York zijn er honderd-drie-en-zestigduizend personen, die niet lezen, en bijna tweehonderd-veertigduizend, die niet schrijven kunnen. Volgens de statistiek, door het bureau van onderwijs te Washington uitgegeven, waren er in 1870 in geheel Amerika ruim vier millioen-vijfhonderd-duizend personen, die niet lezen, en meer dan vijf millioen-zeshonderd-duizend, die niet schrijven konden!