De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 55
Doch het was niet zoozeer te doen om den ouden grafkelder der Inghirami, in vier kamers verdeeld, die een latijnsch kruis vormen en marmeren sarkophagen bevatten uit romeinschen tijd, als wel om eene andere grafkamer, van zuiver etrurischen oorsprong, en die, in 1861 eerst ontdekt, nog zeer weinig bekend is. Even als de oostersche volken en de Egyptenaars, groeven de Tyrrheniërs in de rots familiegraven, die van buiten aan niets kenbaar waren, en waarheen een verborgen onderaardsche gang voerde. Bij toeval werd, toen men bezig was te graven voor de fondamenten van een muur, de ingang ontdekt; de Inghirami hebben dien ingang doen herstellen en met eene deur afgesloten. De tuinmansvrouw van de villa, eene stevige contadina, kon niet dan met groote moeite den langen, zwaren grendel verschuiven, en moest zich nog meer inspannen om het slot te openen, dat sedert zeven maanden gesloten was. Een groote, rechtopstaande steen verborg weleer een smallen gang, waardoor men langs in de rots uitgehouwen trappen, naar den grafkelder afdaalde. Gij komt aan eene ronde zaal, mede in den tufsteen uitgehouwen, en waarvan het gewelf in het midden door een pilaar gedragen wordt. Rondom dien pilaar en in het rond langs de wanden zijn amphitheatersgewijze twee rijen trappen aangebracht, allen uit denzelfden steen gehouwen. Op die trappen staan negen-en-veertig sarkophagen, van zestig tot vijf-en-tachtig duim lang, waarin vroeger de asch der gestorvenen werd bewaard en vele dier vrouwelijke sieraden, welke door de afstammelingen dezer etrurische dames thans in de villa zijn bijeengebracht. Een aan het gewelf bevestigde koperen stang diende om een lamp op te hangen, die bewaard is gebleven.
De sarkophagen zijn bijna allen van albast, versierd met sterk vooruitkomende bas-reliefs in griekschen stijl, en ontleend aan de Ilias. De liggende figuren op de deksels staan in kunstwaarde beneden de bas-reliefs. De gedrapeerde beelden dragen diademen, somwijlen een wollen halsband en gordels: deze sieraden zijn dikwijls verguld. Op een dezer monumenten vindt men wederom de Porta dell' Arco, zoo als zij er nog heden uitziet.--Met een eigenaardige gewaarwording staart ge, bij het licht der fakkels, deze sarkophagen aan, die sedert meer dan twintig eeuwen in den schoot der aarde zijn verborgen. Welke raadselen bevatten zij, tot welker oplossing ook de scherpzinnigste kritiek nog geen enkelen draad gevonden heeft. Dat ge hier romeinsche kleederdrachten, huisraad, gebruiken wedervindt, brengt u niet op den weg, want de Romeinen hebben die voor het meerendeel aan de Etruriërs ontleend. Wij weten uit Silius Italicus, dat de twaalf lictoren, de consuls met hunne bijlbundels, de vorm der curulische gestoelten, de koperen trompetten en zelfs de purperen rand, die de toga der magistraten omzoomde, van Vetulonia, nabij Volterra, afkomstig waren. Datzelfde geldt van den kothurn, uit Lydië afkomstig, en van de sieraden en tooisels der vrouwen. De Etruriërs hebben aan de Romeinen de kunst geleerd, om de jaarboeken hunner geschiedenis te schrijven; in elke stad bezaten zij eene verzameling van hunne kronieken, van hunne wetten, hunne godsdienstplechtigheden: en toch, zonderling noodlot! dit volk, wier taal nog ten tijde van Claudius door de advokaten te Rome gesproken werd, is bijna het eenige, van wiens bestaan geen enkel geschreven document getuigt. Hoogstens kunnen wij, in hunne geschriften, eenige namen ontcijferen, maar verder kunnen wij niets te weten komen, noch van hen, noch van hun tijd.
Ware het niet zoo koud geweest, dan had ik met genoegen nog eenigen tijd blijven ronddwalen door deze zonderlinge stad, zoo vol geheimenissen. Welke vragen doen zich hier op, die zonder antwoord blijven! Trouwens de eenmaal zelfstandige republiek verloor hare onafhankelijkheid reeds in 1254, en hare autonomie in 1361, toen zij zich geheel aan Florence overgaf, dat reeds honderd-zeventig jaar te voren de stad ingenomen, en haar sedert niet met rust gelaten had. Sommige kerken zijn meer gemoderniseerd geworden dan de woningen der menschen; zij bevatten eenige schilderijen van niet buitengewone waarde. De kathedraal is in dit opzicht rijker voorzien. Haar voorgevel in peperijnsteen, uit de dertiende eeuw, versierd met een fraaien, wit marmeren ingang, gaat door voor het werk van Nicolaas van Pisa. Men vindt hier een aantal schilderijen, waaronder zeer fraaie, van Dominichino, Marietto Albertinelli, Luca Signorelli, Taddeo di Bartolo, Guido Reni, Filippo Lippi, Daniel van Volterra, Benozzo Gozzoli en anderen. De preekstoel heeft bas-reliefs uit de twaalfde eeuw, die veel overeenkomst hebben met de producten der fransche kunst uit den tijd van Filips-August. De voorstelling van het Avondmaal is zeer opmerkelijk: Jezus zit aan het eind der tafel, met Johannes in zijn schoot, Judas ligt voor Christus neergeknield en vraagt een stuk brood, achter hem kruipt een duivel. Op de tafel staan drie visschen.
Dicht bij den dom staat het Battisterio, de doopkapel, een achthoekig gebouw van de twaalfde eeuw; de marmeren doopvont werd in 1502 door Andrea Contucci gebeeldhouwd; het Ciborium wordt aan Minoda Fiesole toegeschreven. De Hemelvaart op het hoofdaltaar is, naar men zegt, het werk van Pomerancio. Welke kunstschatten ook wederom hier, in de ongenaakbare hoofdstad van dit arme en vergeten bisdom!
Ter linkerzijde van de kathedraal verrijst een vierkante, zeer eenvoudige Campanile, met drie boogvensters boven elkander; deze toren is een tegenhanger van den achthoekigen koepel van de doopkapel, en maakt een vrij scherp contrast met den hoogen toren van het Palazzo publico, waar schietgaten en kanteelen, op twee verdiepingen aangebracht of liever voorgesteld, bewijzen dat de bouwmeesters van 1826, die dezen ouden burchttoren herbouwden, geen begrip hadden van de bestemming dezer werken, en zelfs in hun namaaksel de waarschijnlijkheid niet wisten te bewaren.
Tusschen de doopkapel en het linker hoekhuis van het Domplein, bevindt zich, boven eene steil afloopende steeg, eene ledige ruimte, waar de piazza uitloopt op een terras, van eene leuning voorzien en uitzicht gevende op de bergen. Het Paleis, het plein della Giustizia, de doopkapel, de dom, geheel het middelpunt der stad schijnt als een evenwicht te hangen boven een afgrond, waarlangs zich eene nauwe straat voortkronkelt, slechts aan eene zijde bebouwd en omzoomd door krotten en hutten, waarvoor wij met verbazing hoopen sneeuw op de helling zagen liggen. Dit waren stukken albast, daar neergeworpen door de beeldhouwers, die hier in hunne armoedige woningen arbeiden. Zij maken medaillons, pendules, zonder het uurwerk, kistjes, reliekbewaarders, beeldjes, presse-papier, lampen, schoorsteenvazen en dergelijke voorwerpen. Deze werklieden beschouwen zich als groote kunstenaars: ge bespeurt dat aan den trotschen blik, waarmede zij u aanzien; wat de vaardigheid en bekwaamheid voor het werk aangaat, hebben zij het inderdaad ver gebracht, maar het ontbreekt hun aan smaak: zij bepalen zich nog altijd tot de dorre, harde, armoedige, en volstrekt van alle kunstwaarde ontblootte ornamenten, die de italiaansche salons ontsierden ten tijde van Pius VII en Leo XII. De Amerikanen, die geen begrip van schoon of kunst hebben, zijn verzot op deze monsterachtigheden.
In deze op- en neerklauterende straten, waarvan de rooilijn zich schikken moest naar de golvingen van een smal bergplateau, ontmoet ge bij elken stap paleizen, waar ge onder door gaat om in eene andere straat uit te komen. Vele van deze paleizen dragen den naam der familie Inghirami. Het paleis Viti, met ornamenten uit de zestiende eeuw, is herschapen in een theater, aan Persius gewijd. Bij gebreke van zijn huis, ziet ge, aan de casa Ducci, een opschrift in fraaie, al te goed nagebootste, antieke kapitale letters, waarin de herinnering wordt bewaard aan een der laatste afstammelingen van het geslacht des dichters. De oude en edele familie der Ricciarelli bezit nog, in de naar haar genoemde straat, drie kleine aan elkander grenzende paleizen. Dat, waarin Daniello di Volterra geboren werd, draagt het nommer 12: de deur is vernieuwd. Als de nakomelingen van den kunstenaar zich in hunne woning bevinden, wordt gij in het huis toegelaten, waar een fresko van den meester bewaard wordt. Aan den gevel der gebouwen, ook van bijzondere woonhuizen, vindt ge zeer vele hartelijke en warme lofredenen ter eere van de Groot-hertogen van Toskane uit het huis van Oostenrijk-Lotharingen; ook ziet ge zeer dikwijls hunne borstbeelden in nissen en op consoles. Dit getuigt wel, hoezeer deze Vorsten, in deze afgelegen en weinig beweldadigde streek van Toskane, bij het volk bemind waren; natuurlijk heeft deze liefde voor het oude Vorstenhuis ook de inwoners van Volterra niet belet, hier en daar, op de muren groote, roode W's te schilderen, die beteekenen moeten Viva Vittore Emmanuele.... Wij weten van ouds, dat de volksgunst een onbestendig ding is, en dat de menigte altijd geneigd is, de opgaande zon te aanbidden.
De schoonheid der vrouwen van Volterra is opmerkelijk: danken zij die zuivere, rustige, gedistingeerde gelaatstrekken aan haar onverstoorbare werkeloosheid? Voor alle vensters, in alle wijken en buurten, herkent ge aanstonds de typen, die de schilders van de school van Siënna zoo gaarne op het doek brachten. Wat wachten zij, daar werkeloos zittende, voor die ramen, uitziende op de straat, waar zoo zelden iemand voorbijkomt? Zien zij uit naar den bruidegom, haar in haar droomen verschenen? Helaas! er valt weinig meer te zien dan enkele zwaluwen. Die dochters van Etrurië keuvelen met elkander, met de buurmeisjes ter wederzijde en aan den overkant; komen er jonge lieden voorbij, die kijken ter nauwernood naar haar; de vreemdelingen alleen zien haar aan, waarover zij in lachen uitbarsten. In tegenstelling van de schoone sekse, nemen de giovinetti, wier aantal niet groot is, majestueuse airs aan; bij de minste aanleiding wikkelen zij zich in zware groene of bruine mantels; ook weten zij standen aan te nemen, die een mensch verbazen.... Ik heb mijzelven afgevraagd, wat hier met de oude vrouwen gebeurt, want men ziet er geen! De grootmoeders en moeders blijven waarschijnlijk in huis, en zorgen voor de huishouding, terwijl de dochters, om de eer der familie op te houden, zich aanstellen als aanzienlijke juffers, die rijk genoeg zijn om niets uit te voeren.
Terwijl wij deze levende galerij beschouwen, niet zonder eenigen aanstoot te geven aan onzen ouden custode der etrurische sarkophagen, zagen wij, aan het boveneinde der straat, een optocht naderen. Het was een dubbele lijkstoet, twee lijken achter elkander; de kisten, met een zwart en geel laken overdekt, werden gedragen door zwarte boetelingen, wier gelaat verborgen was achter een met twee openingen doorboorden kap, en die op het hoofd lage hoeden met breede randen droegen. Haastig trok de sombere processie langs ons heen, een treurigen en ontstemmenden indruk achterlatende.
Blanken en kleurlingen.
(Vervolg van bladz. 184).
XXV.
Onze gele broeder.--De mongoolsche landverhuizing.
In Amerika heeft de blanke bevolking niet alleen te rekenen met de Indianen en de negers, maar ook met de landverhuizers uit het Hemelsche rijk; nevens de negerkwestie staat de chineesche kwestie, die misschien ruim zoo ernstig is.
Wij maakten voor het eerst kennis met onzen gelen broeder op de markt te Baltimore, zeker de smerigste en rumoerigste plek in de Vereenigde Staten, met uitzondering van de chineesche wijk te San-Francisco, en die wordt door gezondheids-commissiën niet gerekend tot de Vereenigde Staten te behooren.--Onze broeder is in-duplo: misschien man en vrouw, misschien ook tweelingen. Wie van beiden man of vrouw is, valt op het eerste gezicht niet zoo gemakkelijk te zeggen. Beiden zijn even groot, en dragen denzelfden ronden hoed en denzelfden blauwen kiel; beiden hebben hetzelfde gladde gezicht, ronde kin, zwarte wenkbrauwen, gevlochten haar, platten neus en kalmen blik. Te midden van het geraas en het gewoel van die markt, waar vleesch en visch, vruchten en groenten zijn uitgestald, gaat hij ongestoord en rustig zijn weg, niet aanmatigend en brutaal als de Yankee, ook niet met schuwen weerzin als de Indiaan, of angstig en beschroomd als de neger, maar volmaakt kalm en oplettend. Hij opent den mond niet om eene enkele vraag te doen, maar niets ontgaat aan zijn scherpen blik. Hij kauwt op zijn betelblad, en kijkt naar kramen en uitstallingen, naar vleesch en groenten, naar alles wat op de markt te zien is, zonder dat een glimlach om zijne lippen plooit of zijn voorhoofd zich fronst; maar als hij heengaat, kunt ge het hem aanzien dat hij zich bewust is, alles wat hij daar heeft gadegeslagen, ook zelf te kunnen maken en doen.
Des avonds ontmoeten wij hem in een verkoophuis van gering gehalte; daar slaat hij, met schijnbare onverschilligheid, maar met ingespannen aandacht, de verrichtingen van den afslager gade: hij ziet hem zijne vodden, zijn katoen, zijn papieren schoenen, zinken scheermessen, glazen juweelen en geverfde pelterijen aan den man brengen. Hij zelf doet nooit een bod; maar telkens als de afslager eenige van zijn verdachte artikelen toewijst, doorgaans aan oude arme negerinnen, speelt een glimlach van goedkeuring op zijn gelaat. Onze gele broeder voltooit hier blijkbaar zijne opvoeding.
Wat later in den avond vinden wij hem bij het schietspel; niet zelf zijne centen verschietende, zoo als de Yankees en de negers, maar toekijkende en de schoten opteekenende. Voor zoo ver het mogelijk is eenige andere uitdrukking op zijn onbewegelijk gelaat te bespeuren, schijnt hij minder op zijn gemak in het schietspel dan op de markt en in het verkoophuis. Het belletje gaat te dikwijls; het schieten schijnt hem te hinderen. Na een poosje gekeken te hebben, brengt hij zijn betelblad naar de andere zijde van zijn mond, spuwt zijn rood speeksel uit en gaat naar buiten, zich even weinig bekommerende over het gejoel en gelach van negers achter zijn rug, als een Arabier om het blaften van zijn straathonden.
In Chicago, op het punt van naar Californië te vertrekken, maken wij kennis met Paul Cornell, een van de voornaamste aandeelhouders in de groote uurwerkfabriek van die stad. Van een anderen aandeelhouder, die voor zijne zaken naar San-Francisco gaat, verneem ik, dat Ralston het denkbeeld heeft opgevat om in San-Francisco eene groote fabriek van horloges op te zetten, op eene schaal, waarvan men tot dusverre in Genève of Neuchâtel nog geen begrip heeft. De grondslag van dit plan van Ralston is het gebruik van gele in plaats van blanke werklieden.
"De Chineezen, zegt Cornell, leveren goed werk voor weinig geld; zij zijn dienstvaardig, onderworpen en vlug van begrip; zij drinken nooit en maken geene wanorde.
--Hebben zij eenige bekwaamheid in het maken van uurwerken en horloges?
--Neen, voor 't oogenblik niet: zij moeten het vak nog leeren; maar zij zijn vlug en geduldig. Binnen zes of acht maanden zal de eerste de beste chineesche werkman, dien ge van de straat opraapt, in staat zijn een horloge te maken."
Te San-Francisco is eene maatschappij opgericht, waarvan Cornell president, Ralston penningmeester en Cox secretaris is. Cornell staat aan het hoofd van verschillende godsdienstige inrichtingen en genootschappen. Ralston is een zoo volbloed patriot, dat hij geene sofa in zijn salon, geene schilderij in zijne spreekkamer hebben wil, die niet van inlandsch maaksel zijn. Cox is een van de voornaamste straatpredikers, en wijdt zijn zondag aan evangelisatie-arbeid in de achterbuurten van San-Francisco. Men huurde een deel van eene fabriek, in de Vierde straat, niet ver van de chineesche wijk, en richtte dat voor de nieuwe bestemming in. De instrumenten en machinerie werden van Cincinnati en New-York ontboden. Alles gaat voorloopig naar wensch.
"Het klimaat van San-Francisco, zoo verzekert mij Cornell, is bij uitstek geschikt voor het horlogemakersvak. Te Chicago hebben wij met vele bezwaren te worstelen; het is er zomers te heet, en 's winters te koud. De werklui verlangen warme kleeding, goede woning en duur eten. De hitte en de koude zijn schadelijk voor onze instrumenten; brandstof is er schaars en duur. In Californië hebben wij niets te vreezen van overmatige hitte of koude. Wij kunnen het gansche jaar door werken, en zoo het noodig is, kunnen wij onze machines dag en nacht aan den gang houden."
Met godsvrucht op de plecht en vaderlandsliefde aan het roer, wat kan de nieuwe maatschappij te duchten hebben?...
"De wetten van God!" antwoordt eene stem aan mijn oor, de stem van een geneesheer, die vele jaren in San-Francisco heeft gewoond, en die met groote aandacht en niet zonder bekommering de verhuizing onzer gele broederen van Hongkong naar Californië heeft gadegeslagen.
"Deze onderneming stuit mij tegen de borst, zegt hij mij, bij een vertrouwelijk gesprek in zijne kamer. "Ik ben een geboren Amerikaan, en ik wensch dat Amerika alleen aan de Amerikanen zal behooren. Weinig menschen zijn zoo van nabij bekend met onze Aziaten als ik; en als man van wetenschap en vriend van zedelijkheid en orde, kan ik u verzekeren, dat ik niet dan met leedwezen de bevolking der chineesche wijk zou zien toenemen. Wat stelt die maatschappij van Cornell zich nu voor? Zij zeggen, dat zij in San-Francisco eene nieuwe industrie zullen vestigen. Maar wie zal daarvan profiteeren? Niet de Amerikanen, maar de Aziaten. Zij zullen chineesche werklieden onderrichten, hoe zij den arbeid van den blanke moeten doen, en zich van de markt meester maken. Waarom? Omdat de Aziaat, die van rijst en thee leeft, voor vijf-en-zeventig centen per dag wil werken; terwijl de Amerikaan, die van ossevleesch en bier leeft, vijf dollars per dag vraagt. Als de onderneming slaagt, zoo als Cornell denkt, zullen de horlogefabrieken in Chicago stilstaan, en zullen tweehonderd bekwame werklieden broodeloos zijn; Illinois zal een artistieke tak van industrie zien te gronde gaan, en vijf- of zesduizend Mongolen zullen van Hongkong oversteken, waarvan minstens een tiende gedeelte eene winstgevende betrekking aan onze kusten vinden zal."
Als wij de bergen van Wyoming bestijgen, beginnen wij onzen gelen broeder op onzen weg te ontmoeten; hier als een vlugge bediende, elders als landbouwer of aardwerker; maar overal zwijgend, bescheiden, ijverig en onvermoeid in den arbeid. Sam huivert terug voor den kouden bergwind en de wintersneeuw. Hoog loon verlokt hem naar herwaarts te komen; maar als de ijzige adem van den wind hem het bloed doet stollen, dan geeft hij al spoedig aan de pompoenen en het suikerriet van Zuid-Carolina de voorkeur boven de elanden en herten van Wyoming. Hi-Li kan in elk klimaat en in elk land leven; in Bitter-Creek zoowel als in San-José en Los-Angeles; naar het schijnt, is hitte en koude, droogte en regen, goed en slecht voedsel, vriendelijke en ruwe bejegening, hem altegader onverschillig, mits hij slechts geld kan verdienen en besparen. Te Evanston, een station in het gebergte boven het Zoutmeer, waar gewoonlijk het middagmaal gebruikt wordt, vinden wij eene schaar chineesche bedienden, in korte witte kielen of jurken gekleed als jonge meisjes, met ronde gladde gezichten als meisjes, en vlugge, stille manieren als meisjes.
Aan gene zijde van het Zoutmeer neemt het getal dezer Aziaten voortdurend toe. Overal vonden wij hen, in de valleien bij kaap Horn, te Toano, te Indian-Creek, te Halleck, in hutten en hoeven. Wij ontmoeten hen in Copper-Canon en aan de Palissaden; wij hooren van hen in de White-Pine-Country, in Mountain District, te Tuscarona, te Cornucopeia, te Eureka. Zij gaan overal heen, en doen alles wat men wil. Te Elko komt een chinees naar mij toe, met een stuk papier in zijne hand, waarop geschreven staat: "Li-Wang, Antilope-hoeve, White-Pine-Country." Li-Wang kan geen woord engelsch spreken, toch gaat hij geheel alleen naar de mijndistrikten van Nevada, om daar een onbekenden meester te dienen, die hem misschien behandelen zal als een hond. Chineezen kunnen nog leven, waar alle andere menschen, zelfs de Uten en Shoshones, zouden sterven. Zij zijn tevreden, als zij in verlaten mijnen mogen graven en uitgeputte velden nalezen; zij achten zich voor hunne moeite beloond, zoo hun slechts een korrel zilver, een enkele maïshalm ten deel valt. Zij voeden zich met dood wild, dat zelfs de Indianen niet willen aanraken. Als bedienden, houthakkers, matrozen, mijnwerkers, bleekers, winnen zij het van alle andere arbeiders, mannen of vrouwen, blanken of zwarten.
Te Sacramento was ik getuige van een tooneel, waaruit mij bleek, hoe de blanke jeugd van Californië hun gele broeders en makkers beschouwt.
"Daar is John! roept een jongen tot zijn kameraad: willen wij hem eens gooien?"
De twee knapen houden op met hun spel, om steentjes te werpen naar een mongoolsch werkman, die zijne zware dagtaak verricht voor een zeer matig loon. Niemand schijnt er iets verkeerds in te vinden, dat die kinderen dus dezen onschuldigen man tot slachtoffer van hunne kwaadwilligheid maken.
"Het is John maar!" roept de eene jongen, als ik zijn arm vastgrijp en hem dwing de steenen te laten vallen. "Het is John maar! Ziet ge niet dat het John is?"
De gewoonte om de Chineezen als het uitschot van het menschdom te beschouwen, is dien kinderen als met de moedermelk ingegeven, juist zoo als de knapen in Georgië en Virginië van der jeugd af leerden, op een neger als hun mindere neer te zien. In den Goudstaat geboren, hebben deze knapen, van dat hun besef ontwaakte, gezien dat hunne gele buren als honden werden behandeld, geslagen, geduwd, beleedigd, mishandeld door iederen blanke. Te huis zien zij hoe hunne chineesche bedienden als slaven worden bejegend; in de kerk hooren zij hen voor heidenen uitmaken. Nooit, zoo ver hun geheugen reikt, hebben zij een chinees eene beleediging zien wreken of een slag terug geven. Waarom zouden zij zich dus ontzien, zulk een zwak en weerloos wezen met steenen te gooien?
De vader van den knaap schijnt geheel en al van dezelfde meening te zijn. Verwijten en vermaningen zijn bij hem even onvermogend. John is nu eenmaal een lastdier, een vagebond, een zwerver, die geen enkel recht kan doen gelden. Waarschijnlijk is die Amerikaan zelfs van meening, dat zijn jongen den chinees eene groote eer bewijst, als hij hem een gat in het hoofd gooit.
Deze verschijning van aziatische landverhuizers in Amerika, is zeker eene der zonderlingste, en waarschijnlijk eene der ernstigste gebeurtenissen van onzen tijd: daarmede is aan de amerikaansche staatslieden een vraagstuk gesteld van het uiterste gewicht, dat niet gemakkelijk valt op te lossen.
Sedert onheugelijke eeuwen was het chineesche volk in zijn land opgesloten, niet alleen geen omgang of gemeenschap zoekende met andere volken, maar hunne deur sluitende voor iederen vreemdeling. Zich niet om de buitenwereld bekommerende, wilde dit volk in zijne afzondering volharden, zijn eigen leven levende, zijn eigen voortbrengselen genietende, zijn eigen gewoonten en gebruiken betrachtende. Een muur, het wonderbaarlijkste gewrocht van menschelijken arbeid, scheidde hen van hunne naburen in het westen, terwijl zij in het oosten geen andere buren hadden dan de golven en de winden. In elke chineesche haven, in elke chineesche stad, verrees een slagboom: hetzij een muur of een verbod, in ieder geval iets dat de vreemdelingen buiten sloot. Nu en dan mocht een enkele pelgrim binnensluipen en bij zijne terugkomst wonderen verhalen van het Bloemenland. Een enkele koopman mocht, nu en dan, een ambtenaar omkoopen en ruilhandel drijven: maar, als een geheel beschouwd, was de gansche uitgestrekte landstreek tusschen den Hindoe-Kush en de Gele-zee ontoegankelijk voor vreemde ondernemingszucht en onbekend bij de overige menschheid.