# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 54

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Nevens ieder paleis verhief zich weleer een toren. Nog zijn de overblijfselen van de meeste dier torens duidelijk kenbaar, ook al is het dak over het overgeschoten stuk doorgetrokken, al heeft men vensters in den muur gemaakt en den toren bij de woning getrokken. Tegen het einde der zestiende eeuw stonden er nog vijf-en-twintig torens overeind; thans zijn er nog dertien, zonder de kerktorens mee te tellen, die er bijna eveneens uitzien. Deze burchttorens zijn vierkant, van ongelijke hoogte, maar stout gebouwd, en ondanks hun slanken vorm, indrukwekkend, om niet te zeggen drukkend en somber. Zij dagteekenen allen uit de dagen der onafhankelijkheid, dat is uit de drie eeuwen, volgende op het jaar duizend.

Het bezit van zulk een toren was een voorrecht van den adel, van de hooge staatsambtenaren, en ook van de uitstekende mannen op het gebied van letteren en wetenschappen. Geen enkele toren mocht boven de Rognosa uitsteken; zij staan bijna allen binnen de eerste omwalling, rondom de Piève en het Podesta, in de wijk van den adel. Aan de voorzijde hebben zij eene kleine, lage deur; zij zijn van travertijnsteen gebouwd en schijnen van verre uit één stuk gehouwen; de smalle langwerpige vensters, zeer gering in aantal, zijn zonder orde aangebracht. Men beklimt de torens met behulp van ladders, die van binnen op smalle vloeren rusten; alleen de onderste verdiepingen worden bewoond. Sommige paleizen, hoewel niet veel grooter dan de andere, onderscheiden zich door hun bouwkundigen stijl. Uwe aandacht wordt getrokken door het paleis der Vroedschap, door de casa der Borgheresi: vooral door de woning der heeren Pesciolini. De architectuur is zoo rijk en zoo edel, dat eene oude overlevering dit paleis tot de residentie maakt van Desiderius den laatsten Koning der Lombarden, die in 759 de tweede omwalling zou hebben gebouwd. Een marmeren opschrift vermeldt, sedert eeuwen, dit feit, dat nochtans onjuist is: het paleis zelf is niet ouder dan de veertiende eeuw.

Na een bezoek aan de ruïnen der oude citadel gebracht, en vervolgens de geheele stad doorkruist te hebben, sloegen wij links de straat della Costa in, en stonden eensklaps voor een dier steile paden, die schier loodrecht naar beneden dalen. Wij lieten ons te eer verlokken dit bijna halsbrekend pad te volgen, omdat het uitliep op een monument, dat wij, dus van boven gezien, niet konden thuis brengen. Weleer bezat San-Gimignano op zijn berg welhaast geen ander water dan wat in regenbakken werd opgevangen; weldra werden eenige beekjes en sprengen van de naburige heuvelen stadwaarts geleid, en had men, buiten de poorten, een paar magere fonteinen. Maar de vroedschap, die haar burgers had gelast, zich geregeld te baden, was daarmede niet tevreden. Voor 1239 ontbood zij water van Cellole, op een afstand van vier mijlen buiten de poort San-Matteo. In 1327 richtte de stad publieke baden op in het kwartier San-Matteo. Eene keur van 1415 beveelt dat de mannen en knapen boven de zeven jaar zich tusschen zondag en woensdag moeten baden; de andere dagen van de week waren bestemd voor de vrouwen en meisjes. Er was niets wat de aandacht van deze stedelijke regeering ontging.

Het monument, waarheen wij onze schreden richten, bevat de grootste fontein en de waschkuipen der stad. Zes rondbogen, door zware gedrongen pilaren gedragen, vormen twee kleine schepen, wier lijnen weerspiegelen in een groote waschkuip; de eigenlijke fontein is door een spitsbooggewelf overdekt. Uit de verte gezien, kunt gij u geen rekenschap geven van den aard van het gebouw, dat in een diep ravijn als verscholen ligt. De fontein ontvangt haar water in overvloed van eene mild vloeiende spreng uit den aangrenzenden heuvel; ge vindt daar altijd een zeker aantal vrouwen, die haar waterkruiken komen vullen of bezig zijn met wasschen.

Als ge door deze stad wandelt, die met zoo zeldzame zuiverheid haar antiek-middeleeuwsch karakter heeft bewaard; door deze straten, waar schier geen enkele wanklank de stille melodie van den ouden tijd verbreekt, dan zijt ge bijna geneigd, de weinig talrijke hedendaagsche bewoners voor een anachronisme te houden; en onwillekeurig ziet ge om u heen, of ge niet een groep dier edelen en burgers bespeurt, wier beeld zoo getrouw is bewaard op de schilderijen in de kerken. En zoo ge slechts eenige studie gemaakt hebt van het verleden dezer oude republiek, dan herleeft zij weder geheel voor u, die middeleeuwsche gemeente, demokratisch door haar oorsprong en inrichting, maar, in tegenstelling met wat men heden demokratie noemt, zoo gansch en al doortrokken van den echt-aristokratischen geest: ja, aristokratisch in al hare neigingen en hartstochten, van de liefde voor het schoone tot den dorst naar het oppergezag, hooghartig, fier, vrijheidlievend, maar tevens edelmoedig en grootmoedig. Aan dien geest dankte de kleine stad haar zeldzamen bloei, haar grootheid en macht, de rijke veelzijdige ontwikkeling van haar leven. Die geduchte wallen, die zware torens, die dreigende vestingwerken--ze weten allen te verhalen van bloedigen kamp en wilde worsteling met de vijanden van buiten en van binnen; maar onder de gewelven der kerken en binnen de muren der paleizen, zongen de oude schilders der ziel hunne wonderzoete liederen van de teederste en verhevenste mystiek. De inwoners hebben nog iets van dien ouden grooten geest overgehouden: zij hebben hunne stad en hunne kerk lief; nog heden, als in de schoone dagen van weleer, dragen hier de scholieren het kerkelijk gewaad; en geene schennende naamsverandering der oude straten en pleinen heeft tot dusverre vermocht, dien zin van piëteit bij de burgers van San-Gimignano uit te dooven. Mogen zij lang getrouw blijven aan hun roemrijk verleden!

V.

San-Gimignano verlatende, toog ik westwaarts naar de dusgenoemde Maremma van Toskane: eene dorre, onbebouwde streek, weinig bevolkt, met geen anderen plantengroei dan enkele boschjes van verschrompelde boomen met grijskleurige bladeren. Voortdurend steeg de weg; San-Gimignano zonk achter mij in de diepte; ton westen verhieven zich vrij hooge bergen, waarboven, aan den gezichteinder, een kegelvormige top uitstak, met rechtlijnige muren bekroond. Die hooge berg stond daar immer voor ons, terwijl wij in breede kringen, over den kam der heuvelen, de woestijn doortrokken; eindelijk, toen wij den top vlak tegenover ons zagen, wees de koetsier met zijn zweep naar dit, den ganschen omtrek beheerschend punt, en sprak: "Eccò lassù Volterra!"

Het rijtuig keerde en wij reden recht op de stad aan over een hoogen rug, als een natuurlijke brug, dwars door de cirkelvormige vallei. Om de oude etrurische hoofdstad te bereiken, werden nog twee paarden voor ons rijtuig gespannen: en nu ging het voorwaarts, omhoog langs het steile pad, terwijl wij nederblikten aan den gapenden afgrond nevens ons, waarvan wij slechts door een houten leuning gescheiden waren.

Vlak aan den ingang van Volterra bevindt zich de herberg, op een terras gebouwd, van waar men de Maremma overziet; van deze piazzetta gaat eene smalle straat uit, die naar het hart der stad voert. Terwijl men bezig was de bagage af te laden, ging ik, verleid door de avondschemering, die nauwe straat in; na een paar donkere, tusschen hooge zwarte muren ingesloten steegjes te zijn langs gaan, zag ik een in grootschen stijl aangelegd plein, en stak dat over, in de hoop nu een meer levendiger wijk te zullen bereiken. Geen enkele winkel was verlicht; de koude wind, die op deze hoogte woei, had alle wandelaars van de straat gejaagd; zelfs geen bedelaar was te bespeuren in deze uitgestorven stad, waar de eenzaamheid een zoo veel akeliger indruk maakte dan op het open veld. Spoedig keerde ik naar de herberg, de locanda, de Unione, terug.

Volgens de reisboeken, hebben de vreemdelingen de keus tusschen twee evenzeer beroemde ciceroni: het ongeluk wil echter dat beiden een winkel hebben te Florence, waar zij drie vierden van het jaar doorbrengen, zoodat zij hunne reputatie, die hun klanten bezorgt, gemakkelijk genoeg verdienen. Daar zij ook nu afwezig waren, zond men ons, reeds in den vroegen ochtend, het zoontje van een hunner, een dommen knaap, van wien wij geen woord konden verstaan. Wij moesten hem met eenige baïocchi wegzenden; en daar dit geschiedde juist toen de winkels werden geopend, spreekt het van zelf dat eene zoo ongewone gebeurtenis de algemeene aandacht trok. Een kapper en eene banketbakster verwijderden de bedelaars, en beduidden ons dat wij den concierge van het museum als gids moesten nemen. Aanstonds liepen een dozijn jongens weg, om hem te halen; en weldra verscheen de custode in de gedaante van een kleinen, glimlachenden grijsaard; zijne meer dan verwaarloosde, boersche kleeding, waarvan de tallooze vlekken de vele dienstjaren bewezen, zag er bijzonder armoedig uit: trouwens, hij was gekleed, zoo als bijna iedereen van drie vierden van Italië. De jonge meisjes zijn koket en opgeschikt, de oudere vrouwen en alle mannen gaan bijna in lompen; de nationale kleederdrachten zijn verdwenen; de zucht voor schelle kleuren is nog algemeen, hoewel die kleuren door ouderdom dikwerf haar glans verloren hebben en verschoten zijn.

Het plein van het openbare Paleis (Palazzo publico), waar ge de bibliotheek en de musea vindt, doet u meer aan Siënna dan aan Florence denken; maar het plein is kompleet, en van zoo eigenaardig karakter, dat het op geen ander gelijkt. Tegenover de musea, paleizen van de dertiende eeuw, met drie rijen spitsboogvensters ongelijk verdeeld en hier en daar verspreid, verrijst het Paleis van justitie, in de veertiende eeuw gebouwd. De gekanteelde toren verheft zich hoog boven den evenzeer gekanteelden toren van het Municipio. Aan de hoeken van dit laatste gebouw staan, op voetstukken, twee marmeren leeuwen. Een derde paleis, niet minder oud, de Uffizio postale, verrijst tegenover den met wit en zwart marmer bekleeden ingang van eene der kapellen van de hoofdkerk. In den gevel van het Palazzo publico, even als in het voorhuis, ziet ge de wapenschilden van de oude consuls en van de heerlijkheden, die aan deze kleine republiek onderhoorig waren, voor zij zelve onder het gezag kwam van Florence. Deze veelkeurige gordel van blazoenen schenkt leven en toon aan het sombere monument. Elk van deze wapenschilden is eene herinnering aan eene adellijke familie, wier geheimzinnige geschiedenis deze oude muren zouden kunnen verhalen. In de bibliotheek en in de zaal der gesneden steenen heeft men nog enkele overblijfsels uit dien tijd bewaard: onder anderen zes bruidskoffers, met basreliefs in ivoor versierd, uit de dertiende eeuw; twee bisschopsstaven uit denzelfden tijd, en twee vazen van gebakken aarde, uit de vijftiende eeuw.

In de zaal der gesneden steenen bevinden zich eenige voorwerpen, in vergelijking waarvan de vier à vijf eeuwen oude freskoos der zaal modern schijnen. Die kleine glazen flesschen, met gouden arabesken doorslingerd, hoe zijn die vervaardigd? Reeds de Romeinen wisten daarop geen antwoord meer te geven. Het zijn zwarte vazen, bronzen voorwerpen, werktuigen, die voor een of ander onbekend doel werden gebruikt; zeldzaamheden, waarbij een kleine Mercurius, in zuiver griekschen stijl, bijna eene nieuwerwetsche schepping schijnt. Eene eenige verzameling is die van de etrurische munten, van de grootste asse, waarop een dolfijn is afgebeeld en die den etrurischen naam van Volterra (Velathri) draagt, tot de kleinste stukjes. Er zijn in het geheel zes-en-dertig stukken, van verschillenden vorm: de meesten vertoonen een hoofd, dikwijls met een dubbel voorhoofd.

Het gezicht dezer penningen voert eensklaps de verbeelding terug naar de oudste tijden, naar dat onbekende volk, dat vóór de Romeinen in Toskane heerschte, waarvan de taal en de geschiedenis ons tot heden verborgen zijn, maar dat in eene menigte monumenten de sporen van zijn bestaan en van eene onbekende beschaving heeft nagelaten.

Na een leven van zooveel duizend jaar, dankt Volterra haar roem juist aan die overoude tijden. Deze stad, een der twaalf lucumoniën van de Tyrrheensche confederatie, door Ptolomeus in de derde plaats genoemd, is een der vijf steden, die, volgens het bericht van Dionysius van Halicarnassus, de wapenen hebben opgenomen om den aanval der Tarquiniussen af te slaan. Door onderscheidene staten van Latium gescheiden, beveiligd door haar ongenaakbare ligging, wist deze oude bondgenoote van Porsenna langen tijd hare onafhankelijkheid tegenover de Romeinen te handhaven, en haar zeer uitgestrekt gebied, dat tot Vetulonia reikte, te doen eerbiedigen. In het jaar 456 na Rome's stichting drong Cornelius Scipio Barbatus diep in centraal Etrurië door, en leverde in de onmiddellijke nabijheid van Volterra een bloedigen veldslag, die twee dagen duurde, en waarbij de overwinning toch onbeslist bleef. In de volgende eeuw werd de vesting met storm genomen, en wel vóór het jaar 547; want toen de kleinzoon van Cornelius Scipio, in dat jaar, van de etrurische steden bijdragen vorderde voor de uitrusting der vloot, die Carthago moest aantasten, gaf Volterra koren en was. Voortaan ingelijfd bij een der zestien landelijke stammen, die de eerste territoriale verdeeling van den romeinschen staat vormden, werd Volterra, dat, volgens Fabretti, tot de Sabatina behoorde, eene provinciestad.

Romeinsche burgers geworden, behielden de inwoners van Volterra niet vele van hunne zoo duur gekochte rechten; tijdens den burgeroorlog tusschen Marius en Sylla, kozen zij de partij van eerstgenoemde, hetgeen hun een aanval van Sylla op den hals haalde; na eene langdurige belegering moest de stad zich overgeven, waarop de muren werden geslecht, de voornaamste gebouwen in de asch gelegd, de aloude vrijheden vernietigd en de landerijen der burgers onder de soldaten van den dictator verdeeld. Eenigen tijd daarna werd de stad eene der militaire koloniën van Caesar; onder Augustus werd zij weder herbouwd, verfraaid en van muren omringd, die nog bestaan; vervolgens deelde Volterra voortaan in de algemeene lotgevallen van het romeinsche rijk. Van dit tijdvak zijn intusschen weinig sporen overgebleven. Zie om u heen, delf in den grond: alles spreekt u van de tijden der Etruriërs, bijna niets van de romeinsche periode. In deze streken, waar het verleden met een ondoordringbaren sluier bedekt blijft, in het oude Etrurië, waar nog zoo vele gedenkteekenen zijn overgebleven eener maatschappij, waarvan wij zoo weinig weten, eener taal, die wij ontcijferen zonder haar te verstaan,--zijn gedurende het romeinsche tijdvak twee beroemde mannen opgestaan: Linus, de zoon van Herculanus, de opvolger van Sint-Pieter op den romeinschen bisschopszetel, van wiens leven wij verder niets weten; en Aulus Persius Flaccus, de satirendichter, wiens werk meermalen duister is, en die sedert eeuwen het geduld en de wetenschap der commentatoren op de proef heeft gesteld.

In de benedenverdieping van het Volkspaleis zijn negen zalen gevuld met kunstwerken, sedert het jaar 1731 uit de etrurische graven te voorschijn gebracht. Beelden, sieraden, gereedschappen, vazen, maar vooral kleine sarkophagen, van marmer, maar meest van albast, en met basreliefs bedekt, vormen te zamen eene geheel eenige verzameling, die niet minder dan zevenhonderd dertig nommers telt. De opschriften zijn talrijk: van de rechter- naar de linkerhand lezende, kan men eenige eigennamen ontcijferen, maar dat is ook alles.

Over de afkomst van het oude volk der Etruriërs of Etrusken hangt nog altijd een sluier; naar de getuigenis der meeste oude schrijvers zouden zij uit Klein-Azië afkomstig en met de Pelasgers verwant zijn; en de nieuwste nasporingen hebben althans, mijns inziens, niets aan het licht gebracht, wat met deze hypothese in strijd is.--Noël des Vergers, bijna de eenige die de begraafplaatsen in de verschillende provinciën van Etrurië volledig heeft onderzocht, merkt op dat men in de zuidelijke streken bijna geen andere dan groote sarkophagen vindt, bestemd om het lijk te ontvangen; terwijl meer noordwaarts deze sarkophagen, meer versierd en kunstiger bearbeid, eigenlijk niet meer zijn dan koffertjes, waarin de asch der overledenen werd bewaard. Tot deze laatste kategorie behooren de sarkophagen van Volterra, die op de voorzijde beeldwerken van hoogrelief vertoonen, en op het deksel, de afbeelding van den overledene in slapende houding. De zes oudste van deze sarkophagen zijn van gebakken aarde, en zonder bas-reliefs; de meeste anderen zijn van albast; enkelen, van marmer, hebben in het midden rozen of roosvormige bloemen, waarvan de meeldraden de levensjaren van den overledene aanwijzen: deze bedoeling valt ligt te raden: bij de portretten van jongelieden of kinderen vindt men eenvoudige eglantinen; bij die van bejaarden en grijsaards, volle honderdbladerige rozen. Men vindt hier eene reeks sarkophagen van de Caecinae (Ceicna), een der oudste en doorluchtigste geslachten van Etrurië, dat later eene eerste plaats bekleedde onder den romeinschen adel, en de middeleeuwen door heeft voortgebloeid, tot nu voor vijf-en-zeventig jaren de laatste afstammeling ten grave daalde. Een der Caecinae heeft een apex in de hand: het teeken der priesterlijke waardigheid.--Somwijlen stellen de bas-reliefs begrafenisplechtigheden voor: de overledene wordt weggevoerd op een met twee paarden bespannen wagen, terwijl de bloedverwanten en vrienden den stoet volgen. Op sommige sarkophagen ziet men een begrafenisstoet, overeenkomende met dien der Grieken; muziekanten, met reusachtige gebogen trompetten voorzien, gaan voor den lijkwagen uit, die door vier paarden wordt getrokken. Zeer dikwijls zijn offerplechtighedon afgebeeld; voor het overige is de stof voor de meeste bas-reliefs ontleend aan de verhalen van de Ilias en de Odyssea.--De liggende beeldjes op het deksel houden doorgaans een of ander voorwerp in de hand: een papaver, een lotusblad, een apex, een bal, een flabellum, een wiel enz.--Voorstellingen aan den trojaanschen oorlog ontleend, zijn op de etrurische sarkophagen zeer gewoon. Vooral werd mijne aandacht getrokken door een sarkophaag, waarop het beleg der stad was afgebeeld; bijzonder trof mij hier het karakter van realiteit dat de beeldhouwer aan den achtergrond van zijn tafreel had weten te geven: de muren der stad met haar citadel, een weg, die naar de hoofdpoort leidt, enz.... Die poort zelf, in oud-tyrrheenschen stijl, met een menschenhoofd aan den sluitsteen, en twee andere aan de uiteinden van den boog, had, met den muur, waarin zij gevat was, iets zoo karakteristieks, dat men onwillekeurig den indruk kreeg, hier eene kopie naar de natuur voor zich te hebben. Onze custode vestigde bijzonder onze aandacht op dit bas-relief, gaf er ons eene verklaring van, en vermaande ons, het niet te vergeten.

Nadat wij het Paleis verlaten hadden, voerde hij ons door eene kromme, met zerken geplaveide straat, zoo steil, dat men gevaar loopt, uit te glijden; zij voert naar eene kleine poort, begrensd door een muur, uit kolossale steenen zonder cement opgetrokken. Wij gingen het gewelf door, en volgden eenige oogenblikken een hellend pad, dat om de oude vesting heenloopt. Daar verzocht onze gids ons om te keeren, en tot onze onuitsprekelijke verbazing, zagen wij eensklaps de muren en de poort van Iluwa, zoo als wij die straks op het etrurisch bas-relief van het museum hadden aanschouwd. Dit is de Porta dell' Arco, een der oudste monumenten van Etrurië, waarvan de oorsprong zich verliest in den nacht der tijden. De bekwaamste archeologen hebben de kenmerken van den oud-etrurischen stijl herkend aan deze poort, die misschien sedert vijf-en-twintig eeuwen niet van bestemming is veranderd, en die is afgebeeld op graftomben, die zelven opklimmen tot een tijd, waarvan geen jaarboeken de heugenis bewaren. Uit rechthoekige steenblokken opgetrokken, bestaat de boog uit negentien gehouwen steenen; de twee benedenste en de sluitsteen prijken met menschenhoofden, in hoog relief, die door den tijd eenigszins gesleten zijn.

Wij volgden een poos de oude muren, overal langs den rand van den afgrond gebouwd, en die dikwijls zeer laag moeten afdalen om een vast steunpunt te vinden: de stad schijnt als gedragen in een korf, die op een hoog voetstuk rust. Deze omwalling is tegenwoordig voor Volterra te ruim. Verschillende tijdvakken hebben hier hunne sporen achtergelaten; maar men vergeet de restauraties van Augustus, en zelfs de geduchte citadel, in 1343 door Gaulthier de Brienne gebouwd, bij het gezicht der ontzagwekkende materialen die de Etruriërs hebben moeten bewerken en naar deze hoogte opvoeren, toen zij die geweldige muren bouwden, die het werk van titans schijnen. Die gordel van rotsen, symmetrisch door menschenhanden saamgevoegd, draagt op eene oppervlakte van dertig el lengte en twaalf el hoogte, het bebouwde terras van het oude klooster van Santa-Chiara. Langs den voet dezer cyclopische wallen loopt een smal voetpad, dat door de wortels der boomen wordt bijeengehouden, en dat u vergunt van nabij die zonder cement, regelmatig op elkander gestapelde steenklompen te beschouwen: sommige blokken zijn drie el hoog en zes el lang. De steen is een groenachtig grijze, kalkachtige tufsteen, die zeer hard en dus zeer zwaar is, en die fossiele overblijfselen bevat. De inwoners verzekeren de vreemdelingen, dat die reuzenmuren gebouwd zijn met steenen, die niet in het land zelf gevonden worden: dit is eene dwaling; maar een feit is het, dat men die steenklompen zeshonderd ellen hoog heeft moeten opvoeren, om ze te kunnen opeenstapelen.

Onze oude custode, die ons niet meer verliet en blijkbaar met zijn rol als gids zeer was ingenomen, geleidde ons, langs den weg van Pontederra, naar eene kapel, ter halver hoogte op een heuvel, aan den voet der stad gebouwd. Aan den ingang van een klein klooster, bevindt een door een kerk gesloten poort, die twee kapellen scheidt: de eene toegewijd aan Sinte-Flora, de andere aan Sint-Hieronymus. Boven elk der beide altaren prijkt een meesterstuk der gebroeders della Robbia: een Laatste Oordeel van Andrea della Robbia, en een Sint-Franciscus, aan een monnik en aan eene non zijne orde-regelen gevende, van Luca. Deze kapel behoort aan de Inghirami en ligt aan den bovenrand eener helling, waar zij sedert meer dan tweeduizend jaar hunne bezitting hebben, die van vader op zoon is overgegaan; hunne etrurische graven zijn hier onder den grond gevonden, dragende dien naam, die het romeinsche rijk en de republieken der middeleeuwen heeft overleefd. Aan den ingang van deze bezitting--eene villa met pachthoeven, die eene oasis vormt te midden dezer wildernis van naakte bergen en ravijnen,--heeft Luigi Inghirami een soort van kapel opgericht: in de nis prijkt eene florentijnsche Madonna in bas-relief, die het Kind in de armen houdt; boven de groep blazen engelen op de bazuinen. Dit beeldwerk, dat het jaartal 1536 draagt, zou, naar men zegt, van Michel-Angelo zijn.

