De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 53
Ik achtte dit overzicht van de geschiedenis van San-Gimignano noodig, eensdeels omdat niemand, die met dit verleden onbekend is, de stad inderdaad begrijpen en waardeeren kan; en anderdeels, omdat ook wederom die geschiedenis, in zoo sprekende trekken, ons het beeld voor den geest roept van die fiere italiaansche republieken der middeleeuwen, zoo overvloeiende van leven en forsche kracht, zoo rijk en vruchtbaar op ieder gebied. Het moderne Italië zal, ondanks zijne eenheid, nog zeer veel te doen hebben, eer het eenigermate in de schaduw kan treden van het zoo uitermate versnipperde Italië der middeleeuwen, waar bijna elke stad een zelfstandig brandpunt van ontwikkeling, leven en werkzaamheid, in kunst en wetenschap en beschaving was.
III.
De straat, die wij waren ingereden, was zoo merkwaardig, dat wij, om beter te kunnen zien, de kap van het rijtuig lieten neerslaan. Aan de binnenzijde van de Sint-Janspoort, had men, in de veertiende eeuw, tegen den muur boven den boog, eene Madonna in fresko geschilderd, die, naar men verhaalde, het vermogen bezat om wonderen te doen. Ten tijde van Savonarola oordeelde men het daarom gepast, dit beeld te omvatten met eene kleine kerk, die boven op een grooten boog werd gebouwd en in 1582, op onhandige wijze, werd gerestaureerd.
Aan het einde der straat gaat men onder een tweeden boog door, een overblijfsel, naar men zegt, van eene oude poort, die deel uitmaakte eener vroegere omwalling: is dit zoo, dan besloeg de stad toen eene zeer kleine oppervlakte. De paleizen der edelen verheffen zich bijna allen binnen dien kleinen omtrek, waartoe een onregelmatig, heuvelachtig plein toegang geeft, dat met paleizen in florentijnschen stijl is omzoomd en in het midden prijkt met een waterput, in 1273 gemaakt en in 1346 vergroot door den podestà Malevolti, wiens wapenschild nog op den put te zien is. De zware pilaren, die de architraaf dragen en die architraaf zelf behooren tot den oorspronkelijken bouw. Deze put, waaraan de Piazza haar naam ontleent, getuigt van de zeldzaamheid van het water in een stad, die op een steilen heuvel is gebouwd; daar de put honderdduizend kan water bevat, had men vroeger een groote steenen kuip aangebracht voor het geval van brand. Het water werd geput met bakken of emmers van gebakken aarde, die het eigendom waren van enkele, in de nabijheid wonende partikulieren, aan wie, bij verlies of beschadiging dier emmers, van stadswege eene vergoeding van twee stuivers en vier penningen voor iederen emmer werd betaald. De Cisterna doet eene zeer goede uitwerking op dit onregelmatig driehoekige, sterk hellende plein, omringd door paleizen van rooskleurigen baksteen en geelachtigen steen. Onder die paleizen bemerkte ik het oude paleis der vroedschap of Volkspaleis, dat een der meest antieke gebouwen is en uitmunt door den strengen eenvoud van zijn stijl; daarnaast verheft zich de sierlijke woning der familie Borgheresi. Aan de overzijde staat het paleis der Cortesi; de zware toren, die hoog boven dat paleis uitsteekt, is een oude burcht der Paltoncini, die er twee zoodanige bezaten; de andere is in 1822 ingestort.
Dit plein grenst aan een ander, het plein der Collegiata, zeer oneigenaardig thans del Duomo genoemd. Daar bevindt zich de eenige locanda (herberg) van de geheele stad; zij is tegen het Volkspaleis aangebouwd, tegenover de oude woning der Salvucci, en grenst aan den gemoderniseerden gevel van de collegiale kerk. Terwijl de goede Madama Giusti, padrona des huizes, ons ontbijt liet klaarmaken, verscheen de dochter met het vreemdelingenboek, waarin zij ons verzocht te teekenen. De laatste forestiere, die in deze locanda, waar wij den 19den Maart aankwamen, zijn intrek had genomen, was reeds op den 18den October vertrokken.
Wij hadden onze eerste schreden gericht naar de Collegiata, van buiten ontsierd door trappen en een voorgevel van de achttiende eeuw; maar het was niet mogelijk in de kerk te blijven, zoo overvol was zij. Een Franciskaner-monnik stond op den preekstoel, en verkondigde met groote levendigheid den lof van den H. Josef. Van tijd tot tijd barstte zijn gehoor in lachen uit; eensklaps bracht hij het dan weer tot bedaren door luide kreeten. "Ha ben gridato!" zeiden, in stille bewondering, de contadini tot elkander. Deze goede monniken doen hun best om de populariteit op te houden, die hier verzekerd is aan alles wat aan Sint-Franciscus herinnert, sedert 1227, toen het eerste klooster werd gesticht in de Via di Quercecchio, weinige jaren na een bezoek van den grooten man zelven. De gemeente schonk in 1242 landerijen buiten de Sint-Janspoort aan de Franciskanen; het volk koos hen tot scheidsrechters, tot gezanten, tot kanseliers; en toen in 1499 het algemeen kapittel der orde hier gehouden werd, beijverden de magistraten zich om de afgevaardigden met den meest mogelijken luister en eerbied te ontvangen.
Terwijl het volk naar de preek luisterde, wierpen wij een blik op het zoogenaamde paleis van het Horloge, sedert het einde der dertiende eeuw de residentie der podestà's. Twee bijzonderheden geven aan dit paleis een eigenaardig karakter:--de een-en-vijftig el hooge toren, de Rognosa genoemd, die ouder is dan het paleis;--en eene lage, ruime, donkere, gewelfde zaal, van oploopende zitplaatsen omringd en die door middel van een geweldigen portone op straat uitkomt. Dit hol, zooals men die sombere ruimte bijna noemen kan, is nooit door eene deur afgesloten geweest; volgens sommigen werd hier rechtzitting gehouden. Het paleis werd in 1337 vergroot en van boven van eene loggia voorzien, waarvan de bogen thans dichtgemetseld zijn, en waar de magistraten openlijk met hunne waardigheid bekleed werden.
Tusschen de Rognosa en een anderen, misschien nog ouderen toren, staat een smal huis, met spitsboogvensters, dat vroeger tot het oude paleis van den podestà moet hebben behoord, en dat omstreeks 1340 met twee verdiepingen werd verhoogd. Deze bijzonderheid bewijst dat dit huis, thans een koffiehuis, destijds niet het eigendom was van partikulieren. Immers de vroedschap bepaalde met volstrekt gezag het aantal kamers en verdiepingen, zoowel als de hoogte der torens en de breedte der paleizen. Voor het niet zeldzame geval van straatgevechten en bestorming der huizen, was het billijk, dat de partijen elkander met gelijke wapenen bestreden.
Toen, na de vereeniging met Florence, de vroedschap niet langer het souverein gezag bezat, vestigden de podestà's hunne residentie naast de kerk in het nieuwe Volkspaleis; het oude werd toen bestemd tot woning voor aanzienlijke vreemdelingen en voor sommige staatsambtenaren. Tijdens het woeden der pest in 1420 en in 1464, woonden Domenico Capponi en Lucca Pitti tijdelijk in dit paleis. Later diende het voor kanselarij, en werd ook gebruikt voor de openbare scholen, reeds in 1279 georganiseerd, en waartoe ook eene universiteit behoorde, door Domenico Mainardi gesticht. Later hield het gilde der wolwerkers hier zijne zittingen; sedert 1537 diende de groote zaal tot theater, en het gebouw werd al spoedig wat het nog heden is: een schouwburg.
Ter linkerzijde van het plein, tusschen de kollegiale kerk en l'Orologio, staat het Palazzo del Commune, of del Popolo, of ook del Nuovo Podestà, gebouwd in 1288, toen de burgers van San-Gimignano, in het volle bewustzijn hunner macht, wilden dat hunne overheden en vertegenwoordigers in een gebouw zouden zetelen, hunner en der republiek volkomen waardig. In 1323 wilden de Negen, die, ten gevolge van moeilijkheden met het kapittel, niet langer de klok der kerk gebruikten om de leden van hun raad ter vergadering op te roepen, het gemeentehuis met een toren begiftigen, die al de andere zou overtreffen. Die toren is ruim drie-en-vijftig el hoog; zij hingen er drie klokken in, waarvan de grootste, die het jaartal 1328 draagt, door de gebroeders Riciardo en Francesco, van Florence, werd gegoten.
De massieve toren, van gehouwen steen opgetrokken, heeft van onderen een overwelfden doorgang, vensters op iedere verdieping, en van boven eene uitstekende galerij. Talrijke wapenschilden versieren den toren, krachtens eene ordonnantie van de Negen, waarbij aan al de hoofden der adellijke familiën een schatting van driehonderd pond werd opgelegd, waarvoor hun het voorrecht werd toegekend om hun wapenschild aan den toren op te hangen. Op de binnenplaats van het paleis, die met de wapenschilden der podestà's, basreliefs en een bekoorlijke kleine fresko prijkt, bevindt zich een groote waterput, in 1360 gemaakt, en daarnevens een monumentale trap; het geheel doet u denken aan de binnenplaats van het Bargello te Florence. Aan den voet van dien trap werden de twee gebroeders Ardinghelli en Angelo Bartoli onthoofd.
De bovenverdieping van het paleis bevatte het pretorio of gerechtshof, uitkomende op eene loggia, die nog bestaat, en waartoe de groote trap van de binnenplaats toegang gaf. De groote zaal, waar de Negen zitting hielden en de volksvergaderingen plaats grepen, stond door een vrij hoogen stoep rechtstreeks met de Piazza in gemeenschap. Deze zaal, die de geheele benedenverdieping inneemt, is zeer ruim en treurig vervallen, maar heeft toch nog haar karakter behouden. Zij is tegenwoordig tot museum ingericht.
Vooral in deze zaal vertoont zich de grootheid dezer kleine republiek in een zeer eigenaardig licht. Vroeger waren de voornaamste feiten harer historie op de wanden dezer zaal afgebeeld; van die schilderijen is niet veel meer overgebleven dan het overschot eener Jacht; verder eenige figuren van beroemde mannen, onder anderen Scolaro Ardinghelli, aartsbisschop van Tyrus; en eindelijk een reusachtige fresko, voorstellende de Madonna op een troon, omringd door acht-en-twintig meer dan levensgroote beelden van engelen en heiligen. Aan de voeten der Madonna ligt Mino de Tolomei geknield, die in de eerste jaren der veertiende eeuw podestà was. Een troonhemel, waarvan de draperie door engelen wordt opgehouden, overschaduwt de hoofdfiguur; op dien troonhemel is het wapen der Tolomei, vier wassenaren, geschilderd, benevens het wapenschild der gemeente. Deze voortreffelijke fresko is het meesterwerk van Lippo Memmi.
De oploopende zitplaatsen rondom de zaal waren bestemd voor de prioren met hun priposto (provoost, voorzitter) en hun gonfaloniere; voor hen zaten de hoofdmannen van de welfische partij met hun gonfaloniere; ter wederzijde de rechters, de griffiers, de voormannen der gilden. Allen moesten hier verschijnen, gekleed met de tuniek en kap, of met een mantel "decentemente colorati." De houten zetel of pulpitto der priposti is een der oudste, die men kent: het is een vijfhoekig gestoelte, vrij smal in verhouding tot zijn hoogte, sober versierd en door pilasters omringd. In deze zelfde zaal was het, dat Dante, op 8 Mei 1299, de zaak van het welfische verbond bepleitte.
In 1853 bepaalde de stedelijke regeering, dat de schoone schilderijen, in de kerken en kloosters der stad verspreid, in deze zaal zouden worden bijeengebracht en gerangschikt, ten bewijze van den kunstzin der voorgeslachten. Men vindt hier een honderdtal doeken, waaronder dertig zeldzame en minstens vijftien meesterstukken. Eene beschrijving beteekent niets, voor wie de stukken zelven niet zag: te minder, daar in de schilderijen van dien tijd de afwisseling wordt gemist, waarop onze tijd roem pleegt te dragen, en waarin zij vergoeding wil zoeken voor hetgeen haar ten eenenmale ontbreekt: de onuitsprekelijke bezieling, de innigheid, de extase van de waarlijk geloovige kunstenaars, voor wie het hoogste ideaal werkelijkheid, de kunst inderdaad eene Godsvereering was. Ik zal mij daarom bepalen tot het opnoemen der namen van eenige beroemde meesters, van wie hier werken gevonden worden: Taddeo di Bartolo; Lorenzo Nicolo van Florence, wiens schilderijen zeer zeldzaam zijn, en van wien hier een tryptiek te zien is; Domenico Ghirlandajo, de meester van Michel-Angelo; Vicenzo Tamagni, een der beroemdste leerlingen en medewerkers van Rafael, onder den naam van Vincent van San-Gimignano. Het juweel der galerij is waarschijnlijk een schilderij van Pinturicchio, afkomstig uit het oude klooster van Montoliveto. De Madonna zweeft te midden van een grooten ovalen nimbus, geheel met kleine engeltjes gestoffeerd, ter rechter- en ter linkerzijde liggen een Paus en een gemyterde abt geknield; de achtergrond vertoont een met groot talent gekomponeerd toskaansch landschap.
De Stad met de schoone torens, zoo als San-Gimignano genoemd werd, heeft het levenslicht geschonken aan een aantal dichters, kunstenaars, prelaten, krijgshoofden, gezanten, geleerden, die in hun tijd mede een zitplaats hebben ingenomen in dezen salone, waar nu de kunst alleen heerscht. De geleerde Paolo Cortèse, bisschop van Urbino, wiens geschriften door niemand minder dan Poliziano met lof worden vermeld, en zijn broeder Alessandro, waren van San-Gimignano geboortig. Coppo Coppi, de Nestor der toskaansche dichters, aanschouwde op dezen heuvel het levenslicht. Mattia Lupi, de Vergilius van zijne vaderstad, die in 1463 de Annales Geminianenses, een soort van Eneïde in verzen, voltooide, genoot bij zijn medeburgers zoo hooge achting dat zij hem vrijstelden van alle belastingen. Cherubino Quarquagli, een luimig dichter; Onofrio, wiens borstbeeld in de Collegiata prijkt; Vicenzo de' Cetti, Giulio de Noris, Bartolommeo Nerucci, die een kommentaar op de Divina Comedia geschreven heeft; Filippo Bonaccorsi, bijgenaamd Callimaco, de vriend van Campano en Platina, en een der beroemdste geschiedschrijvers van Italië, waren allen mede van San-Gimignano afkomstig.
De familie Cattani mocht er roem op dragen, aan de Kerk een heilige te hebben geschonken: Sint-Pieter-Martelaar, van de orde der Predikheeren, die door Sint-Franciscus van Assisi tot priester werd gewijd en naar Afrika gezonden om het Evangelie te verkondigen, waar hij in 1220 in Marokko werd ter dood gebracht. Ook Santa-Fina, hier niet minder populair dan Sinte-Catharina te Siënna, werd te San-Gimignano geboren.
Van de schilders, die hier het levenslicht zagen, noem ik er voorloopig slechts twee: Poccetti (Bernardino Barbaselli) in 1548 geboren en leerling van Micaele di Rodolfo del Ghirlandajo; en Sebastiano Mainardi, afstammeling uit een oud adellijk geslacht, dat een aantal uitstekende mannen heeft voortgebracht. Mainairdi was de geliefkoosde leerling en vervolgens de medearbeider van Domenico Ghirlandajo, met wien hij onder anderen aan de prachtige freskoos in de koorkapel van Santa-Maria-Novella te Florence werkte. Maar zijne voornaamste en beste werken bevinden zich in zijn vaderstad San-Gimignano, en met name in de hoofdkerk, oneigenlijk de Domkerk genoemd.
IV.
Toen wij het paleis der podestà's verlieten, was de dienst in de kerk geëindigd, en had de schare zich verspreid over het eerwaardige plein, dat met zijne vijf massieve torens schier aan den binnenhof van een alouden burcht denken doet. Wij traden de kerk binnen. Deze kerk, met hare drie schepen, die van de twaalfde eeuw dagteekent, doch van buiten door smakelooze restauratiën bedorven is, maakt van binnen een zeer bijzonderen indruk. De vrij ver uit elkander staande vensters zijn in de veertiende eeuw nog verkleind, om daardoor voor den muur, die het gewelf dragen moet, meer ruimte te winnen; het daglicht dringt gedempt door geschilderde glazen en hult de gansche kerk in eene geheimzinnige schemering. Bij dat flauwe licht ontwaart ge, niet zonder verbazing, langs de wanden der kerk eene gansche wereld van beelden: de Collegiata werd, tusschen de jaren 1393 en 1490, inwendig geheel, van onderen tot boven, met freskoos overdekt. Daar ontrolt zich, in half schemerachtige figuren, de gansche geschiedenis des Ouden en des Nieuwen Verbonds.
Het is natuurlijk niet mogelijk, al deze schilderijen, waarvan de waarde onderling zeer verschilt, te beschrijven; slechts op enkelen wil ik wijzen. Ziehier, aan den wand rechts van het middenschip, eene voorstelling van het Paradijs, met Christus in heerlijkheid bovenaan en de Madonna, door engelen gedragen. Aan hunne voeten, de machten en tronen en heerschappijen des hemels, spelende op allerlei muziekinstrumenten; lager, de heilige maagden, martelaars en belijders, de Pausen, bisschoppen, stichters van geestelijke orden, allen in de extase der aanbidding. In de hoogte ademt alles de overweldigende macht der onuitputtelijke, goddelijke liefde, die een stroom van vreugde en zaligheid om zich verspreidt; beneden: het blijmoedig vertrouwen, de zaligheid in hope der uitverkorenen. Ga niet vluchtig langs zulke voorstellingen heen, want dan zult gij ze ziende niet zien: de diepe zin, de innige inspiratie dezer verheven kunstwerken, gedichten in kleuren, zullen u verborgen blijven. En toch, hoezeer verdienen zij de volle aandacht, de ernstige liefdevolle studie, deze wondervolle scheppingen van een tijd, waarin de kunst, met minder ophef en rumoer, inderdaad vrij wat hooger plaats innam dan heden ten dage, en waarin zij zelve gedragen en bezield werd door hooge idealen, door een zoo verheven geest, dat al het gemeene als van zelf buiten hare sfeer viel.
Taddeo di Bartolo, de schepper van dit hemelsch visioen, heeft, in het jaar 1393, op den tegenoverstaanden wand, als tegenhanger, de Hel geschilderd, waarbij hij, blijkbaar geinspireerd door Dante, aan zijne verbeelding den vrijen teugel heeft gevierd en een tafereel ontworpen, wel geschikt om een machtigen indruk te maken. Ik ga de verdere reeks der voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament voorbij, maar mag de kerk niet verlaten zonder een blik geworpen te hebben in de kapel van Santa-Fina in het rechter kruispand. De naam van Santa-Fina is te San-Gimignano niet minder populair dan die van Sinte-Catharina te Siënna. Reeds in de veertiende eeuw werden haar bidkapellen toegewijd; het hospitaal harer geboortestad staat onder hare bescherming, en haar beeld hervindt ge telkens op de schilderijen. Haar moeder heette Impereria, haar vader Cambio de' Ciardi. Hoewel uit adellijk bloed gesproten, kende zij reeds van haar geboorte de ontberingen der armoede; toen hare moeder weduwe geworden was, leefden de beide vrouwen van haar handenarbeid. Fina, hoewel van zeldzame schoonheid, weerstond de verlokkingen der wereld, en zocht haar kracht tegen verzoeking in onthouding, gebed, en stille afzondering. Uitgeput door haar strenge boetedoeningen, werd zij krank, en legde zich neder op een smalle plank, waarop zij zich niet kon omkeeren. Na den dood harer moeder, werd zij nog losser van de aarde, en kende geene andere vreugde dan den verborgen omgang der ziel met haar hemelschen Bruidegom; twee weldadige vrouwen, Bonaventura, haar geburinne, en Beldia, haar min, voorzagen in haar nooddruft. Op haar armoedig sterfbed uitgestrekt, door de koorts verteerd, door pijnen gefolterd, week de blijmoedige glimlach niet van haar gelaat, hoewel haar uitgeput lichaam ten grave neigde. Naar de mythe zegt, verscheen haar, acht dagen vóór haar dood, de Paus Sint-Gregorius, die haar haar naderend uiteinde voorspelde. Op den 15den Maart 1253 ontsliep zij. Aanstonds ontloken bloemen rondom haar legerstede, en begonnen de klokken der stad van zelve te luiden. Nog andere wonderen, heet het, werden door haar kracht gewrocht: de burgers van San-Gimignano verkozen haar tot hunne voorspraak; Sixtus IV vergunde in 1481 de vereering van deze heilige; in 1538 werd de kanonisatie nader bevestigd door Paulus III.
Negentien jaar na den dood van Fina, besloot de volksraad, ter harer eere in de parochie eene kapel te stichten; dit plan, dat aanvankelijk door den oorlog en andere rampen en verwikkelingen op den achtergrond geraakte, kwam eerst in 1465 tot uitvoering. De prachtige en rijk versierde kapel, door Giuliano de Mariano gebouwd, prijkt met twee groote freskoos van de hand van Domenico Ghirlandajo, den beroemden leermeester van Michel-Angelo. Deze beide schilderijen zijn ware juweelen, uitmuntende zelfs te midden der rijke kunstschatten van Toskane en Umbria. De eene stelt de Uitvaart van de heilige voor. De bisschop komt de gebeden opzeggen; eene aandachtig luisterende schare omringt hem. Op haar leger uitgestrekt ligt daar Fina, over wier schoon gelaat een onbeschrijfelijk waas van jeugdige teederheid en kinderlijke argeloosheid is verspreid; de gestorvene heft, door een wonder, hare hand op, en schenkt aan haar min de gezondheid, en aan een geestelijke het gezicht weder. Een engel roert de klokken in den toren aan, die van zelve beginnen te luiden. Zielsrust, heilige kalmte, dweepend geloof, ziedaar wat u tegenstraalt uit al de figuren op deze verwonderlijke schilderij, waarop, zoo als de oude Pecori zegt, "de heilige schijnt ingesluimerd aan den mond des Heeren."
De andere fresko verplaatst u in eene armoedige woning, een soort van keuken, met huiselijk gereedschap en vaatwerk. Twee vrouwen zitten te naaien: zij zijn hoogst eenvoudig gekleed, met groote boerinnemutsen op het hoofd. Op den grond ligt Fina, die de oogen gericht houdt naar een hoek van het vertrek, waar haar Sint-Gregorius verschijnt. De eene vrouw, Bonaventura, heeft niets bespeurd; de andere, Beldia, wendt zich half om en ziet de hemelsche verschijning: haar gelaat en houding teekenen wel heiligen eerbied en bewondering, maar niet in het minst verbazing. Weet zij niet, dat bij God alles mogelijk is, en dat de nederigheid der woning voor Hem geen beletsel is voor de openbaring zijner genade en heerlijkheid? Boven ziet ge een schaar van kleine engelen, die de ziel der afgestorvene ten hemel voeren. De rustige toon van het geheel draagt het zijne bij tot den diepen, weldadigen indruk van dat nederig binnenhuis, waar hemelsche verschijningen en wonderteekenen zich zoo geheel geleidelijk invoegen in het gewone, alledaagsche leven, zoo natuurgetrouw weergegeven, dat ge nog heden elk oogenblik het origineel daarvan vinden kunt. Deze naïeveteit, deze treffende onbevangenheid, die het hoogste idealisme op de meest eenvoudige wijze met de alledaagsche werkelijkheid weet te verbinden, zonder dat ge iets van gaping, veel min van tegenstelling, gevoelt, is het groote, onnavolgbare geheim der oude meesters, waardoor zij, ook ondanks de gebreken en zwakheden der techniek, als kunstenaars zoo uitnemend hoog staan.
Aan de kollegiale kerk van San-Gimignano hechten zich groote herinneringen. Eugenius III en Bernard van Clairvaux hebben in deze kerk de heilige dienst verricht. Sint-Bernardinus van Siënna hoeft er gepredikt, zoowel als Felice Peretti, acht-en-dertig jaar voor hij Paus Sixtus V werd. Maar de gedenkwaardigste predikatiën zijn wel die, welke Girolamo Savonarola hier, in de vasten van 1484 en 1485, gehouden heeft. Hier heeft de onstuimige hervormer zijn eerste manifest uitgevaardigd; hier met beslistheid den grooten strijd zijns levens aanvaard; hier zette hij de eerste schreden op den weg, die hem naar den brandstapel van 1498 voeren zou.
De kerk verlatende, staan wij als het ware te midden derzelfde omgeving, die op de oude freskoos onze aandacht getrokken heeft. In de adellijke wijken van San-Giovanni en San-Matteo hebben de gevels der dusgenoemde paleizen allen dezelfde afmetingen: volgens een keur van 1253, mocht de breedte aan de straat niet meer bedragen dan omstreeks zes meter, terwijl voor de diepte der woning het dubbele was toegestaan. Het paleis mocht, behalve de loggia, niet meer dan twee verdiepingen hebben, met twee vensters, die somwijlen in een zelfden boog waren saamgekoppeld; de vensterbogen zijn halfrond of spits toeloopend; somwijlen ook vindt ge bogen in moorschen stijl. De versierde lijsten der vensters zijn van baksteen, dikwijls van verschillende kleur, en met eenvoudige arabesken en relief. Doorgaans is het benedengedeelte der paleizen van gehouwen steen, en de bovenverdieping van baksteen. Er waren twee deuren: de eene voerde naar de vertrekken, de andere naar de loggia of open galerij, op kolommen of pilasters rustende, waar de heer des huizes zijne vrienden of beschermelingen placht te ontvangen.