De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 52
Het was de 19de Maart. De lucht was scherp, de zon gaf geen warmte; de natuur was in haar ontwikkeling niet zeer veel verder dan bij ons te lande. Bouwlanden, afgewisseld door vrij schrale bosschages: zie daar het algemeen karakter van dit landschap, waar de ordeloos verspreide heuvelen niet hoog genoeg zijn om eigenlijke dalen te vormen. De steilste van die heuvelen dragen op hun top een vesting of burcht; op de zachtere glooiingen vertoonen zich, te midden der grazende kudden, groote pachthoeven, sommigen enkele eeuwen oud, de anderen gebouwd naar het model der eersten. Ettelijke slanke, rijzige boomen, een paar cypressen, flankeeren deze gebouwen, voorzien van eene loggia, van een stompen toren, van een poort, en wier rieten dak met woekerplanten is begroeid. Tusschen deze boerenwoningen en de antieke heerenhuizingen verheffen zich enkele kloosters, die door hun zwaren buitenmuur aan een citadel doen denken, maar wier hoeve en korenschuren weder aan het landbouwersbedrijf herinneren; terwijl de kerktoren, boven de groep oprijzende, u de ware bestemming van het gebouw kennen doet. Bij den aanblik dezer nooit aanschouwde, en toch zoo bekende landschappen, rijzen allerlei onbestemde herinneringen voor den geest op: inderdaad, die burchten op den steilen heuveltop, die stille kloosters, rustende aan de oostelijke heuvelhellingen, die boerenwoningen met de ruime, halfgeopende veestallen:--we kennen ze, wij hebben ze menigmalen ontmoet op de schilderijen der oude meesters, en hun beeld is voor ons bewustzijn schier onafscheidelijk verbonden met de onvergetelijke evangelische verhalen, met de gemeenzame, traditioneele voorstellingen van zoo menige episode uit het leven des Heilands. Daarom hebben zij voor ons zoo wondere aantrekkelijkheid, daarom begroeten wij ze als oude bekenden, ook al aanschouwt ons zinnelijk oog ze voor de eerste maal.
Na, een rit van drie uren, vertoont zich ter rechterhand San-Gimignano, en van nu af kan niets anders meer uwe aandacht boeien. Daar de heuvelen deze stad als met een krans omringen, en men om haar te bereiken de naburige hoogten moet omrijden, verliest men haar telkens uit het oog, om haar op het onverwachtst telkens weer te hervinden en van eene andere zijde te overzien. Zoo ge uw rug naar het oosten en uw aangezicht naar de stad wendt, dan schijnen die zware, vierkante, bijna vensterlooze torens--zoo oud dat de steen weder geheel de kleur der oorspronkelijke rots heeft aangenomen;--dan schijnen die massieve steengevaarten, op den heuveltop geschaard, wel geene andere bestemming te hebben dan den hemel te bestormen. Van ter zijde gezien, vormen zij een soort van bundel; dan maken zij te zamen met de omwalling en de oude citadel een zoo fantastisch geheel uit, dat ge denkt aan de grillige schepping van een of anderen toovenaar. Donkere, zwarte wolken dreven langs den hemel; de zon verlichtte met bleeken, fletschen schijn deze zonderlinge dekoratie. Naarmate ge dichterbij komt, klimt de verrassing: half droomend denkt gij aan die oude symbolische voorstellingen van Jeruzalem en Bethlehem, op den gouden grond der byzantijnsche mozaïeken.
Op de wallen, voor de poort San-Giovanni, wordt deze gelijkenis met het Oosten nog sprekender: en toch, deze westersche gezichten zijn ons bekend en gemeenzaam: die lage, gekanteelde muren, die zware plompe torens, die gewelfde poorten met valbrug en bastion, die spitse gevels uitkijkende boven de omwalling, die klokketorens ... die gansche rooskleurige silhouette eener stad boven op eene steile helling, waarvan het verschroeide gras met voetpaden doorslingerd is, met haar eigenaardige tegenstelling van kleuren en lijnen:--gij kent ze weder van ouds, en toch prikkelt zij, misschien wel juist daarom, dubbel uwe nieuwsgierigheid.
Ge treedt door de donkere, lage poort, in eene breede, oploopende straat. Zie om u: ge zijt vier eeuwen teruggegaan: vier eeuwen, want dit is de ouderdom der jongste gebouwen in eene stad, die in den tijd tusschen de regeering der Gravin Mathilde en de opkomst der Medici gebouwd of herbouwd werd.
In de voorrede zijner vertaling van de Kronieken van Siënna, zeide de hertog van Dino dat geene andere stad in die mate den stempel van den ouden tijd had bewaard; Massimo d'Azeglio heeft San-Gimignano het middeleeuwsch Pompeji genoemd. Een enkele blik op deze vesting, met haar drieduizend zielen, is trouwens voldoende om u te overtuigen dat deze aloude stad, zoo vast en rustig troonende op haar dubbelen heuvel, eene grootsche geschiedenis achter zich heeft.
De kronieken van San-Gimignano zijn dan ook uiterst merkwaardig; deze stad was eenmaal eene onafhankelijke republiek, waar de verschillende standen en corporatiën elkander ter dood toe hebben bekampt; waar het volk, rijk geworden, dien fieren trots en dat hooghartig zelfgevoel heeft bezeten, dat eene onmisbare voorwaarde is voor de ontwikkeling van een eigen nationaal leven op elk gebied. In deze hoofdstad zonder wingewesten, verhalen de gebouwen zelven, onafscheidelijk verbonden met de plaatselijke traditie, die zij aanvullen en waaraan zij wederkeerig een deel hunner belangrijkheid danken, de opkomst, de worstelingen, de omwentelingen, den bloei en eindelijk den ondergang eener natie, eener ware demokratie te midden der feodaliteit. In dit kort bestek omvat ge met een enkelen oogopslag een tafreel van de italiaansche republieken in de middeleeuwen, zoo als ze, allen in hoofdtrekken aan elkander gelijk, eenmaal te Perugia, te Florence, te Siënna en elders gebloeid hebben.
Even als de meeste steden van de latijnsche wereld heeft ook San-Gimignano gepoogd, haar genealogie op te voeren tot den tijd van het oude Rome. Twee jonge patriciërs van de partij van Catilina, twee broeders, Mucius en Sylvius, zouden zich, na de nederlaag bij Pistoja, hebben teruggetrokken in de vallei van de Elsa, en daar op twee heuvelen ieder een kasteel gesticht. Vele eeuwen later bouwde Desiderius, de laatste Koning der Lombarden, die zich in het kasteel van Sylvius, dat bereids tot een ommuurd vlek was verheven, onthield, eene tweede omwalling en een prachtig paleis, waar straks Karel de Groote gastvrij ontvangen werd, tot loon waarvoor hij aan de stad vele schoone voorrechten schonk.... Al deze verhalen missen historischen grondslag; de oorsprong der stad, die ook den bijnaam van Castel-Fiorito heeft gevoerd, moet gezocht worden in den ouden heerlijken burcht Sylvia, die weder zijn naam niet ontleende aan zekeren Sylvius, maar eenvoudig aan de boschrijke omgeving.
Toen geheel het omliggende land door Totila der verwoesting werd prijs gegeven, trokken de woeste scharen van den Koning der Oostgothen voorbij de stad Modena zonder haar te zien. Dit wonder was bewerkt door den vromen bisschop der stad, den later heilig verklaarden Geminianus: op zijn gebed, werden de oogen der barbaren gehouden, alzoo dat zij de stad niet zagen. Eerst toen hij een eind verder was, bespeurde Totila, omziende, Modena; maar hij was zoozeer door dit wonder getroffen, dat hij niet op zijne schreden terugkeerde. Deze gebeurtenis verhoogde natuurlijk niet weinig den roem van den heiligen bisschop; uit vreeze voor de barbaren, werden een aantal kerken hem gewijd; en zoo werd ook, tegen het einde der zesde eeuw, in de vallei van de Elsa, eene kerk gebouwd, die, beschermd door dichte wouden, door haar ligging op een steilen heuvel en door haar gordel van muren, binnen de aan Sint-Geminianus gewijde ruimte een aantal landbouwersgezinnen, die voor de barbaren vluchtte, eene schuilplaats zoeken deed.
Vóór de tiende eeuw is er geen enkel dokument te vinden betreffende San-Gimignano, dat door de Keizers aan de kerk van Volterra ten geschenke was gegeven. De band, die deze gewesten met het rijk verbond, werd tijdens de regeering der Gravin Mathilde verbroken; na langdurige worstelingen, die van 1108 tot 1199 duurden, wisten de Gimignanesi zich ook te onttrekken aan de opperheerschappij van Volterra, waaraan zij voortaan slechts zekere feodale rechten verschuldigd waren. Zij waren dus nu eene zelfstandige gemeente en verkozen hun eigen consuls; daarop plaatsten zij, op het voorbeeld der Florentijnen, aan het hoofd der regeering een podestà of oppersten rechter, die steeds een vreemdeling moest zijn. De eerste, die deze waardigheid bekleedde, was Maghinardo Malevolti, van Siënna.
Van dit oogenblik tracht de kleine republiek van tienduizend zielen, waarvan de bevolking in 1350 met de helft vermeerderd was, zich geheel van de souvereiniteit van Volterra te ontslaan, en de omliggende kasteelen en heerlijkheden aan haar gezag te onderwerpen. In hun landbouw, in hunne kudden, in hun wolleweverijen, bezaten de Gimignanesi een mild vloeiende bron van welvaart en rijkdom: te meer daar strenge wetten de burgers tot eene hoogst eenvoudige levenswijze verplichtten, en alle pracht en weelde uitsluitend voor het algemeen, voor den staat en zijne behoeften, bleef voorbehouden. Zoo ging, zij het niet zonder heftige burgertwisten, de woelige en geduchte tijd der vreeselijke worsteling tusschen Keizer en Paus voorbij, zonder dat de ontwikkeling der krachtige republiek daardoor merkbaar werd gestremd. Na den dood van Frederik II werden de Ghibellijnen uit de stad verdreven, en door een welfisch gezind gemeentebestuur de volksregeering ingevoerd. De veldslag van Montaperto, die de zege aan de Ghibellijnen schonk, deed ook de Guelfen van San-Gimignano in ballingschap gaan. Maar toen, in 1266, Karel van Anjou, het hoofd der Guelfen, Manfred verslagen had, riepen de burgers van San-Gimignano de tegenpartij der Ghibellijnen op nieuw aan het bestuur.
In het jaar 1276 bereikte de stad het toppunt harer politieke grootheid; deze periode van bloei hield, hoewel niet zonder toenemend gevaar van buiten, nog ongeveer een eeuw aan: de stad, zoo als wij haar thans voor ons zien, is in dat tijdvak, dat wil zeggen tusschen het einde der twaalfde tot omstreeks de helft der veertiende eeuw, bijna geheel gebouwd. In dien schitterenden tijd werd San-Gimignano, dat bereids dichters, rechtsgeleerden en staatsmannen van naam had voortgebracht, door Siënna en Florence meermalen tot scheidsrechter gekozen om uitspraak te doen in haar onderlinge geschillen, en zond de stad, bij zulk eene gelegenheid, aan Paus Innocentius V en aan Karel van Anjou gezanten, om de belangen van het verbond der Guelfen te bespreken. Later koos San-Gimignano, op aansporen van Martinus V, de zijde des Keizers; de burgers van Siënna zonden den beroemden Salvani als gezant naar deze republiek, welker bondgenootschap, eenige jaren later, door Karel II van Sicilië werd gezocht. Eindelijk, om de stad, die nog eenige grieven tegen de Florentijnen had, tot verzoening te bewegen en te verkrijgen dat zij zich door haar schepenen op de vergadering van het toskaansche verbond zou laten vertegenwoordigen, schroomde Florence niet, naar het kleine San-Gimignano den beroemdsten burger te zenden, dien het ooit bezeten heeft. Op den 2den Mei 1299 verscheen niemand minder dan Dante Alighieri in den raad der republiek, om voor den podestà Mino de'Tolomeï de zaak van Florence te bepleiten.
Niet zonder moeite slaagde de gemeente er in, de edelen te verzoenen met de volksregeering; bij elke overwinning der Ghibellijnen hervatten de machtige baronnen met hun aanhang den kamp; zij streden tegen de edelen van de andere partij, en beiden zochten zich maar al te vaak te versterken door bondgenootschap met den vreemdeling. Toen de twist der Witten en Zwarten de oude partijen ontbond en in factiën oploste, stonden aldra de verschillende wijken der steden vijandig tegen elkander over; de straten werden slagvelden, en ieder huis eene vesting. Ook te San-Gimignano woedde de partijschap met groote heftigheid; ge vindt daarvan nog de herinnering in de zware gekanteelde paleizen of burchten, die nog steeds de namen hunner oude eigenaars dragen. Tegen het einde der dertiende eeuw, openen de Salvucci, Ghibellijnen, de vijandelijkheden tegen de Pellari, Guelfen;--in 1319 vatten Tribaldo en Fusco Baroncetti de wapenen op tegen de gemeente; zij werden verbannen.--De samenzweering van Gentile Buondelmonte tegen den podestà Ranieri Trevio, in 1321, is een voorspel der gevaren, die deze republieken van de zijde harer machtige en eerzuchtige burgers zullen dreigen. De verdreven rebel roept de tusschenkomst in van Florence, dat het vonnis van den podestà, een florentijnsch burger, vernietigt, en Gentile keert in triomf naar San-Gimignano terug.
Weldra barstten nieuwe twisten en oneenigheden uit, ditmaal aangestookt door het geslacht der Ardinghelli, dat door een deel van den adel werd gesteund. Aanvankelijk tot de partij der Guelfen behoorende, en omstreeks 1324 hoofden van de partij der Witten, worden zij door de kroniekschrijvers tot de Ghibellijnen gerekend, omdat hun streven gericht was op de omverwerping der gemeente, welfisch bij overlevering, ten einde het gezag voor den adel te herwinnen. In 1325 komen zij in openlijken opstand, en worden verbannen; in 1331 teruggeroepen, worden zij zes jaar later weder verjaagd, keeren op voorspraak van Florence nogmaals terug, ontsteken op nieuw den burgeroorlog en worden nog in hetzelfde jaar andermaal gebannen. In 1342 zetten zij van buiten af eene samenzweering op touw, verzamelen krijgsbenden en trachten San-Gimignano bij verrassing te overrompelen. Met hunne aanhangers worden zij nu voor eeuwig uit de stad en haar rechtsgebied gebannen. In het volgende, een nieuwe aanval: de Ardinghelli worden nu ter dood veroordeeld, welk vonnis door Florence wordt bekrachtigd. Maar de uitvoering blijft, ten gevolge van vreemden invloed, achterwege; zelfs worden de ballingen in 1349 teruggeroepen en hun alle straf kwijtgescholden. De vroedschap, die, ten gevolge van deze intriges en partijschappen, langzamerhand onder het gezag van Florence is geraakt, wordt nu verder met rust gelaten; maar thans beginnen de baronnen met elkander te twisten om de regeeringsposten; de Salvucci tegen de heeren van Picchena; Rosso de' Rossi, om meester te worden van het kasteel della Pietra, enz.... Aan die bloedige twisten namen ook andere familiën deel: de Vannelli, de Montigrani, de Cepparelli, de Chiarenti, de Nerucci, de Rudolfi, de Franzesi, die zich beroemden van de paladijnen van Karel den Groote af te stammen; de Bonnacorsi, de Ficarelli, de Cugnanesi, de Montaguto, de Mantellini, die reeds in de twaalfde eeuw hun burchttoren tegenover de collegiale kerk hadden gebouwd, waar hij nog staat. Om zich van het gezag meester te maken, riepen deze republikeinen de hulp van den vreemdeling in tegen hun vaderland, dat zij trachtten te verkoopen, om het dan, onder vreemde bescherming, te kunnen regeeren, en deel uit te maken van den Raad der Negenen, het uitvoerend bewind van den staat. De pest van 1348, die drie vijfden van de bevolking van Toskane ten grave sleepte, richtte ook te San-Gimignano de geduchtste verwoestingen aan, zoodat de stad niet meer dan vier-en-twintig voetknechten, onder den hoofdman Rossellino Ardinghelli, ter beschikking van de toskaansche ligue stellen kon.
Door toedoen van Florence was een wapenstilstand gesloten, en alle ballingen waren wedergekeerd, toen de Ardinghelli in het traktaat eene bepaling meenden te vinden, die nadeelig was voor hen en ten gunste van de Salvucci, wier macht niet minder te duchten was. De eene partij wil die bepaling intrekken, de andere haar handhaven: de strijd begint op nieuw; en Florence is genoodzaakt, driehonderd ruiters af te zenden om den vrede te herstellen. In spijt van de vroedschap, wordt het artikel, dat tot den twist aanleiding had gegeven, ingetrokken.
Maar daarmede was de zaak niet uit. Een zekere Ilario, een aanhanger van de Ardinghelli's, gaf, in een oogenblik van drift, een slag aan Michele di Pietro, een man van geringe aankomst en lid van den Raad der Negenen. Dit geschiedde in tegenwoordigheid van Rosellino Ardinghelli. De Salvucci beweerden dat Rossellino medeplichtig was aan de beleediging, en lieten Altoviti, kapitein des volks, afzetten, onder voorwendsel dat hij op Rossellino Ardinghelli niet de strenge bepaling der wet had toegepast, waarbij ieder edelman, die een burger beleedigde, met de zwaarste straf werd bedreigd. In zijne plaats lieten zij Benedictus Strozzi, hun leenman, tot capitano del popolo benoemen, wien zij aan het verstand brachten dat de gebroeders Ardinghelli, in overleg met zijn ambtsvoorganger, het plan hadden gesmeed om eene omwenteling tot stand te brengen en hunne tegenstanders te vermoorden. Rossellino en Primerano Ardinghelli werden op den 1sten Augustus 1352 in hechtenis genomen, en een krimineel proces tegen hen op touw gezet. Op het vernemen van deze tijding, beval de Signoria van Florence aan Strozzi, die een florentijnsch burger was, dat hij die hoog aanzienlijke en invloedrijke edellieden onmiddellijk op vrije voeten moest stellen, zoowel als Angelo Bartoli, dien men voor hun medeplichtige uitgaf. Maar eer dit bevel te San-Gimignano aankwam, waren de drie beschuldigden op aansporing der Salucci reeds den 19den der maand, beneden aan den grooten trap van het paleis, onthoofd.
Deze schandelijke daad had vreeselijke gevolgen: de Ardinghelli met hunne aanhangers en de heeren van Picchena zwoeren den Salvucci bloedige wraak. Met de Picchinesi en de Rossi van Florence kwamen zij onder de muren der stad bijeen, en werden door hunne bondgenooten aan de poort van Quercecchio binnen gelaten. Nu tastten zij, op het plein, het paleis van de Salvucci, dat tegenover het raadhuis stond, aan, en vermeesterden het, na een langdurig en bloedig gevecht: het paleis werd geplunderd en in brand gestoken, en de overwonnen partij uit San-Gimignano verjaagd. De beide partijen kuipten en intrigeerden nu te Florence, de eene om opheffing, de andere om handhaving van den ban; eindelijk, na lang gehaspel, zond Florence troepen om de Salvucci weder in hun recht en bezit te herstellen; maar de Ardinghelli, die meester in de stad waren, sloten de poorten voor die troepen toe. De burgers van San-Gimignano echter, verschrikt over de mogelijke gevolgen van deze vermetelheid, dwongen nu de Ardinghelli in onderwerping te komen.
De handel had onder dit alles veel geleden: uitgeput door de oorlogen met haar buren, door de innerlijke tweespalt, en door kostbare ondernemingen, waarvoor de middelen der vroedschap te kort schoten, verkeerde San-Gimignano in moeilijke omstandigheden. Vroeger, in de dagen van voorspoed, had de stad de vestiging van een aantal kloosters binnen haar muren begunstigd: nu waren die kloosters voor haar een bezwaar te meer geworden, want door schenkingen als anderszins was een zeer aanzienlijk deel van het grondgebied der stad in hun bezit overgegaan. De belastingen brachten daardoor zooveel minder op; de stad kon uit hare inkomsten niet langer de hooge renten betalen der gelden, haar voorgeschoten door florentijnsche bankiers, die tevens leden waren der regeering. In 1366 zag de Raad van Negenen zich mitsdien gedwongen, eene belasting op de geestelijke goederen te leggen, die niet dan na veel tegenspartelen werd betaald.
Maar de glansrijke loopbaan der republiek neigde, na honderd-drie-en-vijftig jaar, ten ondergang. Met schulden overladen, door de florentijnsche woekeraars geperst, verscheurd door binnenlandsche twisten, was de regeering van San-Gimignano niet langer bij machte de noodige soldaten te betalen om den vrede te handhaven: haat en wangunst hadden de republiek ten val gebracht. De laatste worsteling der Ardinghelli's en Salvucci's, aangestookt en volgehouden door de aanhangers van de twee machtigste geslachten van San-Gimignano, verhaastte de noodlottige ontknooping: de Salvucci, in een oogenblik toen de fortuin hem tegen was, dreven in den raad het besluit door om het grondgebied van San-Gimignano aan de republiek Florence te verkoopen. De Gimignanesi verzochten dus aan hunne oude bondgenooten om als hunne kinderen aangenomen te worden. Dit voorstel was lang voorbereid en kwam in geenen deele onverwacht; niettemin beraadslaagde de florentijnsche Signoria zeer ernstig over het verzoek, en de gevraagde gunst werd met de meerderheid van slechts één stem toegestaan.
De republiek van San-Gimignano drukte toen haar groot zegel in groen was op een in blanco gelaten perkament, dat naar Florence gezonden werd, ten teeken dat men de bepaling der voorwaarden van de overeenkomst aan de edelmoedigheid van Florence overliet. Niet minder hoffelijk, plaatste de Signoria twee kruisen aan het hoofd van het blad, en zond aan de Gimignanesi twee blanco perkamenten terug, ten teeken dat men hun zelven overliet de voorwaarden voor hunne verbindtenis vast te stellen. Dit geschiedde in 1353. Florence bracht geene verandering in den republikeinschen regeeringsvorm der stad, en zond er, even als tot dusver, haar podestà's heen. San-Gimignano behield zijne vroedschap, zijne magistratuur en de prachtige zijden en purperen staatsiegewaden, die zooveel luister bijzetten aan de plechtige vergaderingen in de groote zaal van het gemeente-paleis. Deze praalvertooningen hielden stand tot in het laatst der vorige eeuw.
Aanvankelijk ging alles goed: de ligue van Toskane hield hare vergaderingen te San-Gimignano; de vroedschap ging voort met de verfraaiing der stad. Tijdens het woeden der pest in 1450, stelde de podestà Piero Mancini voor, dat de vreemdelingen, uit besmette streken afkomstig, uit de stad, waar de epidemie nog niet was doorgedrongen, zouden geweerd worden; maar de raad en het volk besloten eenstemmig, dat aan alle buren en vreemdelingen, zonder onderscheid, schuilplaats zou worden verleend. De aanzienlijken van Florence weken dus naar San-Gimignano, dat een ruim paleis tot hunne beschikking stelde. Onder die gasten vinden wij, nevens andere beroemde namen, die van Lorenzo Capponi, van Bernardo en Piero de' Medici, en van Ludovico Galileo Galileï, uit een oud geslacht gesproten, dat later algemeen bekend zou worden. San-Gimignano had ook den grooten Cosmo de' Medici, den pater patriae, een wijkplaats aangeboden, maar hij had bereids eene uitnoodiging te Volterra aangenomen. Een halve eeuw later ontving San-Gimignano, met groote eerbewijzen, een ander beroemd Florentijn, Macchiavelli, door het gouvernement afgevaardigd als commissaris voor de oprichting eener nationale milicie, die de plaats der vroegere huurtroepen moest innemen.
Maar toen was de verhouding, ondanks de trouwe aanhankelijkheid van San-Gimignano aan de Medicis, reeds minder aangenaam geworden. Sedert vijftig jaren trachtte Florence, zelf door geldnood geperst en bovendien door beursmannen geregeerd, van de Gimignanesi zooveel mogelijk profijt te trekken. Reeds in 1374 hadden de Florentijnen, ondanks de vermaningen en waarschuwingen van Rome, den verkoop bevolen van de kerk- en kloostergoederen; er werd toen eene overeenkomst gesloten: de geestelijkheid betaalde eene schatting van tweehonderd-vijftigduizend gouden dukaten en behield haar goederen. De belastingen werden allengs zoo drukkend, dat de bevolking steeds meer verarmde en ten gevolge daarvan gaandeweg verminderde. De misdaden namen hand over hand toe, de vroegere welvaart was verdwenen: zoo was de toestand dezer eens zoo bloeiende gemeente, toen, omstreeks 1530, de florentijnsche republiek bezweek. Honderd-zestig jaren later telde San-Gimignano met haar rechtsgebied niet meer dan drieduizend-driehonderd-vijftig zielen. De stad was schier geheel verlaten; maar juist aan deze verlatenheid dankt zij het, dat haar monumenten bijna ongeschonden in wezen bleven; men heeft geene veranderingen aangebracht om de later komende geslachten te huisvesten, en zoo staat de kleine, gestorven republiek nu daar, gekroond met al de majesteit eener nekropolis.