De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 51

Chapter 51 3,527 words Public domain Markdown

Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag, toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was; en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water, door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone menschen uit.

Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij de inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen, zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten onzen gids met de paarden vertrekken.

Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste, door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras, konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo menig dal der Alpen en der Pyreneën.

De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneën "coueylas" of "jasses" worden genoemd; het eenige verschil was, dat zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest, een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was, op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij zonder ongeval den ingang der "jasse" te bereiken.

Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden, op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden, stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.

De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts, die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken sprekend op sommige streken in de Pyreneën: dezelfde waterkommen, meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen, zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneën vinden kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren, maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.

Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte, waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.

Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.

Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet waarom, in feestgewaad gehuld.

Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek, verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan; de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land, waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen.

Drie Toskaansche steden. Empoli.--San-Gimignano.--Volterra.

I.

De heer Havard heeft een veel gelezen boek geschreven, onder den titel: Les Villes mortes du Zuyderzée; en ware het niet, dat ik voor de eenvoudige schetsen, die hier volgen, elke vergelijking met dit boek, als gevaarlijk, moet wenschen te vermijden, dan zou ik ook wel boven dit opstel hebben willen schrijven: De doode steden van Toskane. Want inderdaad, de steden, waarvan de namen hierboven te lezen staan, worden maar uiterst schaars door toeristen bezocht, en hare voornaamste aantrekkelijkheid ligt dan ook in haar verleden, in de herinneringen en overblijfselen, die zij nog van dat verleden bewaard hebben. Wij gaan een stuk oude geschiedenis, als uit het graf, voor onze oogen zien oprijzen; ons verplaatsen te midden der monumenten van een lang vervlogen tijd. Wie voor deze dingen geen hart heeft, houde zich dus voor gewaarschuwd, en ga niet mede; maar welkom is ons ieder, voor wien het eene behoefte is, juist in die herinneringen van het verleden bij wijlen een troost te zoeken te midden van al de verwarring en overprikkeling van het heden.

Een eerste bezoek aan Italië is doorgaans niet anders dan voldoening aan een zekere mode of aan eigen nieuwsgierigheid; maar wie dat land in den grond heeft leeren kennen en liefhebben--wat in menig opzicht hetzelfde is;--wie hier als het ware een ander, een ideaal vaderland gevonden heeft, voor hem is het wederzien, na jaren lange afwezigheid, een onuitsprekelijk, het gansche hart doortrillend genot.

Ik had te Pisa op den spoortrein plaats genomen, om over Siënna naar Rome te gaan, en moest nu te Empoli uitstappen en drie uren wachten op het vertrek van den volgenden trein. Deze aloude groote marktplaats der toskaansche volksstammen, allengs afgedaald tot den rang eener kleine landstad, vervolgens tot dien van fabrieksplaats en van station van de ferrovia, is tegenwoordig voor de reizigers en vreemdelingen ook niet veel meer dan een plattelandsstation, waar men somwijlen genoodzaakt is, eenige uren van zijn kostbaren tijd nutteloos te verspillen.

Om een ontbijt te bekomen, moesten wij de ons aanbevolen herberg del Sole gaan opzoeken, gevestigd in een vervallen paleis, dat voor verreweg het grootste gedeelte woest en ledig staat. De verbazing van den kastelein, toen hij eensklaps een ontbijt voor twee vreemdelingen moest opdisschen, was wel het beste bewijs van de verlatenheid en vergetelheid, waarin het antieke Emporium thans verzonken is. Tegenover ons verhief zich de sombere voorgevel van een ander voormalig paleis, met half gebroken wapenschilden en blazoenen, waaronder dat der Medici, versierd; deze herinnering aan de florentijnsche gebouwen kon ons troosten, terwijl wij op een soort van ruime vliering, zonder eenig ander meubelstuk dan de tafel waaraan wij zaten, ons sober maal gebruikten. De italiaansche keuken is juist niet geschikt om den vreemdeling tot lang tafelen te nopen: wij maakten er dan ook spoedig een einde aan, en gingen naar buiten.

Bij het uitkomen van eene straat, werd onze aandacht getrokken door een campanile, die ons herinnerde aan den toren van het Oude Paleis te Florence. De bouwmeester van dezen toren van San-Stefano heeft blijkbaar dit schitterend voorbeeld voor oogen gehad; maar toen hij, ten jare 1685, dit steenen dichtstuk der veertiende eeuw in zijne taal wilde vertolken, is hem dit maar half gelukt; aan alles is het voelbaar dat de eigenlijke inspiratie ontbreekt, en daarmede ook de onmisbare voorwaarde voor die niet te omschrijven eigenschap, die men schoonheid noemt en die aan een kunstwerk eerst waarde geeft. Ook de kerk zelve van San-Stefano en die van de Madonna del Pozzo hadden niets wat ons boeien kon, niettegenstaande de eerste eenige fresko's van Daniel van Volterra bezit.

De verlaten en vervallen paleizen van Empoli roepen herinneringen terug, die in zoo scherp mogelijke tegenstelling staan met de prozaïsche gewoonten en werkzaamheden van eene industriëele bevolking; en juist aan dit contrast dankt de stad haar eigenaardige poëzie. Als ge door de stille straten wandelt, komen u uit de diepe, donkere huizen onharmonische geluiden en onaangename geuren tegen, die u op eenmaal ver van Italië, naar eene of andere fabriekstad van het Noorden, verplaatsen; ook de lieden, die gij ontmoet, vertoonen, schoon door de zon verbrand, den eigenaardigen type van menschen, die hun leven binnenshuis aan den arbeid doorbrengen. Er wordt hier zeer veel aardewerk vervaardigd, dat naar elders, ook naar het buitenland, wordt vervoerd; intusschen vindt men hier geene groote fabrieken, daarentegen is schier iedere winkel, en hun getal is zeer groot, tevens fabriek.

Zoo dwaalden wij treurig door de straten, zoekende naar iets, dat ons met het oponthoud kon verzoenen, toen wij eensklaps den hoek van een muur omsloegen, en onze wensch boven verwachting bevredigd werd. Wij stonden op een plein van middelbare grootte, omgeven door een kerk en oude paleizen, deels uit marmer, deels uit baksteen opgetrokken. Ge vindt hier overblijfselen van drie verschillende eeuwen, waarvan de zestiende de jongste is; de Piazza is door zuilengangen omringd, met groote zerken geplaveid, en heeft in het midden eene fraaie fontein, met leeuwen versierd. Aan mijne linkerhand had ik den ingang van een kleinen florentijnschen kloosterhof uit den tijd van Ammanato, en grenzende aan de collegiale kerk, wier beurtelings met zwart en wit marmer ingelegde voorgevel aan San-Miniato denken doet.

Welk eene aangename verrassing: ik hervond mij eensklaps te midden van het florentijnsche Italië, waarnaar ik zoo vurig verlangd had. Deze Piazza met haar zuilengangen; die kerk met haar campanile, slank oprijzende naar den helderen blauwen hemel; die witte vogels, hoog in de lucht, met vroolijke kreten de primavera begroetende ... dit alles verkwikte mij als een vizioen uit eene andere, schoone wereld.

En dit vizioen was werkelijkheid; en zoo ik mij tot dusver beklaagd had over den tragen gang van den tijd, nu begon ik zijn haastigen spoed te beklagen. In een der kapellen van de collegiale kerk heeft men de schilderijen bijeengebracht, die vroeger in de kloosters bewaard werden, maar na de opheffing dezer inrichtingen in de kerk zijn geplaatst, ten einde ze zooveel mogelijk te onttrekken aan de roofgierige handen van het italiaansche gouvernement. Wij konden dien schat slechts vluchtig bezichtigen: toch zagen wij een predella van Domenico Ghirlandajo; eene Maria-Boodschap van Botticelli; eene kleine Madonna, naar men zegt van Fra Angelico; eene Pièta [23] uit de school van Giotto; nog andere schilderijen, benevens fraaie bas-reliefs van Andrea della Robbia, en een prachtig standbeeld, Sint-Sebastiaan, van Rossellino. Zoo vonden wij, in dit onaanzienlijk vergeten vlek, de groote meesters weder der scholen van Siënna en Florence. Naast eene Santa-Lucia van Giotto hing een Sint-Thomas van een tot dusver voor mij onbekenden schilder, Jacopo d'Empoli. In de aangrenzende doopkapel, die met een marmeren doopvont van 1447 prijkt, kunt ge een verrukkelijk schilderij van Mazzolino bewonderen: de Doop van Christus. Jezus wordt door de Moedermaagd ondersteund, terwijl de Dooper, die voor den Heiland is neergeknield, hem de handen kust.

Het laatste, aan de linkerhand, van de drie of vier paleizen, die tegenover de Collegiata verrijzen, is geheel met fresko-schilderingen overdekt, die door een vooruitstekend dak tegen den invloed van de lucht en het weer beschermd worden. Tusschen twee bogen nabij de gothische poort, leest ge een opschrift, dat de herinnering bewaart aan een feit, waardoor dit gebouw van de dertiende eeuw, hetwelk tweemaal werd gerestaureerd, voor altijd aan de vergetelheid wordt ontrukt. Het was hier, dat, in 1260, na den slag van de Arbia, door de zegevierende Ghibellijnen die beroemde vergadering werd gehouden, waarin tot de verwoesting van Florence, het voornaamste bolwerk der Guelfen, besloten werd. Maar de overwinnaar van Montaperto, die de wateren der Arbia had rood geverwd met het bloed van vierduizend vijanden, stond op tot verdediging der stad, die voor zijne wapenen bezweken was. Toen de kloeke, stoutmoedige welsprekendheid van den soldaat er niet in slaagde, de onstuimige, opgewonden menigte tot reden te brengen, trok hij zijn degen, bedreigde de heftigste heethoofden en bracht het eindelijk zoo ver dat de geprikkelde hartstochten tot bedaren kwamen. Farinata degli Uberti redde alzoo Florence, waaruit de Guelfen verdreven werden; maar weldra keerden dezen weder terug en verdreven nu op hun beurt de Ghibellijnen, die nimmer zijn teruggekeerd. Bij die gelegenheid sloopten de Guelfen het paleis der Uberti; op de plek waar het stond, verrees het Oude Paleis. In den tienden zang van de Hel, laat Dante deze gebeurtenissen en zijne eigene aanstaande verbanning door de schim van Farinata voorspellen. Zoo herleeft, in dit vergeten vlek, eensklaps de dramatische geschiedenis der florentijnsche republiek; op dit kleine plein ontmoet ge den meester der Renaissance bij haar eersten opgang. Dante zelf verhaalt u, in zijn goddelijk epos, de daden der helden, die op dit tooneel hunne aangrijpende rol hebben gespeeld. Zulke herinneringen zijn meer dan voldoende om een stad, ook al is ze niet meer dan eene fabriekplaats, de onsterfelijkheid te verzekeren.

Die onverwachte verrassingen van Empoli riepen mij andere onbeteekenende stadjes voor den geest, waar evenzeer de kunst haar schatten heeft uitgestort, zooals Pistoja, Prato en eenige andere, die ik vroeger had bezocht; en de lust beving mij om ook verder die verloren en vergeten plaatsjes, die onbekende vlekken, die verstrooide parelen in de woestijn, op te zoeken. Wederom ontwaakte in mij, met nieuwe kracht, de begeerte om de plat getreden wegen te verlaten en de bekende plaatsen, waarheen ieder toerist zijne schreden richt, voorbij te gaan: met de kaart vóór mij, raadpleegde ik mijne herinnering, en zoo zocht ik mij een krans samen van kleine steden, door de kinderen dezer eeuw vergeten, maar waar de tijd zijne schendende hand niet aan heeft geslagen, die als het ware onder glas bewaard zijn gebleven met de onveranderde afstammelingen der verdwenen voorgeslachten.

Dien eigen morgen was ik langs den voet der hooge muren voorbijgestoomd, die, aan de helling des heuvels, de vier eeuwen oude huizen van Samminiato omvatten. In het voorlaatste jaar der vorige eeuw, heeft de generaal Bonaparte dien heuvel bestegen, om een bezoek te brengen aan de bakermat zijner familie, waarvan destijds nog een vertegenwoordiger in leven was in den persoon van een kanunnik. Toen, tegen het einde der vijftiende eeuw, een andere Bonaparte die nauwe, steile straat afdaalde, om aan gene zijde der zee zijn stam op korsikaanschen bodem over te planten, vermoedde hij wel niet, dat hij de groote omwenteling ging voorbereiden, die drie eeuwen later het aanschijn van Europa zou veranderen en op het lot van Frankrijk zoo beslissenden invloed hebben. Hoe gaarne had ik dit oude burchtvlek met zijn gekanteelden muurgordel bezocht, rondgedwaald door die smalle sombere straten, en de overblijfselen opgespoord van de feodale vesting, waarin, eeuwen lang misschien, die onbekende landedellieden leefden, niet droomende van de schitterende toekomst, die eenmaal hun geslacht wachtte.

Links van den weg, die door de vallei der Elsa naar Siënna voert, boeide, vooral na het verlaten van Empoli, het vlek Certaldo, op zijn steilen heuvel, mijne aandacht. Hoe zonderlingen indruk maken die kronkelende muren met hun torens; die oude vervallen vestingwerken; die steile, schier loodrechte straten, zich welhaast verliezende onder de zware massa van eene citadel, wier grillige tinnen en torens fantastisch uitkomen tegen den bewolkten hemel. Dit vlek, dat in 1479 door de Napolitanen is verwoest, werd nooit geheel herbouwd; slechts het baksteenen huis met een kleinen hoektoren, waarin Boccacio zijne laatste levensdagen sleet en waar hij in 1375 stierf, heeft men gerestaureerd: het ware beter geweest, die restauratie achterwege te laten.

Veertig minuten nadat wij Certaldo uit het oog hadden verloren, verscheen mij, ter rechterhand, tusschen twee bergen, in de verte, een ronde heuvel, op den top prijkende met een krans van muren, waaruit, somber en ongelijk in hoogte en omvang, zware, massieve torens oprijzen. De verschijning was slechts voor een oogenblik zichtbaar; toen sloten de bergen zich weder aaneen, en de trein snorde voort;--maar nog vol van de herinnering aan Empoli, en mijzelven verwijtende Certaldo te zijn voorbijgegaan, vatte ik dadelijk het voornemen op, althans deze vluchtig aanschouwde schim van een feodaal oppidum van nabij te gaan beschouwen. En zoo kwam het, dat ik reeds den volgenden morgen vroeg in het rijtuig stapte, dat de ijverige zorgen van den onsterfelijken en onvermoeiden Augusto, kastelein in de locanda de Aquila-Nera te Siënna, mij verschaft hadden en dat mij naar San-Gimignano brengen moest.

II.