De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 5

Chapter 5 3,777 words Public domain Markdown

Ontuchtige vrouwen uit allerlei natiën en stammen, die Dalmatië bewonen, stroomden in menigte naar dit roovershol toe; zij leidden daar een gemakkelijk leven, hadden aan niets gebrek en verbonden zich aan deze piraten; als het bij de terugkomst van een rooftocht bleek, dat de echtgenoot van eene dier vrouwen was achtergebleven, dan werd aldra eene nieuwe verbindtenis gesloten, ook al was men nog in het onzekere omtrent het lot van den vroegeren gemaal. Was een Uskoke gestorven, dan nam een ander zijne vrouw en zijne kinderen en zijn woning in bezit. De vrouwen kleedden zich in het rood, en tooiden zich op met geroofde sieraden en kostbare stoffen van het Oosten, door de bandieten op hunne strooptochten medegevoerd. De vroegere bewoners van Segna werden door het algemeene zedenbederf medegesleept. Aanvankelijk was er eene bijzondere wijk ten verblijve voor de Uskoken aangewezen: allengs echter kwam de geheele stad in hunne macht, en de aanzienlijkste burgers namen piraten in hunne dienst, die de rooftochten mede maakten en hun meesters een deel van den buit brachten.

Weldra was geheel de omliggende streek in een woestijn herschapen, waar niets meer te plunderen viel. Om buit te veroveren zouden zij zich nu te ver op vijandelijk gebied hebben moeten wagen: daarom kozen zij thans bij voorkeur de zee tot tooneel hunner werkzaamheid. De golf niet alleen, maar geheel de Adriatische-zee stond op dien tijd onder een waar schrikbewind. De Senaat van Venetië bepaalde dat de schepen, naar het Oosten bestemd, voortaan bij wijze van konvooien zouden gaan, onder geleide van gewapende galeien; de Turken van hun kant deden hetzelfde of vermeden de golf. De piraten tastten nu de eilanden aan, die eerlang mede verlaten werden; de onversaagde scogliari van Cherso, Veglia, Arbe, Ossero en Pago werden matrozen, en daar zij van hunne geboorte met alle vaarwateren in de golf bekend waren, rustten zij op kosten van de republiek schuiten uit, waarmede zij de bandieten, die hen van hunne geliefkoosde rotsen verdreven hadden, zoo veel mogelijk afbreuk deden en in hunne schuilhoeken achtervolgden.

Wel was er te Segna een hoofdman, die in naam des Keizers het gezag uitoefende, maar hij was altijd met de roovers in verstandhouding; als de Uskoken van een strooptocht terugkeerden, werden schijnbaar de poorten der stad voor hen gesloten, en somwijlen zelfs de kanonnen van den wal op hen afgevuurd; maar des nachts liet men hen binnen en deelde met hen den buit.

Het was inderdaad eene onoplosbare kwestie; als Venetië Segna ter zee wilde aanvallen, zooals het met behulp der scogliari kon doen, dan waren de Turken dadelijk gereed, dien aanval van de landzijde te ondersteunen; maar de Keizer van Duitschland, op wiens grondgebied de stad lag, wilde die schending van zijn staten niet toelaten. Eens echter trok Assan, pâsja van Bosnië, naar Segna op; hij kon dit natuurlijk niet doen, zonder de grenzen van Kroatië te overschrijden; Oostenrijk greep naar de wapenen; Assan werd verslagen; de Porte kwam hem te hulp, en de oorlog, die aanvankelijk alleen Segna gold, duurde twaalf jaren.

Venetië, den loop der zaken aandachtig gadeslaande, versterkte zijne eilanden, die steeds bedreigd werden; de republiek was nu niet langer beducht voor de piraten, maar voor haar erfvijanden, de Turken. Hare onzijdigheid was niet naar den zin van Oostenrijk, dat de Uskoken nu niet langer in bedwang hield; dezen verplaatsten daarop het tooneel hunner werkzaamheid, en stroopten wijd en zijd in Istrië en Dalmatië, onder bescherming van de keizerlijke vlag. Tastte de republiek hen aan, dan liep zij gevaar met Oostenrijk in oorlog te geraken; de republiek aarzelde en bepaalde zich tot de verdediging harer havens. Eindelijk liep het den Keizer toch te erg: hij wilde aan de verwoestingen een einde maken, en noodigde de republiek plechtiglijk uit, gezanten af te vaardigen, die getuigen zouden zijn van zijne strafoefening.

De opperhoofden der Uskoken werden te Segna zelf gevangen genomen en zonder verschooning opgehangen; de piraten werden ontwapend, en de venetiaansche onderdanen, die onder hen gevonden werden, aan de republiek teruggegeven; men liet in de stad slechts honderd ongewapende Uskoken; een paar honderd anderen werden naar Kroatië verjaagd; de overigen verstrooiden zich. Maar die handvol mannen, in de bosschen verscholen, sloeg den vijand nauwlettend gade; nog eer de keizerlijke stadhouder Segna verlaten had, drongen zij des nachts de stad binnen, belegerden hem in zijn huis en vermoordden hem. Op dit bericht keerden de vluchtelingen en de opgejaagde booswichten zoo spoedig mogelijk terug; en het oude leven begon op nieuw.

Dit gebeurde omstreeks 1602: in deze tweede periode hunner geschiedenis ging het aantal der Uskoken nog geen zeshonderd man te boven, en die kleine schaar hield zich staande tegenover drie mogendheden met haar vloten en legers. Deze geschiedenis is bijna nog zonderlinger dan de stoutste verdichting. Eens hebben zij eene kleine havenstad uitgeplunderd; om hun buit te vervoeren, maken zij zich meester van de gansche visschersvloot van Sebenico, en laten de schuiten zinken, als zij ze niet meer noodig hebben. Te gelijker tijd drijven zij de stoutmoedigheid zoo ver, dat zij, met niet meer dan honderd-vijftig hunner manschappen, een aanslag wagen op het machtige Pola.

Venetië blokkeert Segna; natuurlijk wordt de oostenrijksche handel daardoor belemmerd: de Keizer keert zich tegen de Uskoken, neemt hun hunne vloot af, en zendt die naar Fiume, om daar verbrand te worden. De Uskoken overvallen Fiume, nemen hunne schepen terug, en voeren op hunne beurt tachtig schepen van de burgers van Fiume als buit op sleeptouw mede. Ik ga vele dergelijke episoden met stilzwijgen voorbij. Eindelijk aan alle kanten benauwd en geperst, ontsnappen de piraten naar Dalmatië, plunderen en berooven de Turken, en zoeken een schuilplaats op venetiaaansch gebied. De republiek laat wel opzettelijk eene vloot bouwen om hen te kunnen aanvallen, maar nu haar vijanden haar niet meer openlijk bestrijden kunnen, nemen zij hun toevlucht tot list. Christoforo Verniero, scheepskapitein, loopt op zekeren dag met zijne galei in de haven van Pago binnen; de spionnen der piraten ontdekken hem; zij naderen het eiland, zetten een deel hunner manschappen aan wal; glijden en sluipen, onder bedekking van den nacht, nevens de galei; enteren en veroveren het schip, werpen veertig passagiers in zee, en voeren hun buit naar Segna. Onderweg slaan zij zes officieren het hoofd af; aan land gekomen, richten zij een kolossaal feest aan, waaraan allen deelnemen, vermoorden Verniero, halen hem het hart uit het lijf, koken dat en eten het op. Zijne galei wordt in de haven aan den ketting gelegd; de kanonnen worden op de wallen der stad geplaatst.

Aan dergelijke feiten en avonturen is geen einde. Minuccio Minucci, aartsbisschop van Zara, heeft ze opgeteekend in twee deelen, zoo te zeggen de visu geschreven, en later door Paolo Sarpi voortgezet. De Venetianen deinsden altijd terug voor het groote gevaar, waarmede de Uskoken hen telkens dreigden, namelijk een oorlog met den duitschen Keizer. Toch kon de republiek dien oorlog op den duur niet vermijden: wederom een historische episode, waarvan de rechtstreeksche aanleiding moet gezocht worden in de afpersingen der piraten. De Uskoken wonnen er niets bij: want hunne onmiddellijke buren, vast besloten tot hunne uitroeiing, keerden zich tegen hen, om zoo doende aan de wraak der Venetianen. die de gansche kust afliepen, te ontsnappen. De bewoners van Segna en Crissa, hunne beide roofnesten, grepen de wapenen op tegen de bandieten, en zonden het hoofd van hun aanvoerder naar Venetië. De republiek bleef nog steeds oorlogvoeren; Spanje bedreigde haar op zijn beurt; Frankrijk, destijds haar trouwe bondgenoot, trad bemiddelend op tusschen den Aartshertog en de Venetianen, en het zoogenaamde traktaat van Madrid kwam tot stand, dat den 26sten September 1617 te Parijs werd geratificeerd.

Een artikel van dat traktaat bepaalde, dat de Aartshertog een duitsch garnizoen in Segna zou leggen, en dat, zoodra dit geschied was, Venetië hem een der vestingen zou teruggeven, waarvan het zich gedurende den oorlog had meester gemaakt. Binnen twintig dagen na de dagteekening van het traktaat, zou eene beslissing genomen worden ten aanzien der Uskoken: hunne vaartuigen zouden verbrand worden, de piraten zelven verstrooid; en zoodra de volledige uitvoering van het traktaat goed verzekerd was, zou de republiek al het op het Rijk veroverde grondgebied weder afstaan.

Van de stoute en onverschrokken gasten, die aan machtige legers en vloten weerstand hadden geboden, waren er niet meer dan tusschen de vier- en vijfhonderd over, die inderdaad Uskoken of zonen van Uskoken konden heeten. Na eene zorgvuldige telling, verbande de Aartshertog ze allen met name: men wees hun landerijen aan in den omtrek van Karlstadt. Zij hadden Segna een eeuw lang bezeten, en waren nooit meer dan duizend man sterk geweest.

"In dertig jaar, zegt Leon Bruslart (de toenmalige fransche gezant), hadden zij aan de republiek dertig millioen gouds gekost, zoowel in buit gemaakte schepen, in nadeelen van anderen aard, als in betaalde vergoedingen aan de Turken of voor kosten van militaire uitrustingen."

Naar men zegt, zouden de Uskoken, in 1617 naar Krain overgebracht, nog heden, onder hun waren slavischen naam, ten getale van meer dan duizend, in die provincie worden aangetroffen. Zij kleeden zich, naar men verhaalt, in witte wol, dragen des zomers linnen, en onderscheiden zich verder door eigenaardige zeden en gebruiken van de andere inwoners.

III.

Men telt in de golf van Quarnero niet minder dan dertig eilanden of klippen, als schepen te midden der golven geankerd, die allen bij de zeevaarders bij name bekend zijn. Vijf van deze eilanden, Cherso, Veglio, Lussine, Pago en Arbe, bevatten steden en havens. De anderen zijn eigenlijk niet meer dan klippen of rotsen (scogli); op de grootsten vindt men slechts enkele visschershutten. De drie eerstgenoemde eilanden behooren tot het markgraafschap Istrië, de twee anderen tot het koningrijk Dalmatië.

De reiziger, die van Pola naar Fiume vaart, heeft het eiland Cherso aan zijne rechterhand; oorspronkelijk maakte dit eiland een geheel uit met het eiland Lussine; maar ten gerieve van de scheepvaart, heeft men tusschen de beide eilanden een kanaal, het kanaal van Ossoro genoemd, gegraven, waarover eene smalle brug ligt, de Cavanella genoemd.

Cherso heeft eene lengte van niet minder dan vijf-en-dertig, en eene breedte van zeven mijlen; de kust is steil, de bergen zijn voor een deel kaal en naakt; de valleien, ook die het meest tegen den wind zijn beschermd, bieden slechts een steenachtigen, rotsigen bodem aan. Er wordt een weinig koren verbouwd, maar daarentegen veel wijn, olijven en honig. Een van de hoofdbronnen van de welvaart des lands is de veeteelt. De zee nabij de kust is zeer rijk aan visch; en in het meer Vrana, in het binnenland, vindt men palingen van zeldzame grootte.

De stad, waaraan het eiland zijn naam ontleent, telt ongeveer vijfduizend inwoners, en niet minder dan acht kerken. De haven is zeer goed, de kaaien zijn meerendeels met nieuwerwetsche gebouwen omzoomd; de stad zelve is aan haar steenen muurgordel ontwassen: zij heeft zich rechts en links uitgebreid en de berghellingen beklommen. Ondanks de olijvenkweekerij en den wijnbouw, ondanks de uitgebreide veeteelt ook, is Cherso toch hoofdzakelijk een land van zeevaarders en matrozen. De scogliari of eilandbewoners gaan dikwijls ver weg, tot in het uiterste Oosten, om hunne fortuin te beproeven; en de arme eilander, die met groote moeite en zware inspanning, door het kweeken van olijven of druiven, een schamel stuk brood verdient, wijst den vreemdeling met trotsche bewondering op de enkele gelukkigen, die als signori van hunne verre reizen zijn teruggekeerd.

Ossero, zoo als het eiland Lussine doorgaans genoemd wordt, is kleiner dan Cherso, maar bezit twee havens, Lussin-Grande en Lussin-Piccolo, die van zooveel belang zijn, dat sommige aardrijkskundigen het geheele eiland met den naam Lussine aanduiden. De stad Ossero treedt voor deze twee havens in de schaduw; zij ligt op een voorgebergte, op het eiland Cherso, maar het kanaal, dat haar van het eiland Ossero scheidt, is zoo smal, dat de Cavanella bijna niet meer dan eene sluis is. Deze stad, die vroeger haar naam aan het gansche eiland schonk, is thans verlaten en als uitgestorven: zij telt niet meer dan eenige honderden inwoners: het leven heeft zich geheel saamgetrokken in de twee havens.

Lussin-Piccolo, naar den naam te oordeelen de kleinste der beide steden, is echter inderdaad de grootste; zij ligt aan den oever eener ruime, goed gesloten baai, aan den voet van een tamelijk hoogen berg. De ingang van de baai is zoo smal, dat wij eenmaal het anker uitgeworpen hebbende, de straat, waardoor wij de baai zijn binnen gevaren, niet meer terugvinden kunnen. Lussin-Piccolo is eene nijvere, vooruitstrevende stad, waar energie en kloeke ondernemingszucht woont; ook zij heeft haar muurgordel verbroken, en zich naar alle zijden langs de berghellingen uitgebreid; nog voortdurend zet zij hare palen uit, overal verrijzen nieuwe, witte, geheel moderne huizen. Zelfs de voorsteden, waar zich de scheepstimmerwerven, haar rijkdom en haar trots, bevinden, zijn allengs binnen den kring der wassende gemeente opgenomen, zoodat men nu, midden in de stad, schepen op stapel kan zien staan.

De bewoners van Lussine overtreffen al hunne buren in ijver, in levendigheid, in verstand, in zuinigheid en overleg; zij hebben van de gunstige omstandigheden uitnemend weten partij te trekken, en als het getij verliep, de bakens verzet. Zij bouwen de vaartuigen, die langs de geheele kust voor de kleine vaart gebruikt worden; ook kan geen andere haven van Istrië of Dalmatië met deze wedijveren voor den bouw van groote koopvaardijschepen. Tijdens mijn bezoek, wees men mij op een der werven, het grootste schip dat tot dusver hier gebouwd was. Er is als het ware een wedstrijd tusschen deze kleine, energieke stad en de scheepstimmerwerven langs de kust. Te Gravosa, de haven van Ragusa, was voor eenigen tijd een koopvaardijschip gebouwd, dat als het grootste werd beschouwd, dat daar nog ooit van stapel was geloopen. Eenige maanden later werd te Klein-Lussine de kiel gelegd van een schip van nog meer tonneninhoud. Tijdens mijn verblijf stonden er acht schepen op stapel. De zee dringt schier als eene wigge in de stad door; overal zijn kaden; de gansche stad is een haven, en de geheele haven is stad. De bewoners zijn tegenwoordig geen reeders meer, maar houden zich hoofdzakelijk met scheepsbouw bezig; zij trekken dus al het voordeel van hun arbeid, en zijn niet blootgesteld aan verliezen door het vergaan van schepen. Gedurende den Krimoorlog hebben velen hunner fortuin gemaakt, door ten behoeve der Franschen, Engelschen, Piemonteezen en Turken, hunne schepen te verhuren voor het vervoer van allerlei krijgsbenoodigdheden.

Tegenwoordig liggen de stoombooten viermaal in de week te Lussine aan; deze stad is, ondanks hare weinig talrijke bevolking, die hoogstens omstreeks vijfduizend zielen kan bedragen, eene van de belangrijkste der gansche kust. In 1848 telde zij niet meer dan vijf-en-twintighonderd zielen.

Van al deze eilanden is Veglia het vruchtbaarste en meest bevolkte; het ligt onder de kust van Kroatië, waarvan het door het kanaal van Maltempo is afgescheiden. Op de kaart schijnt dit kanaal smal en gemakkelijk over te steken, maar inderdaad is dit niet het geval; de vaart van het eene eiland naar het andere in een visschersvaartuig, is eene heele reis. De bevolking van het schoone eiland, tusschen vijftien kleine stadjes en meer dan vijftig dorpjes en gehuchten verdeeld, bedraagt ongeveer vijf-en-twintigduizend zielen. De inwoners leggen zich minder dan die van Cherso op de zeevaart toe, en zijn ook minder welvarend, ondanks de uitnemende vruchtbaarheid van den grond. Van het eiland Veglia ontvangt Fiume schier al zijne benoodigdheden: koren, olie, wijn, heerlijke vruchten. Wij steken van Porto-Re de straat over naar Castelmucchio; langs een zeer moeilijken en vermoeienden weg, alleen bruikbaar voor voetgangers of voor de kleine, zenuwachtige, zeer vlugge paarden, die op het eiland geboren en ook naar elders uitgevoerd worden, wandelen wij, dwars door het eiland heen, naar het stedeke Veglia. Die kleine havenstadjes gelijken allen op elkander. Zij zijn allen gebouwd aan een door de natuur gevormden inham van de hooge kust, eene kalme baai, die door de omringende bergen tegen de aanvallen van de geduchte bora beveiligd wordt. Langs den oever, half tegen de berghellingen opklimmende, groepeeren zich dan, in vaak schilderachtige wanorde, de witte huizen van het kleine vlek, half handelstad, half visschersdorp.

De geschiedenis van het eiland Veglia is zeer belangwekkend en rijk aan afwisseling. Sinds de vroegste tijden, waarvan de kronieken melding maken, was dit eiland eene zelfstandige republiek, waarvan de magistraten gezamenlijk door de edelen en de plebejers, ieder voor een deel, werden verkozen. Aan het hoofd van het uitvoerend bewind stond de hoogste overheidspersoon, met den titel van Graaf, die voor een jaar gekozen werd. Doch daar het eiland telkens aan de aanvallen der zeeroovers bloot stond en reeds herhaaldelijk de bescherming van Venetië had moeten inroepen, gaf de kleine republiek zich zelve, in de twaalfde eeuw, vrijwillig aan Sint-Marcus. In 1260, tijdens het bestuur van den Doge Rainero Zeno, werd het eiland, door de regeering van Venetië, tot een leen verklaard ten behoeve van de broeders Zuane Schinella, patriciërs van edelen stam. Zonder van zijne rechten of bezittingen afstand te doen, verklaarde de Senaat het gezag over het eiland erfelijk in deze familie, die den titel had aangenomen van graven van Frangipani. Omstreeks dienzelfden tijd zwierf Bela IV, de verdreven Koning van Hongarije, door de Turken achtervolgd, als vluchteling langs de naburige kust; hij zocht en hij vond eene schuilplaats op Veglia. De inwoners, vreezende dat de Turken hen zouden overvallen, hielpen nu Bela een leger bijeen brengen; de onttroonde Koning stak daarmede naar den vasten wal over, verjoeg de Turken en herwon het land. Ter belooning voor de bewezen hulp, gaf Bela aan de Frangipani de stad Segna ter leen. Toen vormde zich een hongaarsche partij op Veglia, en het eiland zeide de gehoorzaamheid aan Venetië op. Maar de Senaat duldde geen verzet van de zijde zijner koloniën: hij vaardigde gezanten af naar graaf Zuane, die weigerde zich te onderwerpen. Welhaast uit zijne bezittingen verdreven, moest Zuane een wijkplaats zoeken in Segna, en do standaard van Sint-Marcus wapperde op nieuw op het eiland. De macht der Frangipani ging allengs te gronde. Volgens eene vrij algemeen verspreide overlevering, zouden de inwoners van Veglia, eeuwen lang, de herinnering aan de Frangipani hebben bewaard, en, ter gedachtenis aan dit geslacht, de gewoonte aangenomen om, bij wijze van rouw, donker gekleurde kleederen te dragen.

Veglia heeft een eigen bisschop; ook was ik getroffen over het groot aantal priesters, die ik op het eiland ontmoette: ook dat is trouwens nog eene herinnering uit den tijd der Venetianen. Men vond in de golf van Quarnero een aantal kloosters, meerendeels door de rijke patriciërs gesticht en mild begiftigd. Nog heden ontwaart de reiziger, die deze eilanden doorkruist, hier en daar, op eene eenzame plek, op een schilderachtigen heuveltop, een eerwaardig kloostergebouw, op welks muren nog het fiere blazoen van Sint-Marcus prijkt.

De twee dalmatische eilanden, Pago en Arbe, zijn veel kleiner. De kust langs het kanaal della Morlacca, dat deze eilanden van den vasten wal scheidt, is steil, wild en rotsachtig. Daar heerschen telkens geweldige winden, en de hoogste terreinen van deze eilanden zijn onbewoond en onbebouwd; maar aan de andere zijde, langs de kust van den Quaruerolo, is de bodem vruchtbaar en wel bebouwd: daar tieren olijven, wijngaarden en moerbeziënboomen. De bevolking splitst zich in zeevaarders en landbouwers, tevens veefokkers; de vischvangst is zeer bloeiend en levert rijke uitkomsten op.

Pago maakt een zeer eigenaardigen indruk: dit eiland is eigenlijk eene aaneenschakeling van kleine eilandjes, door smalle landtongen aan elkander verbonden. De stad van gelijken naam is in de zestiende eeuw door de Venetianen gebouwd; het besluit van den Senaat, waarbij de bouw der stad binnen een bepaalden tijd werd gelast, berust nog in de archieven. Pago, een der sleutels van den Quarnero, was een punt van groot strategisch gewicht; wie hier gebood, was meester van een der uitgangen van het kanaal della Morlacca, en kon dus gemakkelijker de Uskoken in Segna blokkeeren. De Venetianen bouwden hier een citadel, legden een haven aan, en richtten de plaats in tot militaire post en station voor de galeien, die voor de veiligheid der golf moesten zorgen. Het eiland telt een tiental dorpen of gehuchten; Pago levert wijn op, het bezit ook rijke zoutputten en een steenkolenmijn.

De reiziger, die een tocht door deze eilanden wil doen, moet zich van den noodigen voorraad voorzien en alles wat hij behoeft zelf medenemen. Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de levenswijze der bewoners van het binnenland. Op Cherso, Veglio en Ossero vindt men langs de kust, en vooral in de havens, althans een onderkomen, en wanneer men zijne eischen zeer matig stelt, kan men hier ook het noodige voor levensonderhoud bekomen. Maar als men de havens verlaat, om hetzij te paard, hetzij te voet, een dezer eilanden in zijne lengte en breedte te doorkruisen, is zelfs voor goud noch logies, noch voedsel te bekomen; en nog altijd herinner ik mij den afschuwelijken smaak van een schotel olijven, in olie drijvende, die eene arme vrouw van Val Cassione, ter eere van den vreemdeling, met suiker had bestrooid en mij voorzette.

IV.

De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad van Dalmatië to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes en klippen, langs de kusten gestrooid.

De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid; de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden, van goudglans doortrokken ether.

Dalmatië vormt eene smalle strook lands, door Kroatië en Herzegowina begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico, tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.

Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen, vormen de bergen van Dalmatië.