De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 49
Dadelijk na onze komst te Torotzko, trachtten wij de herberg op te sporen; maar te vergeefs wandelden wij het groote marktplein rond, dat, op dit uur van den dag, eene gloeiende zandwoestijn geleek. De huizen, van steen gebouwd, en niet, zoo als veelal in Zevenbergen, van leem of van hout, trokken onze aandacht door hunne groote zindelijkheid. De gevels geleken allen op elkander, en prijkten met halve kolommen en ruw beeldwerk: dit is wel geene kunst, maar in ieder geval verdient de bouwmeester waardeering wegens zijne goede bedoelingen. Korten tijd geleden was Torotzko door een hevigen brand geteisterd, waarvan hier en daar nog zeer duidelijke sporen te herkennen waren; eene geheele wijk der stad was nieuw opgebouwd. Maar de herbouwing was nog niet voltooid, en zoo ontbrak ook nog steeds de herberg. Wij moesten dus een beroep doen op de hongaarsche gastvrijheid.
Wij spraken een man aan, die op den nok van een dak zat, en eenige beleefde woorden waren voldoende om de deur der woning voor ons te openen. De mooie kamer, waarin wij gelaten werden, was niet zeer ruim; maar zij bevatte niettemin eene menigte voorwerpen, die er allen even netjes uitzagen en die met groote kunst in deze kleine ruimte waren gerangschikt. Langs de witgepleisterde wanden hingen de portretten van de hoofden en leiders der hongaarsche omwenteling van 1849, voorts gekleurde platen en photografiën; aan de balken der zoldering hingen beschilderde potten van verschillenden vorm; de banken, de tafel, het bed waren beschilderd met bloemen naar oosterschen trant; in een hoek van het vertrek stond een fraai bewerkte kachel, waaromheen een steenen bank eene geschikte zitplaats aanbood; op het bed, dat met geborduurde gordijnen omhangen was, lagen vier reusachtige matrassen of dekbedden, geheel met rood borduursel overdekt en bijkans tot aan de zoldering reikende; fraaie, rood en zwart gewerkte doeken waren aan de zoldering bevestigd, overal waar de schotels en pannen eene plaats vrij lieten. Naar men mij zeide, vindt men in de meeste huizen van Torotzko gansche reeksen van boeken opgehangen aan de balken, even als de hammen en worsten in de boerenwoningen van het zuiden van Frankrijk; maar bij onzen gastheer was geen ander boek te vinden dan eene verzameling van nationale liederen. Wij dorsten ons nauwelijks verroeren in dit kleine museum, uit vrees van iets omver te werpen of te beschadigen; en toch wist de vrouw des huizes ons hier een maaltijd te bereiden en een behoorlijk nachtverblijf in te richten, zonder de orde in de kamer eenigszins te verstoren. Toen wij den volgenden morgen van deze vriendelijke lieden afscheid namen, zag de kamer er weer geheel als een museum uit.
Er heerscht te Torotzko eene algemeene welvaart, zoo als genoegzaam blijkt uit de weelde en den rijkdom der kleeding op zon- en feestdagen: hier vindt men de oude duitsche kleederdrachten terug uit de middeleeuwen, nevens die van Hongarije en het Oosten. De gehuwde vrouwen en de jonge meisjes, de jongelingen en de volwassen mannen zijn van elkaar onderscheiden door de kleur der linten en borduursels hunner gewaden; bovenal munten de jonge meisjes, die er voor het meerendeel gansch niet onaardig uitzien, door pracht en rijkdom van kleeding uit. Om het fijne middel dragen zij een gordel van roode zijde met gouden kwasten, en dikwijls met edele steenen versierd; de fuzö, die de borst bedekt, is met parelen en gekleurde zijde gestikt, terwijl een prachtige witte bonten pels den glans dezer sieraden nog beter doet uitkomen; van haar mutsje van goudlaken hangen veelkleurige linten en vergulde franjes af. Zulke kostumen, die inderdaad eene kleine fortuin vertegenwoordigen, zijn alleen mogelijk in een land, waar de voornaamste kleedingstukken en sieraden onveranderd van geslacht op geslacht overgaan; toch vraagt men zich met eenige bevreemding af, hoe de middelen hier zulk eene weelde kunnen veroorloven.
De oude ijzerindustrie draagt nog maar voor een zeer klein gedeelte bij tot dien voorspoed van Torotzko. Wij bezochten de armzalige smeltovens van den omtrek; moeilijk kan men zich iets ongelukkigers en onbeholpeners denken: mij dunkt, zóó moeten de negers in het hart van Afrika arbeiden. Als men ziet, hoe, in afgelegen streken, zulke aartsvaderlijke wijze van werken van eeuw tot eeuw blijft voortbestaan, dan begrijpt men eerst ten volle de kracht der gewoonte of liever der erfelijkheid: de zoon werkt op dezelfde plaats, waar zijn vader en zijn grootvader hebben gearbeid; hij hecht zich aan dezelfde mijn, aan dezelfde manier van werken, hoewel hij er maar weinig voordeel van trekt, en door anderen arbeid veel meer zou kunnen verdienen; er is niets minder dan eene omwenteling noodig, of wel de prikkel van het uiterste gebrek, om hem los te maken van den ouden, traditioneelen sleur.
Tegenwoordig worden de kosten van exploitatie der meeste smeltovens niet meer door de winsten opgewogen, en het aantal der verlaten mijnen vermeerdert van jaar tot jaar. In een menschenleeftijd is de produktie van het metaal met tweederde verminderd: zij is van zeshonderd tot tweehonderd ton gedaald, en zal waarschijnlijk binnen kort geheel ophouden, tenzij de industrie eene herschepping onderga en de bereiding van het erts op goedkooper wijze geschiede. De burgers van Torotzko, verstandiger dan velen hunner buren, zijn er dan ook reeds op bedacht om deze vervallen industrie door een ander meer winstgevend bedrijf te vervangen: zij leggen zich voornamelijk toe op het kweeken van ooftboomen. Zij zijn ook algemeen bekend als uitmuntende landbouwers, en het graan hunner akkers is het beste van geheel Zevenbergen. Het ware te wenschen dat zij ook de boschkultuur ter harte namen, en aan hunne naakte velden de groene kroon wedergaven, die zij sedert eeuwen met zoo ruwe hand hebben uitgeroeid!
De berg, die zich ten oosten van Torotzko verheft, is in de geschiedenis van Zevenbergen beroemd: hij draagt den naam van Szekel-Kö of Rots der Szeklers. Op den top stond weleer een sterk kasteel, dat in de dertiende eeuw door de Mongolen belegerd werd. De bezetting, tot het uiterste gebracht, stond op het punt zich over te geven, toen eensklaps de Szeklers, uit hunne valleien in de Karpathen toegesneld, ter hulpe opdaagden en de aziatische horden op de vlucht dreven. Sedert deze overwinning, behoort de berg aan de bevrijders, en de brokken muur, die men nog heden op den top ziet, zijn de overblijfsels van door hen gestichte gebouwen. Nog altijd wordt de dag dezer zegepraal feestelijk gevierd; volgens een overoud gebruik, gaan de inwoners van Torotzko dan naar buiten om hooge masten te planten, waaraan vlaggen en banieren wapperen, en die de opgerichte lansen moeten verbeelden, welke voorheen de grafkuilen der krijgslieden aanwezen.
Om naar Torotzko terug te keeren, namen wij den weg door een andere bergkloof, niet minder beroemd dan die van Thorda, en waar ook menigmaal het bloed heeft gestroomd; de grotten in de prachtige rotsen zijn een geliefkoosd verblijf voor de arenden. Aan het boveneinde dezer enge vallei ligt het dorp Torotzko-Szent-Györgyö, waardoor wij naar de stad terugkeerden. De beide burchten, waaraan het dorp zijn naam ontleent, en die beiden aan een geslacht behoorden, dat in erfelijke veete met de burgers van Torotzko leefde, zijn thans niet meer dan bouwvallen. De oude feodale burcht, die den heuveltop kroonde, is geheel verdwenen, op een geschonden, half ingostorten toren na; en het meer moderne kasteel, dat zich in de vlakte verhief, werd in 1849 door de Walachen verbrand, en is sedert een ruïne gebleven. Maar de omstreken van het dorp zijn belangwekkend om de grotten van den berg Bedellö.
Deze kalkrotsen danken aan de boomen en het dicht struikgewas, tot dus verre aan de vernielende bijl des houthakkers ontsnapt, eene zekere wilde bekoorlijkheid, die aan de dorre wanden van de Rots der Szeklers ontbreekt. Langs de scherpe kanten der rots hangen groene kransen; saamgestrengelde takken verbergen halverwege den ingang der grotten; tusschen twee fijne varenstruiken ziet men de grillige kegels der stalaktiten. Het is een stuk maagdelijke natuur, als bij vergissing overgebleven te midden van deze naakte velden; en wel voegt hier die natuurlijke poort of boog, gevormd door een geweldig rotsblok, op twee andere steenmassaas rustende, die de wijde, wazige vlakte zoo schilderachtig omlijst. Boven op deze rotspoort staat een lange stok, waaraan eenige takken gebonden zijn, niet ongelijk aan een reusachtigen bezem: misschien is dit zonderling ornament wel een soort van talisman om de booze geesten te verdrijven.
VII.
Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der omringende bergen ziet men zelfs--eene groote zeldzaamheid in dit gedeelte van Zevenbergen--nog overblijfselen der oorspronkelijke bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.
Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige kalmte ademde.
De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen, waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was, bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.
De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen geëmployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beëedigde controleurs.
Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, in de hoop dat wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maïsstengels verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken; de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen; bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje, groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit: rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels vroolijk wapperden.
Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken, een vijfde der bevolking bezweken.
In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope, en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden, het bidvertrek.
"Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.
--Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij, dan willen wij hem niet wakker maken.
--Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?"
Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva, waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.
Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de rivier uitwerpt.
Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden, welke de mijnwerkers in Californië gebruiken. De exploitatie van het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciërs. De eigenaar van den molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig: hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd, dat hij twaalf gulden in ééne week won; maar de gemiddelde opbrengst van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst der goudwasschers nog minder bedraagt.
De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis, toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag, waarop de hongaarsche minister van financiën, als hij in zijne ledige schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts, die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden, aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.
Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen en gebouwen van allerlei aard, die te zamen de stad Veres-Patak, of Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken, die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden; een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek, niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.
De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.
De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte, zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis, tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen, terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs; en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!
De top van den Affinis is door twee groote romeinsche steengroeven uitgehold, waarvan de breed gebeeldhouwde wanden, op sommige plaatsen, eenige gelijkenis vertoonen met gebouwen: van daar de namen Csetatye Mare en Csetatye Mika (Groote Stad en Kleine Stad), hun door de Walachen gegeven. Inderdaad heeft men hier indrukwekkende monumenten van de romeinsche macht voor zich. Het midden van de groote groeve wordt ingenomen door een soort van open circus, waarboven zich de hemel welft, en dat omringd is door reusachtige rotswanden, waardoor zich aderen van verschillende kleur slingeren. Torenhooge rotsmassaas, die men heeft laten staan, verheffen zich boven die omwalling; langs de wanden van het reuzenamphitheater ziet men, op verschillende hoogten, breede galerijen, in den steen uitgehouwen, en die met andere onderaardsche gangen en galerijen in gemeenschap staan. Vergeleken bij de nauwe gaten, waardoor de tegenwoordige mijnwerkers heenkruipen, schijnen die hooge gewelfde portalen, die breede bogen en poorten der romeinsche steengroeven welhaast het werk van een geslacht van titanen: alles is veel grootscher, op veel ruimer schaal aangelegd. Men gevoelt dadelijk dat zulke werken niet in een paar dagen werden tot stand gebracht, en dat de bouwlieden zich niet hebben gehaast om hun arbeid, hoe dan ook, maar klaar te krijgen: dit zijn de scheppingen van een volk, dat aan zijne eigen toekomst geloofde en daarom geduld en geen haast had. Bovendien, zij die in deze mijnen en steengroeven werkten, waren slaven. Mochten er ook duizenden bij den arbeid bezwijken, zij werden door andere duizenden vervangen.
De breede galerijen der "Groote Stad" verlatende, haasten wij ons te paard te stijgen, en zoo spoedig mogelijk weg te rijden: wij hadden geen oogenblik te verliezen, wilden wij nog vóór zonsondergang den beroemden bazaltberg, de Detunata, de Door den Bliksem Getroffene, bereiken. Wij volgen een schilderachtig pad langs de groenende heuvelen van het plateau. Enkele groepen pijnboomen en kleine, met houtgewas begroeide vulkanische kegels teekenden hunne lange schaduwen op het malsche gras; de lucht was zuiver, en de schuine zonnestralen verguldden de omtrekken der verwijderde bergen. Al de toppen van westelijk Zevenbergen vertoonden zich aan ons oog binnen den onmetelijken omkring van den horizon.
Reeds sedert lang hadden wij de Detunata in het gezicht, maar slechts van ter zijde. Zij scheen ons toe, niet veel meer dan eene vrij onbeteekenende hoogte te zijn; maar toen wij, aan den uitgang van een bosch, plotseling de kolonnade van bazalt voor ons zagen, konden wij een kreet van verrassing en bewondering niet onderdrukken. De rots, ongeveer honderd el hoog, hangt van boven naar voren over; al de bazaltzuilen buigen evenzoo naar voren: de gansche geweldige massa maakt den indruk van eene reusachtige zeegolf, eensklaps versteend, juist toen zij op het punt stond neer te storten. Eene menigte fragmenten van zuilen, allen rechthoekig afgebroken, zijn van den bergwand tusschen de pijnboomen gevallen; sommigen dienen den herders en bezoekers tot rustbanken. Waarschijnlijk heeft de berg aan al dit puin, dat zeker voor een deel door den bliksem is neergeworpen, zijn naam van Detunata te danken.
VIII.