De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 46

Chapter 46 3,662 words Public domain Markdown

Weldra wordt de weg beter; hier is de arbeid der menschenhand kenbaar: de helling is minder steil en de weg is behoorlijk gebaand: dit is het tweede stuk van den grooten weg, nabij de hoofdstad, zoo goed mogelijk aangelegd, en voor rijtuigen zeer wel bruikbaar tot aan het vlek, dat wij daar ter linkerhand zien. Hier zijn ook sporen van bebouwing: maïs, waarvan het graan reeds is ingezameld en de bladeren staan te verdrogen; akkers, die met rogge, gerst of haver zijn bezaaid geweest, en aardappelvelden. Wij zijn nu midden in de vlakte; ter rechterhand zien wij ginds de witte huizen van Cettinjé. De heer Radamanovich wijst ons een langwerpig gebouw, blijkbaar in den laatsten tijd gesticht en eenigszins op eene schuur gelijkende: dat is het arsenaal. Tegenover ons verheft zich eene kerk, en vlak daarbij een klein monument, met een kruis gekroond. Volgens het reisverhaal van de heeren Frilley en Vlacovij, is dit een grafteeken, opgericht ter herinnering aan een gezelschap bergbewoners, Drobniaken, die in 1862 over de grenzen waren getrokken om wapenen en munitie te halen, en die op hun terugweg over het turksche gebied werden gedood. Wij gaan nog langs een groot gebouw, dat op een hospitaal gelijkt; en eindelijk, ten vijf ure in den namiddag, doen wij onzen intocht in Cettinjé. Wij hadden des morgens ten negen ure Cattaro verlaten, en ons anderhalf uur te Njégosch opgehouden. Bereids was een adjudant van Zijne Hoogheid Vorst Nikolaas, de heer Nikolaas Matanovich, ons te gemoet gekomen, om ons uit naam van den Vorst en uit zijn eigen naam, in het zuiverste fransch, welkom te heeten op het grondgebied van Tzernagora. Voor den tocht over de bergen hebben wij zeven-en-een-half uur noodig gehad.

Cettinjé, in eene vrij ruime, door bergen omringde vlakte gelegen, is sedert het jaar 1485 de hoofdstad van het vorstendom. Als wij de geschiedenis van dit land zullen verhalen, zullen wij zien, door welk een samenloop van omstandigheden Iwan Tzernojewitch, die nabij de boorden van het meer van Skutari woonde, in het kasteel van Zabljak, zich genoopt zag, den aartsbisschoppelijken zetel en den troon der Vorsten van Zèta naar herwaarts over te brengen.

Het voorkomen der kleine stad heeft niets grootsch noch schilderachtigs; voor ongeveer dertig jaar telde men er niet veel meer dan een twintigtal woningen, rondom het klooster gegroept. Het plan van aanleg is zeer eenvoudig, overeenkomende met dat der meeste steden in Kroatië: eene zeer breede straat, omzoomd door zeer lage huizen, en in het midden afgebroken door een plein, waarop zich een gewone waterput bevindt, door een prachtigen moerbeziënboom overschaduwd. Rechts opent zich eene tweede straat, die met de eerste een rechthoek vormt, en even breed, maar veel minder bewoond is. Links staat een vierkant gebouw, met een balkon versierd en door een muur omgeven, waarvoor eenige gewapende Montenegrijnen op wacht staan: dat is het paleis van den Vorst; iets verder, aan de andere zijde, staat een tweede, nog grooter, maar eenvoudiger gebouw, met een voorhof door muren met hoektorens omgeven: dit is het oude paleis, dat sedert den dood van Vorst Danilo ledig staat. Tegenover ons, tegen de hellingen van den Lowchen geleund, verrijst het klooster, de zetel van den archimandriet, met twee hoven boven elkander, een kerk en vrij uitgestrekte gebouwen. Nog iets hooger tegen de berghelling, op de rots gebouwd, verheft zich de toren van het klooster, een toren, waarvan alle reizigers verhalen. Tegenwoordig hangen er klokken in, om de geloovigen tot het gebed op te roepen; maar tot voor eenige jaren werden aan dien toren de hoofden der Turken gespijkerd, die in de onophoudelijke gevechten aan de grenzen waren gedood.

Keeren wij naar den put terug en zien wij recht voor ons uit, dan stuit onze blik tegen het eenige hotel van Cettinjé, een eenvoudig, maar bij vergelijking zeer ruim gebouw. Dit hotel werd in 1867 gesticht, voor rekening van het gouvernement, dat welwillend de zorg voor het gemak der reizigers op zich nam. Ter linkerhand verrijst de meisjesschool, die onder de bescherming staat der Keizerin van Rusland, en bestuurd wordt door eene zeer beschaafde en zeer ontwikkelde dame, mejuffrouw N. Patzévitz.--Dit kleinsteedsche geheel heeft hoegenaamd niets bijzonders of aantrekkelijks; zelfs de minst-eischende toerist gevoelt zich teleurgesteld door het volslagen gemis van alles wat pittoresk mag heeten: een gemis, te sterker gevoeld na de sombere grootheid en de aangrijpende, angstwekkende verhevenheid van den weg van Cattaro naar hier. Zulk eene teleurstelling bleef ons gespaard, omdat wij niets anders verwacht hadden, daar ons verblijf in de dalmatische dorpen, die ook allen hoogst onschilderachtig zijn, ons op iets dergelijks had voorbereid. Vóór het jaar 1870, hadden deze ruwe, schier vormelooze huizen althans nog iets eigenaardigs door hun rieten daken; maar deze bedekking was uiterst gevaarlijk in eene stad, waar de huizen tegen elkander zijn aangebouwd, en waar in de woningen geen uitgang voor den rook en geen stookplaats voor het vuur wordt gemaakt. Het gebruik van pannen is dan ook bij iederen nieuwen aanbouw verplichtend gesteld.

Ik meen reeds gezegd te hebben, dat de vlakte van Cettinjé niet dan met zeker voorbehoud op den naam van vlakte aanspraak maken mag: het is eigenlijk een bergplateau, tusschen de zeven- en achthonderd el boven de zee verheven. Als ge, in die vlakte staande, rondom u ziet, dan rust uw oog aan alle zijden op een krans van bergen of heuvelen; de voornaamste die ten westen en ten noordwesten, verheffen zich ter hoogte van drie- en vierhonderd el boven den beganen grond, en zijn langs hunne hellingen geheel bedekt met kreupelhout, steeneiken, dennen en berken; de bergen ten noorden en oosten zijn minder hoog, grauw van kleur, kaal en naakt. De zon is ondergegaan; het is dat stil en weifelend uur, waarin het nog geen nacht en niet meer ten volle dag is; de bergachtige achtergrond, waartegen de omtrek van het hotel, aan het einde der groote straat, scherp uitkomt, hult zich in donkere, harmonische, warme tinten, als violetkleurig fluweel, gelijk aan die der heuvelen op de heide, tegen het einde van den herfst. Mij dunkt, wij behoeven niet lang te twisten over den oorsprong van den naam des lands: Tzerna-Gora, Montenegro, Zwarte-bergen. Even als de Turken hunne goede redenen hebben om de bergbewoners met den naam van de Verschrikkelijken aan te duiden, zoo kan ook zeer goed de eerste reiziger, die van dit voor hem nieuwe landschap eene beschrijving wilde geven, getroffen door de eigenaardige kleurschakeering, welke hier op sommige uren van den dag valt waar te nemen, dien naam van Montenegro hebben bedacht, als het best zijn indruk wedergevende [22].

III.

Wij trekken de stad binnen in gezelschap van den adjudant van den Vorst, die ons, namens Zijne Hoogheid, uitnoodigt, onzen intrek te nemen in het oude paleis; naar het schijnt, is het hotel van Cettinjé niet comfortabel genoeg ingericht en op dit oogenblik zelfs niet van meubelen voorzien. Wij krijgen in het paleis eene vrij ruime kamer op de eerste verdieping; de deur dier kamer komt uit op een langen gang, waarop nog eene reeks andere kamers uitkomen, allen volkomen gelijk als de cellen van een klooster. Dit was de residentie van Danilo, den voorganger van Vorst Nikolaas, in Augustus 1860 te Cattaro laaghartig vermoord. In zijn tijd stond het paleis bekend als het Bigliardo (billart): zoo zeer was de verbeelding der inboorlingen getroffen geworden door het zien van een billart, dat in een der vertrekken van den Vorst was geplaatst, en wel in de kamer, waar hij vreemde bezoekers ontving en ook de raad vergaderde. Dit meubelstuk was uit elkander genomen, en bij gedeelten, door vijftig man, van Cattaro, over de bergen, naar Cettinjé gebracht: geen wonder, dat de herinnering aan zulk een feit lang in het geheugen bleef gegrift. Vóór Danilo--toen de Vorsten van Montenegro tevens bisschoppen waren en dus het wereldlijk en geestelijk gezag in hun persoon vereenigden;--hadden zij geen ander paleis dan het klooster; maar Peter II, de laatste Vladika (bisschop), een in vele opzichten merkwaardig man, die veel gereisd had en in ontwikkeling zijn volk ver vooruit was, had reeds het klooster verlaten en de grondslagen gelegd van het Bigliardo, dat ongetwijfeld nog heden tot vorstelijke residentie zou dienen, indien niet Vorst Danilo, de laatste bewoner, op zoo treurige wijs om het leven was gekomen.

Om ons te bedienen, wordt ons een Montenegrijn toegevoegd, een bescheiden, ordentelijke man, die er zeer fatsoenlijk uitziet en zijne functiën naar behooren waarneemt; hij behoort tot het hofgezin van den Vorst en draagt een zwarte liverei, die, wat de snede der kleedingstukken aangaat, met het gewone nationale kostuum overeenkomt.

Wij beginnen met eene wandeling te doen door het gebouw, waarin wij onzen intrek genomen hebben. Het hoofdgebouw staat tusschen twee binnenplaatsen, waarvan de eene op de straat uitkomt, waarin het paleis staat en die naar het klooster voert; op de andere binnenplaats bevinden zich de stallen van den Vorst. De eerste, ommuurde plaats is aan de hoeken voorzien van kleine torens, die tot verdediging kunnen dienen en aan het geheel een zeker karakter geven. De lange smalle gang, waarop de kamers uitkomen, is van afstand tot afstand met zware, massieve deuren afgesloten; breede trappen voeren naar beneden. Aan het eind van den gang, is, onder de regeering van Vorst Danilo, aan het paleis een vleugel bijgebouwd, waarin zich de vergaderzaal van den Senaat bevindt. Het overige van het gebouw wordt deels voor bergplaats, deels voor het verrichten van allerlei werkzaamheden gebruikt; uit een der benedenvertrekken, dat voor school schijnt te dienen, zie ik kinderen komen. Vreemdelingen van zekeren rang en zij, die met eene of andere diplomatieke zending zijn belast, worden door den Vorst uitgenoodigd, hier hun intrek te nemen; zijn lijfarts woont ook hier, en somwijlen ook zijn sekretaris. In de kamer nevens mij logeert een zeer warme en bekende Slavenvriend, een bevrijde Pruis, zooals hij zich zelven noemt, de heer Gustaaf Rasch, schrijver van een werk over Montenegro, Vom Schwarzen Berge getiteld, en aan Vorst Nikita (Nikolaas) opgedragen. Wellicht nog meer bekend is hij door een ander boek, eerst te Brunswijk in het duitsch verschenen, maar dat in Duitschland verboden is, en waarvoor de schrijver door de rechtbank tot vier maanden gevangenisstraf is veroordeeld. Dit werkje is, door den heer Louis Léger, in het fransch vertaald onder den titel Les Prussiens en Alsace-Lorraine, par un Prussien. Het spijt mij zeer, dat wederzijdsche beschroomdheid of al te groote terughouding ons heeft verhinderd, met elkander kennis te maken. Ik heb mij daardoor van de gelegenheid beroofd om profijt te trekken van de zeer degelijke kennis van den heer Rasch, die de servische taal, waarin ik onbedreven ben, grondig verstaat.

Het wordt donker; ik zit hier tusschen vier naakte, koude muren; mijn bediende verstaat eenige woorden italiaansch, zoodat ik mij althans voor hem verstaanbaar kan maken. Ik ga mij nu naar behooren installeeren. Binnen een half uur is de kamer zoo veranderd, dat de ernstige Montenegrijn, als hij mij het verlangde waschwater brengt, zijn oogen nauwelijks gelooven kan en mij allerlei vragen doet. Ik wil die vragen van uwe zijde, lezer, voorkomen, en u mededeelen, dat ik gewoon ben, met een volstrekt niet grooten zak te reizen, dien ik wel haast onuitputtelijk zou mogen noemen, en waarin ik eene gansche huishouding berg. Te paard reizende, bind ik dien zak aan den zadel vast; ga ik te voet, dan draag ik hem aan twee riemen op mijn rug, even als den ransel van een soldaat. Met dien zak gewapend, ontbreekt mij niets. Wat daar al inzit? Zie hier een groote, zeer fijne, veelkleurige zijden doek, die mij tot tafellaken dient en ook nog op menige andere wijze gebruikt wordt. Dan een blikken kapdoosje, met toiletspiegel, voorzien van blakertje en kaarsen; een lamp voor wijngeest, onontbeerlijk in deze streken, waar ge dikwijls geen droppel melk kunt krijgen voor uw thee; een schrijfportefeuille; een platte inktkoker, die hermetisch gesloten kan worden. Voorts Liebig-extracten, bouillon en melk, in potjes, naar de grootte gerangschikt; suiker; een platte veldflesch met besten brandewijn; potlooden, albums, een aquarellen-doos: genoeg schildergereedschap in één woord om een meesterstuk te kunnen scheppen--als het noodige talent er ook was. Verder eenige boeken; vooreerst reisboeken, natuurlijk verschillende naar gelang van de streek, die ik bezoek, maar dan ook andere, die ik voor mijn eigen uitspanning mede neem: allen in klein formaat. Toen ik tusschen de twintig en dertig jaar oud was, placht een Musset mijn trouwe reisgezel te zijn; tegenwoordig gebeurt het mij meer, dat ik een Montaigne of Pascal uit mijn kast neem en in mijn valies pak. Eindelijk de onontbeerlijke toiletartikelen, schoensmeer en borstels, want ook daarop moet men bedacht zijn. Mijn lijfgoed is, met een paar schoenen, benevens een overjas met kap, voor het geval dat ik buiten moet overnachten, in een plaid gerold. Zoo uitgerust, trek ik onbekommerd voort, zonder van iemand afhankelijk te zijn.

Men heeft mij meermalen gevraagd, of ik op reis geen wapens medeneem. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik, ook in de meest ter kwader naam staande streken, nooit een pennemes uit mijn zak heb gehaald, dan om een puntje aan mijn potlood te maken. Ik heb Bosnië en Herzegowina doorreisd, toen zij reeds in vollen opstand waren; ik ben daar twee- of driemaal in moeielijkheden geraakt, maar ik houde mij overtuigd, dat ik onherroepelijk verloren zou zijn geweest, indien ik een revolver bij mij had gehad. Niets is gevaarlijker, dan in deze landen eene zekere uitdagende en tartende houding aan te nemen. De voorzichtigheid van Zadig verdient verre de voorkeur boven de vermetelheid van Gusman. Het is zeker een voorrecht en een genot, merkwaardige landen te bezoeken, vreemde zeden en gewoonten te kunnen gadeslaan, het hart te kunnen ophalen aan schilderachtige tooneelen en wonderlijke kleederdrachten:--maar toch, om daar het rechte genot van te hebben, moet men het er levend afbrengen; mijn huid is mij lief--mi preme la vita--en ik houd er niet van, mij onnoodig in gevaar te begeven. Koelbloedigheid en tegenwoordigheid van geest, een rustige toon van gezag, en vooral onschuldige bedoelingen: ziedaar mijns erachtens de beste wapenen op een tocht door deze en dergelijke half-barbaarsche landen.

Na mijn reiszak ontpakt en mijn kamer zooveel noodig gemeubeld, en vervolgens een half uurtje gerust te hebben, is het tijd om wat voedsel te gaan nemen, want het ontbijt van Njégosch, hoe stevig ook, is niet meer dan eene herinnering. De heer Matanovich, de adjudant van Z.H., biedt ons bereidwillig zijne hulp aan; hij is vooruitgegaan naar het hotel van Cettinjé, om te zorgen dat wij het een en ander te eten bekomen. Dit hotel is, zoo als ik zeide, nu geheel ledig: de kastelein, die het gepacht had, was niet in staat het gebouw te meubileeren; zijn opvolger is pas in functie getreden, en heeft daar nog geen tijd voor gehad. Echter vinden wij er een open tafel, waar voor mij eene plaats is beschikbaar gehouden.

Verbeeld u een groot, hol vertrek op de eerste verdieping; in het midden der zaal staat een tafel, maar flauwelijk verlicht door eenige lampen, die het grootste gedeelte van het ledige, naakte vertrek in donkere schemering gehuld laten. Een voor een treden de gasten binnen, bijna allen opperhoofden en mannen met eenige waardigheid bekleed, zonder twijfel tot de naburige stammen behoorende en tijdelijk in de hoofdstad verblijvende. Eene kleine, vrij vlugge dienstmaagd, meer dan waarschijnlijk uit Dalmatië en wel van de kust geboortig, daar zij even goed italiaansch als servisch spreekt, wijst mij de eenige ledige plaats aan; en daar zit ik nu, als elfde man, tusschen tien Montenegrijnen, weinig innemend van voorkomen, bijna allen rijzige forsche mannen met lange hairen en zware bruine knevels, de meesten met medailles versierd, en allen met een volledig arsenaal in hun gordel! Niemand legt zijne wapenen af, eer hij aan tafel gaat. Als het eerste gerecht, een soort van aardappelenragout, wordt rondgediend, wijst een der Montenegrijnen, die mij eer wil bewijzen, met den vinger op mij, als een teeken dat men mij het eerst moet bedienen. In de tien gordels tel ik vier-en-twintig pistolen. Alle gasten houden hun beretta op het hoofd; zij dragen allen het witte buis en het roode, met goud geborduurde vest. De heeren fluisteren onder elkander, terwijl zij mij voortdurend aanzien; een hunner vraagt aan de dienstmaagd, of ik servisch spreek; ik merk dat zij mij tot een Italiaan maakt, omdat ik mij met haar in die taal onderhoud. "Fransouski" zeg ik, om mijne nationaliteit bekend te maken. Dit scheen de gasten gunstiger te stemmen, maar hunne manieren zijn ruw, en ik voel mij niet op mijn gemak, hoewel men mij blijkbaar met beleefdheid wil behandelen. Als ik weiger om het eerst bediend te worden, dan beduidt men mij met een hooghartig gebaar, dat het niet te pas komt, komplimenten te maken, dat ik slechts heb te gehoorzamen, en mij te schikken naar de regelen der montenegrijnsche gastvrijheid. Intusschen gaat de maaltijd zijn gang; een half schaap, aan het spit gebraden, wordt opgedischt on met de yatagan in stukken gesneden; de nationale kaas dient tot dessert. Nu worden de pijpen aangestoken; terwijl de heeren nog met elkander blijven praten, verwijder ik mij; mijn groet wordt door een korten wensch beantwoord. Ik gevoel, dat die hooge personages, voor het meerendeel senatoren, niet den schijn willen hebben, dat zij aan een vreemdeling, dien zij niet kennen, bijzondere aandacht schenken, en dat zij ook geene verbazing willen toonen.

Ik steek de groote straat over, waar eenige schimmen mij voorbij glijden, allen in de strouka gewikkeld; voor den muur van het paleis van den Vorst kuieren de schildwachten op en neer. Somwijlen opent zich een deur: een helder licht, afkomstig van het midden in de kamer brandende vuur, schijnt over de straat en teekent zwarte schaduwen op den grond. Al tastend bereik ik mijne kamer in het oude paleis, en eer ik mij ter ruste begeef, teeken ik in mijn dagboek de herinneringen en indrukken van dezen dag op, mijn zonderlingen tocht van Cattaro naar hier.

Een laatste blik naar buiten, in den kalmen, helderen herfstnacht. Hoe hoog zijn de bergen! Hoe ver, ver ben ik hier van Frankrijk! Hoe afgezonderd van de wereld, door een geweldigen muur van haast onbeklimbare rotsen gescheiden van de blauwe Adriatische-zee....

IV.

Wij bevinden ons op montenegrijnschen bodem, in de hoofdstad van het kleine vorstendom. Wij willen nu, eer wij verder het land ingaan, een vluchtigen blik werpen op zijne geschiedenis. Welke volken en stammen hebben deze bergen bevolkt, en wie hebben over hen geregeerd? Welke zijn de groote lijnen, de hoofdmomenten hunner geschiedenis; en krachtens welk beginsel oefent de thans regeerende Vorst een bijna onbeperkt en onbetwist gezag uit over dit hooghartige, fiere en tot hiertoe nog onverwonnen en ongetemde volk? Ik wil trachten, zoo kort mogelijk, die vragen te beantwoorden.

Honderd-acht-en-zestig jaar vóór Christus namen de Romeinen van deze landstreek bezit: eene ontwijfelbare herinnering aan hunne heerschappij is nog altijd overig in een ouden heirweg, die van het antieke Epidaurum naar het tegenwoordige Skutari of Skodra voert. Het land behoorde toen, met geheel Dalmatië, tot de provincie Illyrië. In de derde eeuw verschijnen de Gothen, later opgevolgd en verdrongen door de Slaven, die reeds van Dioclea hunne hoofdstad hadden gemaakt. Omstreeks de zevende eeuw verdwijnt de naam van Illyrië, te midden van de verwarring der opeenvolgende invasiën van Kroaten, Bulgaren en Serviërs. Het servische rijk wordt gegrondvest en neemt snel in macht toe; dit rijk, dat nog steeds het ideaal is, naar welks verwezenlijking alle Zuid-Slaven smachtend uitzien, omvatte, behalve het tegenwoordige Servië, ook Bosnië, Moesië, een deel van Dalmatië en Dacië. Bij den noodlottigen slag van Kossovo (1389) ging dit servische rijk te gronde, en vielen de tot dusver aan de servische kroon behoorende landen in de macht der Turken.

Toen aldus de slavische macht gebroken werd, behoorde ook het tegenwoordige Montenegro tot Servië, en werd bestuurd door een ban, die het oppergezag der servische Koningen erkende. De nederlaag bij Kossovo verbrak die banden; de bans, hertogen of vorsten van Zèta weigerden zich te onderwerpen aan de mohammedaansche heerschappij, en weken met eenige stammen (plemena) naar de bijna ontoegankelijke bergen, waar zij hunne onafhankelijkheid wisten te handhaven. Dat zij, ondanks de bijna rusteloos herhaalde pogingen der Turken om dit laatste overblijfsel der eenmaal zoo machtige servische natie onder hun juk te doen bukken, deze hunne onafhankelijkheid nu welhaast gedurende vijf eeuwen inderdaad hebben bewaard:--ziedaar een eeretitel, waarop de Montenegrijnen met het volste recht trotsch mogen zijn, en die hen de rechtmatigste aanspraak moest geven op de warme sympathie en de krachtige ondersteuning van het christelijk Europa, indien dat Europa zich heden nog door andere beweegredenen, dan die aan het cynische eigenbelang ontleend, liet leiden. Maar toch, al worden zij door hunne natuurlijke bondgenooten te vaak alleen gelaten in den strijd tegen den gemeenschappelijken erfvijand, zij hebben de worsteling tegen de overstelpende overmacht niet opgegeven, en nog altijd staat Montenegro als een laatste bolwerk der zuid-slavische nationaliteit:--moge het ook zijn als de profecie eener betere toekomst.

Na het uitsterven van de oude vorstelijke familie van Balschich, in 1421, verkozen de Montenegrijnen den dapperen Stophan Tzernojewitch tot Vorst; deze stichtte twee havensteden aan de Adriatische-zee, en bouwde ook het klooster te Cettinjé, dat in 1485 tot den zetel der regeering verheven werd. Stephan sloot een verbond van vriendschap met Venetië, en leefde, even als zijn zoon Iwan, in onophoudelijken krijg met de Turken. Een der gewichtigste feiten van dit tijdvak is wel de overbrenging van den vorstelijken zetel van Zabljak, eene vesting in de vlakte ten noorden van Skutari, naar het klooster te Cettinjé, in het hart van het gebergte, dat gemakkelijker te verdedigen was, en waar het kostbaar pand der nationale onafhankelijkheid beter kon worden bewaard. George, de laatste Vorst uit het geslacht van Tzernojewitch, die met eene dame uit Venetië was gehuwd, deed in 1515 afstand van de regeering en begaf zich naar het vaderland zijner vrouw. Met hem eindigt de reeks der Woïwoden of wereldlijke Vorsten van Montenegro: George Tzernojewitch droeg namelijk het oppergezag over aan den Vladika (bisschop) Vavil, welk besluit door het volk werd goedgekeurd.