De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 45
Wij hebben bijna anderhalf uur noodig gehad om hier te komen: wij bevinden ons nog altijd in Oostenrijk; wij hebben de laatste sporten van de Scala betreden, en gaan nu verder het gebergte in. Wij staan op den top, waarover de grenslijn loopt. De Scala, die geheel op oostenrijksch grondgebied ligt, wordt door de militaire genie met zeer veel zorg onderhouden; maar nauwelijks hebt ge de bergpassen betreden, of ge bevindt u te midden van den chaos. Eerst moeten wij gedurende eenigen tijd voortgaan langs den rand van een zoo diepen afgrond, dat mijn reismakker, die aan duizelingen onderhevig is, zich aan zijn zadel vastklemt en eindelijk van het paard stijgt. Eenige jaren geleden, moest men zich hier zelf een doortocht banen midden door de rotsblokken, welke de bergstroomen in den winter hadden medegevoerd; maar Nicolaas I, de tegenwoordige Vorst van Montenegro, heeft het, na veel tobbens en onderhandelens, zoo ver weten te brengen, dat er althans een begin is gemaakt met den aanleg van een weg van Cettinjé naar Cattaro; men is met den aanleg begonnen aan de beide uiteinden, aan het punt van aansluiting aan de Scala bij Cattaro, en te Cettinjé. Op de plaats, waar wij ons nu bevinden, moest noodzakelijk een leuning worden aangebracht: wij waren verplicht om ons vast te houden aan de overhangende rots, waarin men den weg heeft uitgehouwen, die letterlijk boven den afgrond zweeft.
Om van het punt waar de Scala eindigt, dat wil zeggen van de oostenrijksche grens, het berg-plateau te bereiken, heeft men omstreeks een half uur noodig: van daar overziet men eene fraaie, hoewel tamelijk steenachtige vlakte, waarin het dorp Njégosch ligt. Dit gedeelte van den weg is een der lastigste en bezwaarlijkste, een soort van ongenaakbare kloof, die voor eene ongeëvenaarde natuurlijke verdediging mag gelden. De pas wordt gevormd door de hellingen der bergen Bucovizza en Glavizza; de wateren van het riviertje de Ricovjernovitch hebben waarschijnlijk dezen smallen en diepen doorgang uitgehold: nog ziet men, diep op den bodem der kloof, een magere waterstraal. Hier ligt het dorp Verba; onze paarden lesschen hun dorst aan eene kristalheldere bron; gemeenlijk wordt hier halt gehouden; maar de heer Radamanovich zegt, dat wij te Njégosch gewacht worden, ten huize van een senator, die er eene eere in stelt ons te ontvangen. Na een half uur lang tusschen de van alle zijden loodrecht opstijgende rotsen te zijn voortgereden, komen wij eindelijk op de hoogvlakte, die wij tot dusver niet hadden kunnen zien. Op een halve mijl afstands ongeveer, ligt Njégosch, in eene schier ronde vlakte, door scherpgetande bergen omringd.
Onderweg zijn wij telkens groepen van montenegrijnsche vrouwen tegengekomen, die naar de markt te Cattaro gaan; zij komen van Njégosch, van Baïtz, van Cettinjé en van enkele dorpen, tusschen de rotsen verspreid. Onder haar zware vrachten gebogen, gaan zij langzaam voort; somwijlen voeren zij een kleinen ezel, met groenten beladen, mede. Zelden vindt ge mannen bij die groepen: meestal gaan die alleen, met de hand op de heup rustende, en de wapenen in den gordel gestoken. De arme vrouwen praten onder het loopen, breien kousen of spinnen; hoewel haast door midden gebogen onder den zwaren last takkebossen, komt toch bijwijlen een flauwe glimlach deze doorgaans zoo ernstige, droefgeestige aangezichten verhelderen. Met onuitsprekelijke verbazing zien wij, hoe deze vrouwen, in plaats van de slingeringen van den weg te volgen, recht voor zich uit gaan, en met nooit missende zekerheid hare voeten zetten op uitstekende rotspunten, die wij ter nauwernood kunnen bespeuren; zij volgen dus een soort van onzichtbaren weg, dien zij alleen kennen, maar waarlangs zij met ongeloofelijke vaardigheid omhoog klauteren en aldus den omweg van twee kilometers uithalen, dien wij moeten maken. Hoe zij dien tocht tegen de schier loodrechte helling durven wagen, is mij onbegrijpelijk. Trouwens, de jonge knaap, die ons vergezelt, doet hetzelfde, niettegenstaande men zou meenen dat de opanka, het nationale schoeisel der Zuid-Slaven, voor dergelijke expedities geheel ongeschikt is. Bij Verba ontmoeten wij een gezelschap, waarvan de aanvoerder ons met een eigenaardige, fiere beleefdheid den slavischen groet brengt. Kent het familiehoofd den heer Radamanovich persoonlijk, dan maakt hij eene buiging, en kust hem op de beide wangen, waarbij de knie een weinig wordt gebogen en de linkerhand op de borst gelegd, terwijl de rechter de beretta oplicht; de vrouwen komen ons, een voor een, de hand kussen, daarbij op doffen toon de woorden prevelende: O! prijs God! Dan gaan zij verder bergopwaarts.
Wij zijn te Njégosch, in eene soort van vlakte, op het eerste plateau van den berg, tusschen Cattaro en Cettinjé: een halt, waar de reiziger even uitrust, eer hij de nieuwe berghellingen gaat beklimmen, die zich aan den horizon verheffen, en Albanië en het meer van Skutari aan zijn oog onttrekken.
Men moet den weg verlaten en een weinig links afslaan om de eerste huizen te bereiken van Njégosch, de hoofdplaats van een distrikt, dat verscheidene dorpen omvat. Zooals ik reeds gezegd heb, hebben de slavische landlieden in geheel Dalmatië, in Istrië en in Herzegowina, de gewoonte om hunne huizen of hutten op aanmerkelijke afstanden van elkander te bouwen, even als landhoeven; deze zucht tot afzondering vindt voor een deel hare verklaring in die andere gewoonte, volgens welke alle leden van een gezin zoo lang eenigszins mogelijk bij elkander onder hetzelfde dak blijven wonen. Hier, in Njégosch, staan de huizen meer in een groep vereenigd; de buitengewoon lage woningen verdwijnen bijna geheel tusschen reusachtige steenblokken en de oneffenheden van een rotsig afgebrokkeld terrein, waar de natuur, met schrale hand, hier en daar enkele plekken met bebouwbare aarde heeft bestrooid: kostbare, doch helaas al te weinig talrijke oasen, die zorgvuldig door kleine muren zijn omgeven, opdat de stormwind de aarde niet wegvoere, waaraan men het kostbare zaad heeft toevertrouwd.
Het huis, waar wij stilhouden, staat aan den ingang van het dorp, en ziet er uitwendig meer dan eenvoudig uit. Het dak is met groote steenen, aan dwarslatten bevestigd, gedekt: ongetwijfeld om het te beveiligen tegen het geweld van den wind. Wij komen op eene binnenplaats, waar, als in een slachthuis, het bloed over den harden rotsgrond vloeit en in een soort van put of bak wegloopt. Op den drempel der woning staat een man van omstreeks vijftig jaar, met de beretta op het hoofd en in de nationale kleederdracht; met vriendelijke waardigheid ontvangt hij den begroetingskus van onzen reismakker. Jongelieden, met bloed overspat, groeten glimlachend de aankomelingen en verdwijnen dan in de kleine stallen of hokken, die op de plaats uitkomen; op den grond liggen groote stukken schapenvleesch. Kleine kinderen, mede met bloed besmeerd, de kleine roode muts op het hoofd, schuilen weg bij de vrouwen, die zich eerbiedig op een afstand houden. Wij zijn in het laatst van October, en het montenegrijnsch gezin is bezig aan de gewichtige taak der toebereiding van de castradina. Met den naam van castradina noemt men hier het gezouten en gerookte geiten- en schapenvleesch, dat de voornaamste bron van inkomst is voor het geheele vorstendom, het belangrijkste artikel van zijn uitvoerhandel, nevens de scoranze, een soort van visch, die in het meer van Skutari gevangen, en gezouten en gedroogd wordt. Even als in de aartsvaderlijke tijden, zou houdt ook hier het hoofd des gezins zelf het toezicht over de werkzaamheden; wij verrassen de familie bij het eerste gedeelte van haar arbeid: bij het slachten, dat tegenwoordig op de gewone wijze, door het afsnijden van den strot, geschiedt. Reizigers, die een dozijn jaren geleden Montenegro bezochten, verhalen ons, dat destijds de schapen en geiten in perken worden opgesloten, en vervolgens door den eigenaar met den yatagan in het wilde werden neergesabeld, tot de gansche ruimte met lijken overdekt was.
Na de gewone begroetingen, bestijgen wij enkele trappen en treden een ruim, zindelijk vertrek binnen, met een lage zoldering, witgepleisterde muren en geplaveiden vloer; dit vertrek ontvangt zijn licht door twee kleine getraliede vensters, ter manshoogte aangebracht. Dit is de eenige kamer van het huis. De eene wand wordt ingenomen door twee groote, zeer breede bedden, door eene tamelijke tusschenruimte gescheiden. In een hoek staat eene groote lage tafel, met een kleed bedekt, en daaromheen banken en op de plaats der eere een houten leuningstoel of zetel. Tusschen het bed en de tafel, zie ik aan den muur een geschilderd rek, waaraan vier albaneesche pistolen met zilveren kolven, een prachtige yatagan (dolk), een moderne revolver en een geweer hangen. Aan de andere zijde van de tafel, in den hoek tegenover het bed, schitteren in de schaduw de gedreven zilveren gloriën der heiligen beelden, waarvoor eene kleine lamp brandt. In een anderen hoek van het vertrek, staat een dier groote, ruw beschilderde koffers, die tevens tot tafel en tot bank kunnen dienen, en die ge bijna in alle oostersche woningen aantreft: in dien koffer worden de kleederen, de juweelen, de kostbaarheden, al de have der familie, geborgen. Tusschen de twee bedden staat een minder sierlijk beschilderde koffer, waarboven eenige kleedingstukken zijn opgehangen. Het geheel vertoont den stempel van ernstigen eenvoud en betamelijkheid; er ligt over dit ruime, sober gemeubelde vertrek een zeker waas van patriarchale waardigheid verspreid. Hier woont en leeft de huisvader, het eerbiedwaardig hoofd des gezins, ook al is hij woïwode en senator; hier is zijn tehuis, zijn burcht; daar rusten de zijnen onder zijn waakzaam oog; daar zijn zijne schitterende, rijke wapenen, zijn prachtige gordel; daar ontvangt hij zijne gasten en brengt hun den beker toe; en in gindschen hoek, in de schemering, noode door het flikkerend en walmend lampje verlicht, hangt de montenegrijnsche Panagia.
Het geheele gezin komt nu bijeen: de vrouw, ernstig en droefgeestig van voorkomen, even als alle servische moeders, oud vóór haar tijd, en wie het moeite schijnt te kosten te glimlachen; de dochter, beschroomd, teruggetrokken, maar bevallig; de zoons, wilde knapen, die blijkbaar den baas spelen en met den vader stoeien. Mijnheer Radamanovich groet allen met dezelfde hartelijkheid; de vrouwen komen ons eerbiedig, met gebogen knie, de hand kussen. De vader neemt aan deze begroetingen geen deel; ernstig, deftig, schijnt hij ter nauwernood op te merken wat er geschiedt; hij spreekt enkele woorden, en allen gaan heen om den maaltijd te bereiden. Weldra is de tafel gedekt; het ontbijt bestaat uit een gebraden schaap, dat met een kandjar in vier stukken gesneden wordt; de wijn is goed: het is de gewone roode wijn van de dalmatische kust, die een weinig troebel is, maar waarmede de reiziger zich spoedig verzoent. Wij zijn alleen met ons drieën mannen aan tafel gezeten, de vrouwen bedienen ons staande of houden zich eerbiedig op een afstand.
Wij moeten al spoedig afscheid nemen; wij hebben nog een langen weg af te leggen, en moeten in hetzelfde dorp nog een bezoek brengen bij den broeder van onzen gastheer, die eenige schreden verder woont. Zijn huis is minder ruim, maar toont toch ook alle sporen van welvaart; wij zijn dan ook bij de aanzienlijksten des lands, bij de heeren, die in den Senaat zitting hebben, en in tijden van gevaar, de bewoners der nahiya van Njégosch ten strijde voeren. In een klein vertrek, waar de tafel toebereid staat, wordt ons de eerewijn aangeboden, en het geheele gezin voorgesteld. Ook hier, als overal, heerscht bij de vrouwen dezelfde terughouding, dezelfde stille onderworpenheid; maar het blijkt duidelijk genoeg, dat, ondanks de hoogheid van den heer en meester, het hier niet aan liefde en tederheid tusschen de echtgenooten ontbreekt, en dat de moeder des gezins door hare zonen bemind en geëerd wordt.
Wij moeten naar den grooten weg terugkeeren; maar ik wensch nog even een blik te werpen op dat groote dorp Njégosch, met zijne lange en lage huizen, die zich nauwelijks boven den grond schijnen te verheffen, verspreid tusschen de rotsen. Hier en daar, in kleine akkers rondom de huizen, door steenen muurtjes omringd, groeien aardappelen; schapen en paarden zoeken een schraal voedsel in de spleten en kloven der rotsen. Njégosch is de bakermat van het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig over Montenegro regeert, en Vorst Nikolaas, die hier geboren is, brengt er gewoonlijk een gedeelte van het warme jaargetijde door: het is hier veel minder heet dan in de hoofdstad, omdat de zeewind de lucht verfrischt en afkoelt. Van hier kan ik de vorstelijke residentie zien: een eenvoudig gebouw, met twee torentjes; boven het dak verheft zich de stok, waaraan, tijdens het verblijf van den Vorst, de nationale vlag geheschen wordt.
Het dorp Njégosch behoort tot de provincie Katounska, die elf plémena of gemeenten bevat, waarvan Njégosch de welvarendste is, vooreerst omdat het in eene vlakte ligt--althans wat men hier eene vlakte noemt;--en ten andere omdat hier een zeker aantal groote veehouders gevestigd zijn, die zich allen toeleggen op den uitvoer van castradina, welk bedrijf hun aanzienlijke voordeelen bezorgt. Elk jaar levert het vorstendom gemiddeld honderdduizend stuks klein vee, die gerookt en gezouten worden, en door de stoombooten van Lloyd naar al de havensteden der kust en vooral naar Triëst worden vervoerd.
Met uitzondering alleen van deze vlakte, waar men ten minste nog eenigen bebouwbaren grond en eenige sporen van kultuur ontmoet, is dit gedeelte des lands niet veel meer dan een dorre steenwoestijn, een chaos van wild door elkander geworpen rotsen, het ruwste en onvruchtbaarste deel van geheel Montenegro. Later zullen wij, in de Berda, weilanden vinden, die het althans voor den mensch mogelijk maken te bestaan, en eenigermate het raadsel helpen verklaren, dat deze zoo schraal bedeelde bevolking niet van honger omkomt.
II.
Njégosch ligt ter zijde van den weg, die van Cattaro naar Cettinjé loopt: wij moesten dus rechts afslaan en de vlakte oversteken; onze paarden wachtten ons aan den voet van den berg, waarachter Cettinjé ligt, en dien wij nu moeten beklimmen. Wij werpen een weemoedigen blik op de armzalige akkers en de treurige kultuur van deze streek: het zijn kleine, ronde, vierkante of driehoekige stukjes grond, verloren te midden dezer wildernis van rotsen. Elk dezer stukjes, dat voor den eigenaar schier een fortuin vertegenwoordigt, is zorgvuldig omringd door eene omwalling van rotsbrokken; naar men mij verhaalt, is de koopwaarde van zulke perceeltjes zeer aanzienlijk. Naar het schijnt, zijn al de mannen, die niet bij de bereiding der castradina noodig zijn, naar buiten gegaan om op den akker te werken of aardappelen te rooien. Ten einde mij van de kwaliteit van dit gewas te overtuigen, daalde ik in een klein ravijn af, waar eenige vrouwen bezig waren een kuil in den grond te delven, om daarin de aardappelen te bewaren; deze kuil wordt vervolgens overdekt met eene laag aarde, met kleine steentjes vermengd, die zoo lang bewerkt en plat getreden wordt, tot zij zoo hard en vast is als macadam. In Bosnië worden de aardappelen op dezelfde wijze bewaard. De knol is gezond en zeer goed uitgegroeid, hoewel hij in een bij uitnemendheid steenachtigen grond is gepoot; die kleine akkers in de ravijnen en spleten, zoo klein dat zij somwijlen niet meer dan vier of vijf el in doorsnede meten, zijn trouwens voor mij niet nieuw. Zij zijn eene herhaling op kleiner schaal van de dollinas in Istrië en Dalmatië, waar de bora met verwoestende kracht waait, en waar de weinige plekken vruchtbare grond, tusschen de rotsen verscholen, met de uiterste zorg worden bebouwd door de landlieden, wie hun geboortelot veroordeelt om op dezen ondankbaren bodem te leven te midden eener stiefmoederlijke natuur, die zij echter liefhebben, als overlaadde zij hen met haar rijkste en schoonste gaven.
Om den afstand tusschen Njégosch en Cettinjé af te leggen, hebben onze paarden, die niet buitengewoon vlug of sterk zijn, ongeveer drie uren noodig. Onze weg voert door smalle, steile passen, schier als kleine tunnels in de rotsen uitgehouwen. Ter linkerzijde daalt de bergwand naar beneden; wij rijden langs een ravijn, waarin wij, diep beneden ons, nog eenige boeren bespeuren, die den grond bewerken; verder heerschen hier volstrekte eenzaamheid en stilte. In het eerste uur vooral was onze rit uiterst bezwaarlijk: voortdurend rolden de losse steenen onder ons weg, en onze paarden struikelden en gleden uit, alsof zij tegen een gletscher opklauterden. Als wij eindelijk uit dit woeste doolhof geraken en de horizon zich verbreedt, zien wij rechts en links en voor ons uit niets dan kleine scherpe spitsen en naalden, die elkander mijlen ver onafgebroken opvolgen, en die alle reizigers, welke Montenegro bezochten, hebben vergeleken bij de plotseling versteende golven van eene onstuimige zee. Het beeld is volkomen juist: ik zou geen beter weten om den indruk dezer zonderlinge natuur weer te geven. Een gevoel van moedeloosheid grijpt u aan, en sombere, weemoedige aandoeningen overmeesteren u, te midden van deze akelig doodsche omgeving; hier geen blauwe horizon meer, als in de dorre velden van Dalmatië; geen prachtige berglandschappen, als in de Alpen en Pyreneën; hier geen levend wezen, boom noch plant; hier niets dan grauwe naakte bergen, afgewisseld door even kale heuvelen; de menschen verplicht saam te scholen in eene armzalige vlakte, die zij in het zweet huns aanschijns een mageren oogst afdwingen, en die toch nog een uitverkoren paradijs, een gezegend Eden schijnt, te midden van dezen akeligen oceaan van steen. Ondanks de nieuwheid en het zonderlinge van het landschap, valt de weg toch ieder lang, die niet weet welke verrassing hem aan het einde wacht. Nu eens moeten wij ons aan den zadelknop vasthouden, om niet achterover van het paard te vallen; dan weder worden wij voorover geworpen en moeten haastig de manen grijpen, om niet over den kop heen te buitelen. Wij komen langs de fontein van Danilo, op last van den Vorst aangelegd, als een halte voor de reizigers; omstreeks vier uur hebben wij eindelijk de grens bereikt van dezen verbijsterenden rotsenbaaierd, waarvan geene beschrijving eenig denkbeeld geven kan, en die u werkelijk de beteekenis duidelijk maakt van het zeggen der Montenegrijnen, dat toen God de wereld schiep, de zak, waarin Hij de bergen bewaarde, juist boven hun land scheurde, zoodat de rotsen er in massa uit vielen. Deze streek ziet er inderdaad uit, alsof geweldige titanen deze ontzaglijke steenklompen, in moedwilligen luim, zoo wild en ruw door en op en over elkander hadden geworpen, dat de menschelijke voet nauwelijks een doortocht vinden kan. Wij waren eindelijk afgestegen, daar wij liever gevaar wilden loopen onze voeten te kwetsen aan de harde rotspunten, dan langer de geweldige horten en stooten in den zadel te verdragen. Nu hebben wij het hoogste punt bereikt; en nu ook ontrolt zich voor onzen blik een onbeschrijfelijk panorama, gevat tusschen twee ruw geteekende rotsen, die als het ware de massieve lijst uitmaken dezer wondervolle schilderij. Het is eene opeenvolging van bergen, die, van deze hoogten gezien, schier heuvelen gelijken, en waarachter wij het meer van Skutari zien, stralende in den zonnegloed, als eeen reusachtig zilveren schild, in de groene vlakte achtergebleven. Zie daar de Moratcha, die zich als een wit lint afteekent tegen den blauwenden achtergrond; verder, de met sneeuw bedekte bergtoppen van zuidelijk Albanië en het land der Mirditen. Aan onze rechterhand, tusschen de omlijsting van rotsen op den voorgrond en de vlakte van Cettinjé beneden ons, verheft zich, ter hoogte van ongeveer zeventien honderd el, de berg Lowchen, op welks top, als een onverwoestbaar ex-voto, het grafmonument verrijst van Peter II, den laatsten Vladika van Montenegro. De Lowchen onderschept voor ons het gezicht op Cettinjé, de hoofdstad van het vorstendom: maar aan onze voeten breidt zich de vlakte uit, die zelve niet anders is dan een bergplateau, achthonderd el boven den waterspiegel der Adriatische-zee en slechts een weinig minder boven het meer van Skutari verheven. Deze top, waarvan ik een der schoonste panorama's heb aanschouwd die in mijne herinnering zijn bewaard, draagt den naam van den berg Kerschmach, en verheft zich tot eene zeer aanzienlijke hoogte boven Cattaro. En zie hier, op den top van gindsche vooruitstekende rots, de palen van den telegraafdraad, die de in haar wildernis van bergen en gesteenten verloren hoofdstad van Montenegro met het beschaafde Europa verbindt.
Onze weg voert nu bergafwaarts, maar de helling is zoo steil en moeielijk, dat de paarden telkens uitglijden en struikelen op deze kantige, rollende steenen. Wij gaan liever te voet; al is het stil op den weg, toch zijn wij ook hier niet geheel alleen. Boven onze hoofden, op steile klippen, zitten jonge herdersknapen; zij trekken de aandacht door hun roode muts, die scherp tegen de grauwe steenen uitkomt; somwijlen hooren wij hun eentonig gezang; een licht geritsel van bladeren doet ons opkijken, en wij zien enkele geiten, die tusschen de schrale heesters langs de steile rotswanden haar mager voedsel zoeken. Bij het omslaan van een hoek verschijnt ons, rustig neergezeten aan den weg, een bergbewoner, met de hand in de zijde, de beretta op het hoofd, gekleed met de witte gougne en den over de borst gekruisten djamadan, geheel met goud geborduurd; in zijn kolan of rood marokijnen gordel bergt hij een gansch arsenaal. Zoo zit hij daar alleen, in deze eenzaamheid, en verwaardigt ons nauwelijks met een blik. Ondanks het goud, waarmede zijn djamadan, vest, versierd is, behoort deze man toch, naar mijn reismakker mij verzekert, tot den middenstand; zijne wapenen zijn zeer prachtig en kostbaar; vooral trekt een sierlijke yatagan met een schede van gedreven zilver en een met koraal ingelegd handvat, onze opmerkzaamheid. De Montenegrijn vergunt ons, schoon niet zonder eenigen weerzin, dit kostbare wapen, dat zeker de waarde eener woning vertegenwoordigt, in handen te nemen; twee pistolen van italiaansch fabriekaat en een mes met ivoren handvat in in een lederen scheede, voltooien zijne wapenrusting; naast hem staat een vuursteengeweer. Toch is deze man geen soldaat van beroep; hij woont te Baïtz en komt van Njégosch, waar hij den nacht heeft doorgebracht.
Veertig minuten nadat wij den top van den Kerschmach verlaten hebben, komen wij aan een klein dorp, in een halven cirkel gebouwd tegen de helling aan de noordzijde der vlakte. Wij gaan langs eene uiterst eenvoudige kerk, zonder eenige versiering hoegenaamd. In eene rotsholte, nevens den weg, bevinden zich enkele vrouwen, die op haar schouders eenige houten vaatjes laden: er is daar eene bron, in de rots uitgehouwen; de vrouwen komen hier water putten, en dalen in lange rijen naar het dorp af. De helling is zeer steil, en wij gaan sneller voort, dan wij wel zouden wenschen. Onze paarden zijn achtergebleven; wij hebben den Lowchen nu achter ons, en de vlakte aan onzen voet vertoont zich in hare volle uitgestrektheid van drie mijlen van het noorden naar het zuiden, aan deze zijde ingesloten door bergen, welke ons, nu wij afdalen, weder in hunne natuurlijke hoogte verschijnen.