De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 44

Chapter 44 3,686 words Public domain Markdown

De stad Cattaro, op de plaats gebouwd waar tijdens de romeinsche heerschappij Ascrivium stond, heeft in de lotgevallen van geheel Dalmatië gedeeld; zij is, in meerdere of mindere mate, onderworpen geweest aan het gezag der koningen van Servië, van Hongarije, van Bosnië, tot zij eindelijk in de macht kwam van Venetië, dat ondanks herhaalde pogingen van de Turken om zich van dit punt meester te maken, Cattaro behield tot aan den ondergang der republiek. In 1806, toen Dalmatië aan Frankrijk werd afgestaan, maakten de Russen zich meester van Cattaro, dat zij evenwel bij den vrede van Tilsitt weder moesten overgeven. In 1813 werd de stad door de Engelschen, onder Sir William Hoste, aangevallen; zij gingen aan land en richtten, voor de oogen van den generaal Gauthier, die het onmogelijk achtte geschut tegen den berg op te voeren, batterijen op, boven de citadel, op de toppen der rotsen. Na een beleg van tien dagen moest de stad zich overgeven; het geheele fransche garnizoen werd gevangen genomen. Ten gevolge van oneenigheden met de Oostenrijkers ontruimden de Engelschen Cattaro, dat in handen viel van den Vladika van Montenegro, toen niet minder dan nu begeerig uitziende naar een haven aan zee. Den 14den Juni 1814 moest hij de stad aan Oostenrijk afstaan, dat haar tot heden behouden heeft.

De Bocchesi of bewoners der Bocca onderscheiden zich van al de bewoners van Dalmatië door zekere eigenaardigheden; te Zara zal men u, onder eene menigte volks, zonder aarzelen iemand aanwijzen en zeggen: dat is een Bocchese. Zij zijn er in geslaagd, van hun land, dat niet meer is dan eene smalle strook tusschen de rotsen en de zee, een der rijkste distrikten van Dalmatië te maken, dank zij hun ijver, hun lust voor handel en scheepvaart, hun overleg en spaarzaamheid. Zij zijn allen Slaven, ook de kustbewoners, die elders in Istrië en Dalmatië schier zonder uitzondering van italiaanschen oorsprong zijn. Het juiste cijfer der bevolking van de Bocca is mij onbekend; voor twintig jaar bedroeg dit tusschen de vijftien- en twintigduizend zielen; daarvan behoorden er ruim elfduizend tot de grieksche en de anderen tot de roomsche Kerk.

De Bocchese is van beroep, ik zou zeggen van nature, zeeman; hij is ondernemend, moedig, van een zeer sterk gestel; het ras zelf is van opmerkelijke schoonheid. Zeehandel is zijn voornaamste middel van bestaan; vooral met Venetië, Triëst en de Zwarte-zee wordt een zeer levendige handel gedreven. Als de Bocchesi volstrekt geen middelen van zich zelven hebben, verhuren zij zich als matrozen bij een reeder of gezagvoerder; anders rusten zij voor eigen rekening een klein vaartuig uit en bezoeken daarmede de naburige havens langs de kust. De zee is het groote arbeidsveld der Bocchesi: een jaar van stormen richt dan ook onder de bewoners droevige verwoestingen aan, en somwijlen ziet ge dorpen, waar de halve bevolking in rouwgewaad is gehuld. Maar blijven zij in het leven, dan weten zij dikwijls zeer spoedig eene vrij aanzienlijke fortuin bijeen te brengen. Is dit het geval, dan keeren zij naar de Bocca terug, verfraaien hunne ouderlijke woning of bouwen eene nieuwe, waaraan zij, zoo dit eenigszins mogelijk is, een lapje grond toevoegen, dat zij met enkele olijven beplanten. Zij zijn in het minst niet ijdel; zij trachten volstrekt niet te schitteren en hun buren te toonen hoe rijk zij zijn; zij kennen geen weelde voor zich zelven; ernstig en stil, leven zij rustig in hun eigen kring. Naar men zegt, hebben sommige rijke Bocchesi in hunne woning exemplaren der wapenen van alle landen, die zij bezocht hebben. Waarschijnlijk dankt deze mode haar oorsprong aan de noodzakelijkheid, waarin men althans vroeger verkeerde, om steeds gereed te zijn tot het afweren der aanvallen van Turken en Montenegrijnen.

Tusschen Risano en de grenzen van Herzegowina, op eene aanzienlijke hoogte in de bergen, niet ver van Grahovo, leest men op de kaart den naam van een dorp, beroemd wegens den krijgshaftigen aard zijner bewoners: het dorp Krivoscjé, moeilijk te genaken, volgens de wet aan Oostenrijk behoorende, maar dat, door zijne ligging, feitelijk onafhankelijk is. Ook deze dorpelingen zijn Bocchesi; maar zij wonen in de bergen, en hebben dus andere gewoonten en zeden dan de kustbewoners. De natuur is niet altijd in harmonie met de kunstmatige verdeelingen en schikkingen der menschen: zij zelve heeft voor de verschillende landen der aarde natuurlijke grenzen getrokken, en het karakter van degenen, die aldus, zij het ook slechts door een berg of eene rivier, gescheiden zijn, kan zeer wezenlijk verschillen. Maar als de grenslijn geheel willekeurig is getrokken, hoe zou men dan zoodanig verschil kunnen verwachten? De Krivoscjianen zijn dus inderdaad Montenegrijnen, niet alleen wat hun voorkomen, hun kostuum, hunne gewoonten betreft, maar ook met opzicht tot hun onrustigen, krijgshaftigen aard. Voor den vreemdeling is het uiterst moeilijk, een bewoner van Krivoscjé van een bewoner van Cettinjé of Rjeka te onderscheiden.

In 1869 wilde de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die Dalmatië geheel op gelijken voet met de andere gewesten des rijks had gesteld, ook hare onderdanen van Krivoscjé aan de conscriptie onderwerpen. De burgerlijke autoriteit ontving de noodige bevelen; zij bleven onuitgevoerd. De oostenrijksche regeering is allerminst van hardheid te beschuldigen, maar tegenover verzet is zij onverbiddelijk. Krivoscjé moest bezet worden; en daar de dorpelingen de soldaten niet wilden toelaten, moest men tot geweld de toevlucht nemen.

Het verhaal van deze expeditie herinnert aan de schitterende wapenfeiten der Franschen in Algiers. Drie- tot vierhonderd mannen hielden gansche regimenten tegen, en dwongen ze, met schrikkelijk verlies, tot den aftocht, door op de hoofden der soldaten een regen te doen nederdalen van steenen, die zij aan den rand der rotsen van hunne enge bergpassen hadden opgestapeld. Gedurende den geheelen veldtocht verloren de Krivoscjianen slechts elf man, terwijl er drie-en-zeventig gekwetst werden; daarentegen verloren de Oostenrijkers, alleen in het gevecht bij Knyesowatz, vijf officieren, waaronder een majoor. Eindelijk vroeg men te Weenen om nadere instructies, en de oostenrijksche regeering beval de staking van dezen moorddadigen strijd, die haar reeds een gansch regiment en een paar millioen gulden gekost had. Zoo bleven de dorpelingen van Krivoscjé in 't eind overwinnaars; zij verkregen vrijstelling van den militairen dienst buiten hunne woonplaats en vermindering van belasting.

Een bijschrift bij een plaat.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld, eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer, zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel, van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming van land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn, dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch, min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom--ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde u opwekken tot kennismaking met het boek.

"Ik heb een halven dag op de Villa-Reale doorgebracht, eene wandelplaats, met eiken en altijd groene heesters beplant, vlak langs het strand. Enkele jonge boomen, doortinteld van licht, ontplooien hunne kleine, teedere blaadjes en ontvouwen alreede hunne gele bloesemkelken. Standbeelden, schoone naakte jongelingsfiguren, Europa op den stier, buigen hun wit marmeren lichamen tusschen het zachte, wazige groen der planten. Op de grasperken speelt het licht in breede plekken; slingerplanten kronkelen zich om de zuilen; hier en daar schittert het levendig purper der jong ontloken bloemen, en de fijne, fluweelige kelken trillen en wiegelen op de zwoele koelte, die tusschen de citroenstammen ruischt. Zee en lucht zijn beiden weldadig; welk een tegenstelling, als ik denk aan de kusten van den Oceaan, aan onze stranden van Normandië en Gaskonje, door de winden geteisterd, door de regenvlagen gegeeseld, waar verschrompelde dwergachtige boomen wegschuilen in de spleten en holten, waar het helm, het korte schrale gras, zich als huiverend aandringt tegen de naakte hellingen! Hier onderhoudt en voedt de nabijheid van het water den plantengroei; ge voelt de frischheid en zachte zwoelte van den ademtocht, die de bloemen koost en doet ontsluiten. Ge vergeet u zelven en alles om u heen: ge luistert naar het geritsel der suizende bladeren; ge volgt het spel hunner schaduwen op het zand. En toch--op zes passen afstands rolt de zee, met een dof gemurmel, haar breede golven, die, met vlokkig schuim overdekt, langzaam uit- en wegvloeien over den zandigen oever. De nevel verdampt onder de zon; tusschen het gebladerte door, bespeurt ge den Vesuvius en zijne geburen, de gansche bergketen, die in steeds duidelijker omtrekken te voorschijn treedt. Zij zijn bleek paars van kleur; en naarmate de dag ter kimme zinkt, wordt dit paars teerder en zachter. Eindelijk gaat die tint over in de fijnste schakeeringen van violet; geen bloemkelk kan bekoorlijker zijn; de hemel is geheel helder geworden, en de stille kalme zee schijnt een meer van azuur.

"Dit tooneel weder te geven is onmogelijk. Lord Byron heeft wel gelijk: de schoonheid der natuur kan niet op ééne lijn worden gesteld met die der kunst. Een schilderij blijft altijd beneden de voorstelling, die men zich daarvan maakt, een landschap staat steeds daarboven. Dit is schoon: ik weet er niets anders van te zeggen; dit is grootsch en dit is aantrekkelijk; dit verkwikt en verheugt den geheelen mensch, de zinnen en het gemoed; ge kunt u niets weelderigers en niets edelers denken. Waarom zou men zich, met dit tafereel voor oogen, de moeite geven van te arbeiden en iets voort te brengen? Het is overtollige moeite, zich een goed ingericht huis te bouwen, of met groote inspanning die omslachtige inrichtingen tot stand te brengen, die men eene constitutie of eene kerk noemt; overtollige moeite ook, de genietingen der ijdelheid en der weelde na te jagen: ge hebt slechts uwe oogen te openen, rondom u te zien; u te laten leven; met een enkelen blik omvat ge de schoonste bloem des levens.

"Ik had mij op een bank neergezet; ik zag den avond vallen, de kleuren en tinten wegsmelten; en het was mij, alsof ik mij in de Elyseesche velden der oude dichters bevond. De sierlijke bevallige vormen der boomen teekenden zich af tegen het heldere blauw. De ontbladerde platanen, de dorre eiken zelfs, schenen te glimlachen. De verrukkelijke blijde helderheid des hemels, door het fijne weefsel hunner takken geschakeerd, scheen zich aan de boomen zelven mede te deelen. Zij schenen niet dood of verstijfd, zooals bij ons, maar ingesluimerd en, onder de koesterende aanraking dezer warme lucht, gereed, hunne knoppen te openen, hunne teedere uitspruitsels toe te vertrouwen aan de naderende lente. Hier en daar flikkerde een ster; de maan begon haar zilver licht uit te gieten. De standbeelden, nog blanker dan straks, schenen in die geheimzinnige schemering als met leven bezield. Groepen jonge vrouwen, wier kleederen zacht op en neder golfden, schreden geruischloos voort, als zalige schimmen. Het was mij, als ware ik getuige van het antieke grieksche leven; als kon de stille harmonie dier slanke vormen en dier gedempte tinten mij voor altijd bevredigen, als had ik geen behoefte meer aan pracht en gloed van lijnen en kleuren. Ik hoorde de verzen van Aristophanes reciteeren; ik zag zijn jongen athleet, kuisch en schoon, naar geen ander genot verlangende dan, met een lauwerkroon op het hoofd, te mogen wandelen tusschen de populieren en bloeiende platanen, in gezelschap van een wijzen vriend van zijn leeftijd. Napels is eene grieksche kolonie, en elke nieuwe ervaring doet ons steeds beter begrijpen, hoe machtigen invloed het landschap en het klimaat uitoefenen op den smaak en den geest van een volk.

"Omstreeks acht uur was het bladstil geworden. De hemel scheen van lapis-lazuli. Eene koninginne gelijk, straalde de maan alleen te midden van het matelooze blauw; haar licht trilde op de groote wateren en goot daarover een breeden mat zilveren stroom uit. Geen woorden kunnen de bevalligheid, de zachte gratie uitspreken dezer bergen, in het schemerend violet van hun nachtelijken sluier gehuld.

"Overal schitteren lantaarns; in de open lucht babbelen de menschen overluid, lachen en eten. Die hemel is op zich zelven een feest!"

Montenegro.

De strijd in het Oosten is ontbrand. Het geduchte oostersche vraagstuk, waarvoor de europeesche diplomatie in volslagen radeloosheid stilstaat, waaraan zij geene oplossing weet te geven, eensdeels omdat zij in moedwillige verblinding den waren aard van het probleem niet wil zien, anderdeels omdat zij, door bekrompen zelfzucht en nijdigen naijver bezield, de eenig mogelijke oplossing verwerpt en hardnekkig blijft streven naar het onbereikbare, blijft reageeren tegen den onafwendbaren loop der geschiedenis; dat geduchte, zoo veel omvattende oostersche vraagstuk, telkens en telkens uitgesteld en verschoven--als werd het daardoor opgelost!--is op nieuw in vollen ernst aan de orde gesteld. De oorlog is uitgebroken: en dat het zoo ver gekomen is, wijt het in de eerste plaats aan die regeeringen, die de teekenen der tijden, het zoo verpletterend duidelijke Mene Mene, opzettelijk miskennende, iedere afdoende daad, elk krachtig optreden van het beschaafd Europa stelselmatig hebben belet, en voortdurend zich tevreden gesteld met woorden en nog eens woorden, als konden woorden de geduchte, vreeselijke werkelijkheid bezweeren en omscheppen naar willekeur! Zie, er zijn toestanden, zoo hopeloos verward, zoo door en door verdorven door jaren- en eeuwenlang verzuim, dat inderdaad geene andere oplossing dan door het zwaard mogelijk is; dat de oorlog als een weldaad, als eene uitkomst na martelende onzekerheid en vernederende weifelingen en radeloos rondtasten in den duister, moet worden begroet. Voor zulk een toestand staan wij ook hier. Jaren-, ja eeuwenlang heeft het ontwikkeld Europa zijn heiligen plicht tegenover de christelijke bevolkingen van het Balkan-schiereiland, schandelijk verzuimd; het heeft toegelaten dat eene mohammedaansche Tartarenhorde de schoonste en oudste erflanden der westersche beschaving in bezit nam en moedwillig ten verderve doemde; het heeft die schande laten voortbestaan, ook toen het voor ieder duidelijk was geworden, dat de turksche heerschappij veroordeeld was; toen de ruwe macht tot verderven, zich niet meer naar buiten kunnende keeren, toch nog steeds met de oude felheid bleef woeden tegen de weerlooze Christenbevolkingen, zuchtende onder het smadelijkst juk; toen in 't eind de logge massa van het doode Turkendom loodzwaar bleef wegen op de schouders van het nieuw ontwakende, worstelende leven der zoo lang vertrapte en mishandelde grieksche on slavische stammen. Voorwaar, aan dien toestand moet een einde komen; en onze volle sympathie is verpand aan die groote mogendheid, die, alleen werkelijk wetende wat zij wil, getoond heeft den eisch des tijds te begrijpen, die nu eindelijk het zwaard heeft getrokken tot bevrijding der Christenen, tot het voorbereiden en mogelijk maken althans van eene betere toekomst. Zeker willen wij daarmede niet beweeren, dat ook Rusland, nevens eene grootsche, rechtvaardige, luid uitgesproken gedachte, geen zelfzuchtige nevenbedoelingen zou kunnen hebben:--aan wie der andere machten van het zoo jammerlijk uiteengescheurde Europa komt echter het recht toe, op dien grond vonnis te vellen? Aan Engeland misschien, welks staatkunde door het meest cynieke eigenbelang, door het onbeschaamdste en onedelste egoïsme, dat van den gierigen gouddorst, gedreven en bezield wordt; dat zich zelven alles geoorloofd rekent, maar niemand vergunt zijn voorbeeld te volgen? Doch dit staat vast: van alle europeesche mogendheden plaatst Rusland alleen zich, ten aanzien der oostersche kwestie, op de historische lijn; weigert Rusland alleen logens en huichelachtigen schijn voor waarheid aan te nemen; begrijpt Rusland alleen wat de roeping, de plicht en dus het recht van het beschaafd Europa tegenover Turkije is; handelt Rusland alleen overeenkomstig dien plicht. Daarom ook brengt het, telkens de europeesche diplomatie waar zij eigenlijk niet wezen wil; daarom schrijdt het onophoudelijk voorwaarts naar het eenmaal, met volle bewustheid, met historische noodzakelijkheid gekozen, en nimmer uit het oog verloren doel. En indien eindelijk de vrucht van al dit streven Rusland in den schoot valt; indien het eens verkrijgt wat het in het algemeen belang van Europa niet mag verkrijgen--aan wie zal dan de schuld zijn? Is het niet aan hen, die door tijdige en doeltreffende samenwerking het najagen van louter zelfzuchtige bedoelingen hadden kunnen verijdelen en eene voor allen bevredigende oplossing mogelijk maken; maar die, in laffe vreesachtigheid of kleingeestige jaloezie, er de voorkeur aan hebben gegeven, zich te onttrekken aan den onafwijsbaren plicht, hun door de geschiedenis op de schouders gelegd, en voorts hunne hoogste wijsheid hebben gezocht in het altijd maar op nieuw verschuiven van het ontzaglijk probleem, dat, eenmaal gesteld, zich niet meer verwijderen laat en waarvan de oplossing, door ieder uitstel, moeilijker wordt?

Doch het ligt niet in mijne bedoeling, te dezer plaatse over de oostersche kwestie uit te weiden; al is de verzoeking groot om, zoo mogelijk, althans eene poging te doen tot het juist stellen van het probleem, dat, meer of minder opzettelijk, door onwil of onverstand, telkens zoo zeer verward en verduisterd wordt. Beschouw de voorafgaande opmerkingen louter als eene toelichting tot de keuze van het reisverhaal, dat straks volgen zal. Wij voeren onze lezers naar Montenegro, en wel aan de hand van dienzelfden gids, den heer Charles Yriarte, met wien wij zoo even Dalmatië tot aan zijne uiterste grenzen hebben doorkruist. Dit reisverhaal sluit zich dus onmiddellijk aan het voorafgaande aan: wij trekken rechtstreeks van Cattaro naar Montenegro. En dat wij juist nu daarheen gaan, behoeft, in verband met het zoo even in het midden gebrachte, wel geene nadere rechtvaardiging. Immers ook Montenegro behoort tot het tooneel des oorlogs; ook daar wordt de groote strijd gestreden; het onverwonnen heldenvolk, dat eeuwenlang de worsteling tegen de turksche overmacht heeft volgehouden, is ook nu op de roepstem ten strijde niet achtergebleven. God zegene zijne wapenen! Al ware het alleen daarom, verdient dit kleine land thans dubbel onze aandacht en belangstelling, waarop het, om zijn verleden, ten allen tijde aanspraak heeft. Volgen wij dus nogmaals den heer Yriarte, dien wij te Cattaro achterlieten [21].

I.

Een uitstapje naar Montenegro moest de bekroning zijn van onzen tocht langs de Adriatische-zee. Wij hadden Istrië, den Quarnero en zijne eilanden en geheel Dalmatië gezien; het heerlijkste weder had onafgebroken onze reis begunstigd en die tot een ongestoord genot gemaakt. Zachtkens gleden wij voort over de helder blauwe golven; de witte steden der oude venetiaansche koloniën, met haar gordel van hooge muren, haar kerken en campaniles, haar schat van herinneringen en haar monumenten van kunst en vroegere grootheid, togen langs onze oogen voorbij, afgewisseld door allerlei aantrekkelijke karakteristieke natuurtafreelen. Al verder en verder had de belangstelling ons heengelokt, en nimmer hadden wij ons beklaagd, aan de verlokking gehoor te hebben gegeven. Waarom dan niet nogmaals geluisterd naar de stem, die ons heen riep naar dat Tzernagora, dat schier ongenaakbaar bergland, die door de natuur zelve gewrochte vesting, bewoond door dat fiere, onversaagde montenegrijnsche ras, dat zich voor immer beroemd heeft gemaakt door zijn ontembaren moed en zijne onbuigbare vrijheidsliefde, dat ras van helden, waarvoor ieder mannenhart sympathie gevoelen moet? Wij aarzelden niet lang; en den 28sten October, bevonden wij ons, des morgens ten negen uur, aan de poort van Cattaro, waar de heer Radamanovich, de agent van den Vorst van Montenegro, ons bescheiden had, gereed tot de reis en met de oogen de hoogte metende van den geweldigen bergwand, dien wij te bestijgen hadden.

De berg rijst zoo steil en zoo plotseling omhoog, en de ruimte tusschen de zee en de rotsen is zoo eng begrensd, dat de mensch op kunstmiddelen bedacht heeft moeten zijn om dezen natuurlijken scheidsmuur over te klimmen; de weg is dan ook in de rots zelve uitgehouwen en kronkelt zich in zigzag, met niet minder dan drie-en-zeventig wendingen, naar boven: de naam Scala, trapladder, is dan ook, op dit duizelingwekkende pad toegepast, volkomen juist. Kort na ons vertrek, nadat wij vijf-en-dertig minuten geklommen hadden, kwamen wij aan een dorp, tusschen de citadel en de stad weggescholen, tusschen de rotsspleten verborgen; de daken der huizen, even als die der zwitsersche châlets, met zware steenen tegen den wind beschut, liggen op gelijke hoogte met den weg. Naarmate ge hooger klimt, verbreedt zich het panorama: eerst overziet ge de stad, dan de eigenlijke golf van Cattaro, dan de gansche Bocca, de bergen langs de kust der Adriatische-zee. Reeds kunt ge Perasto onderscheiden, en de menigte kleine witte dorpen, die de kust omzoomen, wegschuilende aan den voet van loodrechte bergen, en al die kapen en voorgebergten, met hunne groenende tuinen en gaarden en bosschages, waarboven spitse klokketorens uitsteken, zoo scherp zich afteekenende tegen de kalme donker-blauwe oppervlakte der zee.

Weldra bevinden wij ons op gelijke hoogte met de citadel, waarvan wij door een donker en diep ravijn zijn gescheiden; wij hebben eene hoogte van meer dan duizend voet bereikt; naarmate wij hooger stijgen, schijnt de citadel als het ware met de rotsmassa saam te smelten, en het ravijn te slinken; de stad Cattaro, mede haast niet van den berg te onderkennen, zien wij thans in de diepte, vlak voor onze voeten, met haar pleinen en straten, de binnenplaatsen harer huizen, haar met boomen bezette kaai en de daarvoor geankerde schepen. Eindelijk, als ge den top des bergs bereikt hebt, hef dan nog eens uwe oogen op en omvat in een enkelen wijden blik het zonderlinge, het onvergelijkelijke panorama, half in een doorzichtigen nevelsluier gehuld: de laatste krommingen der Bocca, de grillig gevormde bergen, die haar bekkens begrenzen, en wier donkere massa zoo forsch afsteekt tegen het blauw des hemels en het blauw der wateren, en eindelijk, aan den horizon, de Adriatische-zee.