# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 40

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Deze tuin, een waar paradijs in het dorre Attika, is, zoo als men weet, eene schepping van Koningin Amalia. Zij zelve leidde en bestuurde de werkzaamheden, en reed telken dage den tuin rond, hetzij te paard, hetzij in een klein rijtuig, met twee poneys bespannen, die zij zelve mende. Telkens word het jong plantsoen door den geduchten noordenwind vernield, die de pas geplaatste boomen ter aarde wierp. Maar de Koningin gaf het niet op: en zoodra de wortels eens tot een vruchtbaarder laag waren doorgedrongen, begonnen de boomen voorspoedig te groeien. Nu kan men hier overal, ook bij den felsten zonneschijn, in de schaduw wandelen. Duizenden rozenstruiken, met bloemen bezaaid, kronkelen zich langs de stammen en takken van fraaie, zeldzame boomen. Een menigte besproeiingskanalen doorsnijden het park in alle richtingen, en verspreiden overal eene verkwikkende koelte. Prachtige bloembedden spreiden den weelderigen rijkdom harer kleuren ten toon, onder den welriekenden lommer der oranjeboomen. Met behulp van het noodige water, is men er zelfs in geslaagd eenige grasperken te onderhouden, boven wier sappig groen dadelpalmen hunne bladerkronen wiegelen. Door het gebladerte heen ziet men de schitterend witte, sierlijke marmeren kolonnade van het paleis, dat aan deze zijde niet dat kazerne-achtige karakter heeft, hetwelk aan den voorgevel zulk een onaangenamen indruk maakt. Vooral door het contrast, schijnt deze bloeiende oase dubbel bekoorlijk. In dit dorre, boomlooze land, is het een onuitsprekelijk genot, te luisteren naar het geruisch van levende wateren, zich neder te vleien in den dichten lommer der bosschen, en de vermoeide oogen, verblind van het staren op de gloeiende rotsen en den geblakerden grond, te laten rusten op het zachte, welige groen.

Zij, die door hunne bezigheden of door gebrek aan fortuin, gedwongen worden, ook in de hondsdagen te Athene te blijven, kunnen ten minste nog naar het strand gaan. Met rijtuig of met een omnibus begeeft men zich naar het station, aan den voet van de Akropolis, in de onmiddellijke nabijheid van den tempel van Theseus, en tien minuten later stappen de reizigers uit aan het strand van Phaleros. Daar kan men dan, gedurende enkele uren, met volle teugen de frissche zeelucht inademen of een bad nemen; daar vindt men ook eene vrij goede restauratie en een houten zomertheater, met den starrenhemel tot zoldering. Omstreeks middernacht brengen de treinen de duizenden wandelaars weder naar de gloeiend heete stad terug, waar zij vergeefs zullen beproeven eenige uren te slapen, eer op nieuw de brandende, alles verschroeiende zon boven de kimmen verrijst.

De atheensche maatschappij splitst zich in drie onderscheidene groepen, die weinig met elkander in aanraking komen. De eene groep bestaat uit de eigenlijke burgerij, die er zich op beroemt echt-atheensch te zijn, autochthonen in den waren zin; zij, die tot deze klasse behooren, vermijden zooveel mogelijk allen omgang met Europeanen en loochenen alle solidariteit met de Grieken, die buiten het koningrijk zijn geboren en die zij met zekere minachting heterotochthonen noemen. Behoudens enkele uitzonderingen, vertoonen deze lieden dezelfde eigenschappen, die overal der bourgeoisie eigen zijn: bekrompenheid, vooroordeel en afkeer van al wat vreemd is. Tot hun eer moet men hun nageven, dat zij ook de oude eenvoudigheid van levenswijze en reinheid van zeden hebben bewaard.

De verhalen omtrent de verregaande oneerlijkheid der Atheners, door sommige schrijvers in omloop gebracht, zijn waarschijnlijk nooit vrij van overdrijving geweest, en zouden althans tegenwoordig bepaald onwaar zijn. Maar toch valt het niet te ontkennen, dat list en bedrog in het volkskarakter diepe wortelen hebben geschoten en maar al te zeer als geoorloofde wapenen in den strijd des levens worden beschouwd. Dezelfde man, die zich als onteerd zou beschouwen, indien hij uw beurs of uw tabaksdoos uit uw zak wegkaapte, zal zonder eenige aarzeling van uwe onbekendheid met de wetten en gebruiken des lands profiteeren om u te misleiden, u zoo veel mogelijk geld af te persen of u niet te betalen wat hij u schuldig is. Dit is in zijn oog eene geoorloofde handigheid, en zijn geweten maakt hem deswege geen verwijt. Gelukkig zijn er vele uitzonderingen, wier aantal voortdurend toeneemt. Overheidspersonen, leeraren, geneesheeren, kooplieden, geven het voorbeeld van onkreukbare eerlijkheid en van fijne beschaving. De toekomst des lands ligt voor een groot deel in hunne handen: zij weten dat, en doen alles wat in hun vermogen is, om het kwaad, dat zij niet zullen loochenen, te bestrijden en zoo veel mogelijk te overwinnen.

De vrouwen, die tot deze klasse der maatschappij behooren, verstaan en spreken voor het meerendeel geene andere taal dan het grieksch. Zij spreken weinig in gezelschap, en hebben zekere gemaaktheid in haar manieren: misschien louter het gevolg van overdreven beschroomdheid. Vreemdelingen worden met zeker wantrouwen bejegend, en verkrijgen niet gemakkelijk toegang tot den familiekring. Zeer dikwijls is deze terughouding en stugheid niet anders dan hoog opgevoerde eigenliefde, die de soberheid en betrekkelijke armoede der huishouding voor geen vreemde oogen ontdekken wil.

Nevens deze groep, waartoe bijna al de politieke mannen behooren, die in Griekenland een rol gespeeld hebben of nog spelen, staat eene andere klasse, die eenigermate de allures aanneemt eener aristokratie. Zij bestaat uit de zoogenaamde Phanarioten, dat wil zeggen, grieksche familiën uit den Phanar, de grieksche wijk van Constantinopel, afkomstig; en wier voorvaderen, hetzij door hunne aanzienlijke fortuin, hetzij door de hooge staatsbetrekkingen die zij bekleedden, een zekeren voorrang hadden verworven, dien hunne nakomelingen nu ook willen laten gelden in een land, waar de meest volstrekte gelijkheid heerscht. Deze klasse is overigens niet talrijk. De Atheners dragen dezen Phanarioten een fellen haat toe, en beschuldigen hen van intrige, oneerlijkheid en omkooperij: een oordeel, dat, mijns inziens, alles behalve billijk is, en voor een goed deel aan onedelen naijver en jaloezie moet worden toegeschreven. De Phanarioten zijn bijna allen zeer bemiddeld, en mitsdien in staat om veel te reizen en telken jare westelijk Europa te bezoeken. Daardoor zijn zij met onze denkbeelden, met onze zeden en levenswijze meer vertrouwd geraakt; zij toonen hunne ingenomenheid met de europeesche beschaving door de gastvrijheid waarmede zij vreemdelingen ontvangen, en door de meer comfortabele wijze, waarop zij hunne huishouding inrichten. Hun wijder gerichtskring en veelzijdiger ervaring vergunt hun ook, een billijker en onpartijdiger oordeel te vellen over de toestanden in hun eigen land. De bittere en onrechtvaardige naijver van hunne landgenooten houdt hen geheel van het bestuur en van staatszaken verwijderd. Men heeft daarin groot ongelijk, want juist deze hooger ontwikkelde mannen zouden zich minder door hunne hartstochten laten medeslepen; zij zouden zich veel gemakkelijker vrij kunnen houden van kleine coteriën en lokale invloeden, en zich niet behoeven in te laten met de ellendige kuiperijen en intriges, die in de grieksche regeeringskringen eene zoo groote rol spelen.

In hunne smaakvol ingerichte salons wordt de vreemde bezoeker ontvangen door hoogst beschaafde, zeer ontwikkelde vrouwen, die verscheidene talen vloeiend spreken, en met wie het een genot is te praten; deze salons zijn voor de in Griekenland gevestigde vreemdelingen van zeer groote waarde: zij vinden daar als eene levende herinnering aan hun eigen vaderland.

In de laatste jaren heeft zich, nevens deze beide klassen, nog eene derde gevormd, die geheel op zich zelve staat. Een zeker aantal grieksche bankiers, die in het buitenland fortuin hadden gemaakt, zijn zich te Athene komen vestigen; en even als overal, hebben deze lieden ook hier die zekere weelde van dubbelzinnig gehalte, die zucht voor uitspanningen en kostbare vermaken, en bovenal dien hartstocht voor spekulatie medegebracht, die, overal verderfelijk, dubbel noodlottigen invloed uitoefenen te midden eener bevolking, wier behoeften en levenswijze in overeenstemming zijn met de algemeene beperktheid der middelen.

Deze geldmannen hebben der atheensche maatschappij een heete koorts op het lijf gejaagd, waaraan zij, nu twee jaar geleden, schier dreigde te bezwijken. Al de bedachtzaamheid en voorzichtigheid der Grieken is niet bestand geweest tegen de noodlottige bekoringen en verlokkende voorspiegelingen, waarmede deze spekulanten hunne zinnen verblindden. Er werden fantastische venootschappen en maatschappijen opgericht; er werden mijnen verkocht, die nooit bestaan hadden; naamlooze vereenigingen van allerlei aard schoten als paddestoelen uit den grond; de aandeelen bereikten fabelachtige prijzen: in één woord, het Grünaertium stond in vollen bloei. Maar weldra kwam het oogenblik, waarop al die luchtkasteelen instortten. Het ontwaken uit dien gouden droom was verschrikkelijk. Griekenland verloor op één dag ruim twintig millioen gulden, bijna de gansche fortuin van dit arme kleine land. Geen wonder dat zij, op wie de verantwoordelijkheid voor deze ramp nederkwam, de voorwerpen werden van den algemeenen haat. De salons zijn voor hen gesloten; en de pogingen, die zij aanwenden om vreemdelingen of inboorlingen tot zich te lokken, stuiten af op de zeer besliste terughouding en koelheid van alle klassen. Griekenland heeft eene harde les gehad: moge het door de ondervinding wijs zijn geworden.

Somwijlen ontmoet men op de boulevards of op den weg van Patissia een jeugdig paar, met snellen stap voortschrijdende en gevolgd door een grooten deenschen dog. De jonge man, met een zeer gedistingeerd voorkomen, blond, slank en rijzig, draagt een grijzen vilten hoed; de jonge dame, ook blond, met zeer schoone zacht blauwe oogen, is altijd hoogst eenvoudig gekleed. Dat is Koning George en Koningin Olga. Bijna alle voorbijgangers staan stil om hen te groeten; maar de aanhangers van het pas gevallen ministerie of van de partij, die nog niet aan het roer is kunnen komen, houden den hoed op het hoofd en keeren zich met een brutaal gezicht om.

Menigmalen heb ik dien jeugdigen Koning met zijn sympathiek gelaat beklaagd. Zijn toestand is verre van benijdenswaardig. Hij kwam in Griekenland, na eene omwenteling, eerst achttien jaren oud, zonder ervaring, maar vol goeden wil en vervuld met de beste voornemens. Die zoon van het Noorden, met zijn koel, bedaard, eerlijk en rechtschapen, maar ook vasthoudend karakter, moest onvermijdelijk in botsing komen met zijn hoogmoedig, achterdochtig, weerstrevig en in hooge mate wispelturig volk, dat zoo uiterst moeilijk te regeeren is. Die botsingen zijn dan ook niet uitgebleven, en meermalen scheen het of de breuk tusschen Koning en volk onheelbaar worden zou. Bij herhaling reeds is het woord republiek uitgesproken. Toch heeft Griekenland tot dusver getoond, gezond verstand genoeg te bezitten om zich aan deze verwerpelijkste van alle proefnemingen niet te wagen en de monarchie te behouden, die werkelijk de eenige waarborg is voor eene betere toekomst. Inderdaad zou de republiek het land in het verderf storten, vooral hier, waar het zoo geheel aan aristokratische, waarlijk behoudende elementen ontbreekt. In Griekenland toch, even als overal elders, is demokratie slechts een sierlijker uitdrukking voor ongebreidelde zelfzucht en nijdige jaloezie, voor wanorde en regeeringloosheid. Het denkbeeld van aan een der hunnen te moeten gehoorzamen, stuit echter den Grieken zoozeer tegen de borst, dat deze weerzin alleen hen waarschijnlijk wel voor langen tijd van alle republikeinsche proefnemingen zal terughouden.

(Wordt vervolgd.)

Dalmatië.

(Vervolg van bladz. 136).

XI.

Ons verblijf te Spalato en te Salona had lang geduurd: een oponthoud trouwens, volkomen gewettigd door het bij uitstek belangrijke dezer plaatsen. Nu wilden wij, naar onze gewoonte, de kust verlatende, het land in zijne gansche breedte tot nabij de turksche grenzen doortrekken, om vervolgens weder naar de kust terug te keeren. De plaats onzer bestemming was thans Sign.

Wij vertrekken van Spalato en begeven ons in de eerste plaats naar Clissa, een klein dorp aan den voet eener steile rotsvesting, die in de geschiedenis van Dalmatië eene zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Het dorp begint beneden in het dal, en klautert tegen de steile, hoekige rotswanden op; de huizen zijn gebouwd op een reeks kleine terrassen, die zich als de treden van een reuzentrap boven elkander verheffen; elk huis heeft zijn eigen tuintje, dat door ontzaglijke cyclopische muren gedragen wordt. Hoog boven het laatste terras verrijst de vesting, waarvan de gekanteelde muren zich tegen de heldere lucht afteekenen. Toen ik voor het eerst Clissa bezocht, was de vesting onbezet; toen ik in de daarop volgende lente terugkeerde, nadat de opstand der rajas in Bosnië was uitgebroken, lag er bezetting. Clissa beheerscht de passen, die uit Bosnië naar de zee voeren; in vroeger eeuwen hebben de Turken, de Venetianen en de Hongaren beurtelings om het bezit dezer vesting gestreden. Bij den vrede van 1669 bleef de plaats voor goed aan Venetië.

Zoodra men Salona achter den rug heeft, verliest het landschap zijn bekoorlijk karakter: de steenwoestijn, die wij reeds vroeger tusschen Zara en Knin en tusschen Knin en Sebenico ontmoet hebben, keert weder, maar ditmaal zoo mogelijk nog doodscher en dorder. Hier en daar, waar de natuur voor eenige bunders bebouwbare aarde gezorgd heeft, vindt men een armoedig dorp; toch moet men aannemen, dat er, tusschen de rotsen verscholen, nog enkele andere vruchtbare plekjes te vinden zijn, want de vlakte is niet onbewoond. Mijlen achtereen ziet ge echter niets dan eindelooze reeksen van steenachtige heuvels, aan wier voet nu en dan eenige huizen zijn gegroept; de plantengroei is zoo schraal en weinig beteekenend, dat het bijna een raadsel mag heeten, hoe hier menschen hun onderhoud vinden kunnen.

Eindelijk bereiken wij toch de grenzen van deze doodsche heuvelen: de wijde vlakte van Sign breidt zich voor ons uit; de stad zelve schuilt nog achter een vooruitspringenden heuvel weg. Deze vlakte is de grootste, die wij tot dusver in Dalmatië gezien hebben; zij is geheel groen, maar bevat hier en daar nog uitgestrekte plassen, waarop het zonlicht speelt. Aan den horizon wordt dit wijde dal begrensd door vrij hooge bergen; deze groene, malsche vlakte, waarin talrijke kudden grazen en lange rijen populieren hunne slanke kruinen wiegelen, maakt een eigenaardigen indruk, te sterker door het contrast met de woestijn, die men zoo pas verlaten heeft. Dit geheele terrein was in vroeger tijden meer dan waarschijnlijk de bodem van een meer, waarvan nog hier en daar de sporen overig zijn.

Sign, aan den voet van een wanstaltige rots gelegen, heeft niets schilderachtigs, ondanks de ruïnen van eene oude citadel, uit den tijd der venetiaansche heerschappij. Rijen populieren verbergen de huizen, die in denzelfden stijl zijn gebouwd als de nieuwerwetsche dorpen langs de kust; en zonder de kerken en kloosters, zouden er hier geen sporen te vinden zijn van de heerschappij van Venetië. De straten zijn buitengewoon breed; het stadje beslaat dan ook eene aanzienlijke oppervlakte. Men zou op het eerste gezicht niet vermoeden, dat de turksche grens maar eenige uren verwijderd is; maar onophoudelijk trekken er karavanen door de stad, die de verschillende koopwaren, welke zij van de kust hebben gehaald, naar het binnenland van Bosnië brengen.

Toen wij te Sign kwamen, was het juist marktdag: voor een vreemdeling altijd een buitenkansje. De landlieden uit den omtrek waren in vrij aanzienlijken getale toegestroomd; en hoewel de kleederdracht in hoofdzaak onveranderd blijft, ondergaat zij toch, naarmate wij de grenzen naderen, enkele wijzigingen, die niet aan onze opmerkzaamheid mogen ontsnappen.

Hier wordt bovenal onze aandacht getrokken door het eigenaardig hoofddeksel der slavische vrouwen: de okrouga, een wonderlijke witte muts, die voorover op het hoofd wordt gezet, en waarvan doorgaans alleen het voorste gedeelte zichtbaar is, want in den regel dragen de vrouwen over de okrouga een grooten witten sluier, die tot midden op den rug af hangt en ook gedeeltelijk de armen bedekt, maar het fraaie borduursel van het hemd zichtbaar laat. Te Sign is de okrouga eenvoudig een witte doek; iets verder naar de grenzen, is het voorste gedeelte opengewerkt, bij wijze van kant. In Herzegowina is dit hoofddeksel rood van kleur, en neemt meer den vorm aan van een fez; in de omstreken van Trebinje wordt de okrouga voor goed door de fez vervangen; maar ook dan nog blijft de breede sluier, die de schouders en de armen bedekt. In Herzegowina, en met name in de streek tusschen Montenegro en Mostar, wordt die sluier van fijne zijde vervaardigd; overigens ondergaat het kostuum weinig verandering. Ook dat der mannen verschilt niet merkbaar van de kleederdracht uit de omstreken van Knin; met dit onderscheid alleen, dat in Dalmatië over het algemeen de tulband gedragen wordt, terwijl in de turksche provinciën dit hoofddeksel het uitsluitend kenmerk is der Muzelmannen.

De kerken van Sign zijn zeer ruim en rijk versierd; vermoedelijk behoort hier de overgroote meerderheid der bevolking tot de katholieke Kerk, want ik heb nergens een grieksche kapel gezien. De kerken van Sign dagteekenen voor het meerendeel uit de zeventiende en achttiende eeuw, en dragen allen het italiaansche karakter; de versiering is blijkbaar afkomstig uit den tijd der venetiaansche heerschappij.

Mijn verblijf te Sign heeft niet langer dan een dag geduurd, maar ik heb er behoorlijk kunnen eten en slapen, en dit is geen klein kompliment voor een dalmatisch stadje, aan de grenzen van Herzegowina. Later heb ik meermalen, aan gene zijde der bergen, honger geleden; en zelfs aan deze zijde van den Velebit was de kost dikwijls schraal en het nachtleger van twijfelachtig gehalte. Te Sign vindt men ten minste eene behoorlijke herberg; en een blik op den weelderigen vruchtbaren omtrek geeft u de overtuiging dat het u althans niet aan voedsel behoeft te ontbreken.

Op het marktplein bewaart eene fraaie fontein, die te Padua of te Treviso niet misplaatst zou zijn, de herinnering aan den tijd der venetiaansche heerschappij. Toen wij daar langs kwamen, stonden er eenige boerinnen bij de fontein gegroept, om water te putten; en hare kleederdrachten, die ons aan het Oosten deden denken, vormden een eigenaardig contrast met den italiaanschen renaissance-stijl van het kleine, maar fraaie monument, waarvan onze lezers de afbeelding vinden op bladz. 136.

Na den dag te hebben gebruikt voor eenige bezoeken en voor wandelingen door de stad en hare omstreken, die niets bijzonders opleveren, besloot ik den volgenden morgen naar de kust te vertrekken, om mij te Spalato in te schepen naar Ragusa. Ik zou zoodoende tweemaal denzelfden weg afleggen; maar men moet wel rekening houden met de middelen van vervoer; en men is van zelve verplicht telkens naar de Adriatische-zee terug te keeren, waar men zeker is de stoombooten van Lloyd te zullen aantreffen. Er schoot dus geene andere keuze over. Zonder ongeval te Spalato aangekomen, vertrokken wij den volgenden morgen ten zes uur, en liepen, na een kalme zeereis van zes-en-twintig uren, in de haven van Gravosa, bij Ragusa, binnen.

Deze zeetochtjes van de eene stad naar de andere zijn niet van belang ontbloot. Van het dek der boot volgen wij de kronkelende, bochtige lijn van de pittoreske, bergachtige kust; wij houden telkens op in een der vele kleine havens, Piëtro di Brazza, Almissa [20], Macarsca en Curzala. Wij hebben dan juist den tijd, om, terwijl reizigers in- en ontscheept worden, vluchtig enkele schetsen van het omringende landschap te maken.

Gravosa is als het ware de buitenhaven van Ragusa; de schepen kunnen hier gemakkelijker aanleggen dan in de haven der stad zelve; de reede is dieper, veiliger en beter gelegen. De haven van Ragusa, die te zeer voor den zuid-oostenwind open ligt, wordt bijna alleen door de visschers en de kleine kustvaarders gebruikt. Deze stad, die eens een zoo belangrijken handel dreef en eene zoo gewichtige rol speelde, dat zij den naijver opwekte van de trotsche republiek van Sint-Marcus, had eigenlijk moeten gebouwd zijn op de plaats, waar nu Gravosa staat, en niet op dat eng begrensde, tusschen de zee en de rotsen ingesloten terrein, waar iedere uitbreiding onmogelijk is. Deze zoo moeilijk te genaken plek werd aanvankelijk veiligheidshalve gekozen; later, toen de stad, na velerlei rampen, herbouwd moest worden, waren de burgers te zeer aan hunne vroegere woonplaats met al haar herinneringen en traditiën gehecht, om een plek te verlaten, die van het eerste oogenblik slecht gekozen was, niettegenstaande zij in de onmiddellijke nabijheid een uitgezocht terrein hadden om eene groote stad te bouwen.

De afstand tusschen Gravosa en Ragusa bedraagt niet meer dan een halve mijl.

Een fraaie, in de rotsen uitgehouwen weg, ter wederzijde door smaakvolle villas in italiaanschen stijl omzoomd, voert naar de stad. Aan alle zijden treft ons de weelderige, zuidelijke plantengroei: aloës en cactus groeien in de spleten der rotsen; de lucht, de zee, de berg, de vorm der huizen, de geheele omringende natuur, herinneren aan de rots van Monte-Carlo en het prachtige panorama van Monaco; de donkere cypressen, die zich loodrecht verheffen uit de dichtbegroeide heesters met hun goudgele bladeren en gekleurde vruchten, voeren ons ook in onze verbeelding naar de landschappen van zuidelijk Italië. Gravosa is een stedeke van eenige beteekenis door zijn haven; daar vindt men de timmerwerven van Ragusa, waarop evenwel niet meer de bedrijvigheid van vroeger heerscht. Tusschen Gravosa en Ragusa, vlak langs den weg, bouwden de rijke kooplieden der republiek hunne landhuizen, door bekoorlijke tuinen omringd, waar zij het volle genot van het buitenleven konden smaken.

Wie de geschiedenis van Ragusa kent, zal niet zonder een gevoel van eerbied deze stad betreden; ik durf zelfs beweeren, dat het zonderlinge voorkomen der stad, zoo hoogst eigenaardig en karakteristiek ten gevolge van het gekozen terrein, in allen deele beantwoordt aan de verwachting, die de kenner harer historie zich van Ragusa gevormd heeft.

Op de tuinen en landhuizen langs den weg, volgt de voorstad Pille, waar men eenige logementen voor de reizigers vindt; vlak tegenover den weg verrijst de poort der vesting, die de gansche stad omvat. Ge ziet niets dan bedekte wegen, ophaalbruggen, diepe droge grachten, waarin, tusschen de rotsen, vijgeboomen groeien; esplanaden, waarop soldaten exerceeren; hooge gekanteelde muren, die de golvingen van den grond volgen, met zware torens en valpoorten, die aan de middeleeuwsche burchten denken doen. Boven den hoofdingang prijkt een wapenschild in bas-relief, voorstellende Sint-Biagio (Blasius), bisschop, met myter en kromstaf, en daarachter een burcht. Dit is het wapen der stad en het zegel der republiek van Ragusa; zij koos den heiligen bisschop tot haar patroon, omdat, bij zekere gelegenheid, toen de Venetianen zich door een krijgslist van de stad wilden meester maken, een priester voor den Senaat verklaarde, dat San-Biagio hem in den droom verschenen was en de plannen van den vijand had ontdekt (971). Hebt ge de smalle poort achter u, dan moet ge nog eene drie-dubbele omwalling met wachthuizen doorgaan, eer ge den Stradone bereikt.

