De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 4

Chapter 4 3,698 words Public domain Markdown

De Quarnero staat in een zeer slechten roep: de kustbewoners van de Adriatische-zee, ervaren en onverschrokken zeevaarders, zoo als men weet, noemen den naam dier golf niet dan met zekeren schrik; de oude historieschrijvers zien in dien naam zelven eene toespeling op de bij uitstek kwade faam van dit vaarwater: carnivoro, vleeschetend, verscheurend. Wat hiervan zij, een enkele blik op de kaart is voldoende, om deze noodlottige reputatie der golf alleszins begrijpelijk te maken. De Quarnero is, zooals ik zeide, bezaaid met eene menigte eilanden en klippen, die fragmenten schijnen van een door het water half verzwolgen, en door de bora uitgedroogde en verschroeide bergketen. In de talrijke engten en kanalen tusschen de kust en die eilanden, wordt de wind opgevangen, juist als in den hals van eene omgekeerde flesch. De zuid-oosten winden, die de golven van Venetië en Triëst kunnen teisteren, vinden daar althans een ruim veld voor zich en verliezen daardoor veel van hun kracht: maar in den Quarnero, waarin zij door het nauwe kanaal Della Morlacca doordringen, stuiten zij dadelijk tegen de bergwanden van den Karst en tegen de hooge oevers van Istrië; zij vallen dan met verdubbelde kracht op de eilanden terug en brengen de opgezweepte wateren in de geweldigste beroering. De stormen woeden hier met zoo hevige kracht, dat zelfs de ervarenste matrozen het dan niet zullen wagen, de kanalen over te steken, maar een toevlucht zoeken in de zoogenaamde valleien of vluchthavens, die door de eilanden gevormd worden, waar het water diep en de ankergrond veilig is.

De golf is bij uitnemendheid vischrijk: niet alleen de bewoners der eilanden, maar ook de visschers van Ghioggia, aan de italiaansche kust, komen hun deel van dezen overvloed halen. Deze laatsten verschijnen hier in November en blijven tot Paschen; zij verlaten hun eiland, waar de vischvangst minder voordeelig is, en brengen den winter in deze wateren door. Eens terwijl ik te Venetië vertoefde, was ik getuige van het vertrek der vloot van Chioggia: dit is een van de meest belangwekkende tooneelen, die men langs de noordelijke kusten der Adriatische-zee aanschouwen kan. Vijftig tot zestig groote schuiten, bragozzi, genoemd, ieder met tweehonderd-vijftig koppen bemand, verlaten het eiland en varen naar de overzijde der golf. De gevangen visch wordt echter niet op de plaats zelve verbruikt of verkocht; beurtelings gaan eenige vaartuigen uit de vloot naar Chioggia en Venetië terug, om den buit te verkoopen: het totaal der vangst, gedurende het geheele saizoen, bedraagt gemiddeld vierhonderd-duizend pond, vertegenwoordigende eene waarde van honderdvijftig-duizend francs.

De visschers van Fiume leven mede van de golf: te Prelucca en te Buccari oefenen zij de tonijnvangst uit; deze tonijnen worden vervolgens gezouten en naar het buitenland verzonden. Een eigenaardig product der golf zijn ook de scampi, eene soort van kreeften, die hier zeer geliefd zijn en bij feestelijke gelegenheden met rizzotto gegeten worden; deze soort komt, behalve hier, enkel in de noorweegsche fjords voor.

De belangrijkste stad aan de golf, met inbegrip van de steden op de eilanden, is Fiume. De kust noordwaarts van kaap Promontore is aanvankelijk naakt en dor; bij de landpunt van den Monte-Maggiore neemt zij een vriendelijker karakter aan; en zoodra ge het kanaal van Farasina zijt doorgevaren, maakt de geheele streek, van Moschenizza tot Fiume, door het eiland Cherso tegen den wind gedekt, den indruk van een grooten bloeienden tuin. Maar deze buitengewone vruchtbaarheid houdt geen stand: als ge verder langs de kust vaart naar Novi en Segna, komt de oude dorheid en woestheid weder, en ziet ge niets dan eene grauwe kust en naakte rotsen.

Van buiten zou men Fiume allicht voor eene groote stad aanzien: dit is echter eene illusie, die, bij meer nauwkeurige beschouwing, spoedig verdwijnt. Die witte stad, aan den oever eener fraaie golf, aan den voet van hooge bergen, verrast den reiziger door haar reeks van trotsche huizen, paleizen schier, die zich langs de breede kaai verheffen. Haar ruime en gemakkelijke haven, haar uitgestrekte werven en grootsche magazijnen, dit alles geeft den indruk van eene bloeiende, rusteloos werkzame stad, in volle ontwikkeling en rasschen vooruitgang. De openbare gebouwen en monumenten zijn edel en indrukwekkend van stijl; het Corso is breed en goed aangelegd; hier ziet ge een smaakvol aangelegd plein; elders ruischen overvloedig springende fonteinen: overal ruimte, licht, groote afmetingen. Ondanks de groote natuurlijke voordeelen der ligging--Fiume is de natuurlijke haven voor Hongarije, het Banaat en Kroatië, allen hetzij koren- hetzij boschrijke landen;--heeft de stad toch niet aan de verwachting der Hongaren beantwoord, ook niet nadat men haar door spoorwegen met Agram en Laibach verbonden heeft. De oostenrijksch-hongaarsche regeering heeft zich de zwaarste offers getroost om haar te verfraaien en haar eene goede haven te bezorgen. Desniettemin verkeert de handel, ook volgens officiëele opgaven, hier in kwijnenden toestand en neemt de in- en uitvoer af.

In de andere steden langs de kust, die wij bezocht hebben eer wij te Fiume kwamen, herkent men nog altijd onder het officiëele masker, door de tegenwoordige regeering voorgebonden, de oude venetiaansche kolonie, waar de republiek, na eene heerschappij van vier of vijf eeuwen, niet alleen onmiskenbare sporen en karakteristieke monumenten heeft achtergelaten, maar ook aan alles, aan menschen en dingen, dat onuitsprekelijk bevallige en bekoorlijke gegeven, dat in Italië wel in de lucht schijnt te zitten en een onvervreemdbaar erfdeel van dat gezegend land en zijne kinderen is. Hier daarentegen is, althans voor het uiterlijke, alles hongaarsch: hier vindt ge het Corso Deak, hot plein Adamich, de Kossuthstraat, enz. De brouwerijen zijn monumentale gebouwen; vlugge, handige buffetmeisjes met nette voorschoten, en muziekanten met zwarte rokken zouden u in den waan brengen dat ge u te Pesth bevindt. Even als te Weenen en in Hongarije, is ook hier met ieder hotel een restauratie verbonden; de regeling van de etensuren is dezelfde als daar ginds, en in de koffiehuizen ziet ge aan bijna ieder tafeltje kaartspelers, even als in de magyaarsche bierhuizen. De aanplakbiljetten en de opschriften op de uithangborden zijn in het hongaarsch gesteld; tegen de muren kunt ge somwijlen groote papieren geplakt vinden, waarin de kiezers, met hartstochtelijke opgewondenheid, worden aangespoord om toch vooral te zorgen, dat het bestuur der stad niet in duitsche of italiaansche handen gerake. Maar er zijn twee steden te Fiume: de oude stad, die zich eensklaps onthult als ge de poort van het Corso uitgaat; en deze moderne stad, waar de reizigers aan wal stappen, en wier straten, evenwijdig loopende met de kaai, op zee uitzien.

In de oude stad loopen de straten steil naar boven: smalle trappen voeren naar fantastische steegjes, die u aan Subiaco en aan de dorpen in do Campagna van Rome denken doen; daar vindt ge, onder lage gewelven, achter sombere, schemerachtige winkels, pittoreske osterie, waar, bij het drinken van nieuwen wijn, italiaansche liederen worden gezongen, terwijl men daar ginds beneden bier drinkt en slavisch of hongaarsch spreekt. De overigens weinig schilderachtige stad ontleent toch aan deze verscheidenheid een eigenaardig karakter.

Bij den eersten aanblik schijnt u alles koud, regelmatig, symetrisch; maar ga door, van de zee naar den berg, en weldra ziet ge, even als in eene italiaansche voorstad, aardige, lachende villas, schilderachtige borghi, waar, op breede terrassen dertig voet boven uw hoofd, liefhebbers bezig zijn met balslaan. Vervolg uw weg: de reusachtige berg verspert u den doorgang; hij verrijst daar voor u, somber, grauw, naakt, een dorre doode rotsmassa, door de bora geteisterd, maar uit wier zijde zich, in reusachtigen val, de Fiumera stort, die zich straks tot een haven verbreedt.

Deze Fiumera, die uit den schoot des bergs te voorschijn komt en zich ter linkerzijde van de stad in de golf ontlast, vormt, even voor hare uitmonding, een kanaal, door eene groote ruime kaai omzoomd, waar al de houtschepen ten anker liggen. Dit is het schoonste gedeelte van geheel Fiume. Langs de haven staan eeuwenoude boomen, wier groene kruinen boven de masten der schepen uitsteken. De breede, fraaie en zeer levendige kaai is bezet met schoone huizen, in monumentalen stijl; de paaltjes, die het voetpad van den rijweg afscheiden, prijken allen met levensgroote hoofden van Turken en Hongaren, in den steen uitgehouwen. Dit is geen louter toeval of een gril van den beeldhouwer. Let eens op de gewelven van alle paleizen en openbare gebouwen in de stad, hef uwe oogen op naar de bogen en kapiteelen dor zuilengangen: overal ziet ge een turkschen kop met den tulband gedekt of een gebaarden Slavoniër. Dit is niet alles: de boeren en boerinnen van de kust van den Quarnero, de dames van Fiume, dragen sedert eeuwen ringen, armbanden, halskettingen, waarop ge diezelfde symbolische koppen, op verschillende wijze aangebracht, zult terug vinden. Ongetwijfeld is dit een bij de Kroaten en Hongaren zeer geliefd teeken; wellicht eene herinnering aan den vreeselijken slag in 1232, op een mijl afstands van Fiume, te Grobnick, onder aanvoering van Bela IV, tegen de Turken geleverd.

Fiume heeft weinig of geen monumenten; de kerken hebben niets opmerkelijks. De dom is een stijf koud gebouw, met een klassieken voorgevel, die zijn versiering dankt aan de edelmoedige vrijgevigheid der familie Wallsee. De stad hoeft een koninklijk gymnasium, in 1627 gesticht, en eene akademie voor de marine. De schouwburg dagteekent van 1801; het is een zeer fraai gebouw, gesticht op kosten van den patriciër Ludwig von Adamich. Even als in alle steden van Istrië en Dalmatië, is ook te Fiume de bevolking in onderscheidene groepen gesplitst, die scherp van elkaar afgescheiden zijn. In plaats van eene algemeene plaats van vereeniging en samenkomst voor de lieden uit den beschaafden stand, vindt men er hier drie: het kroatische Leesmuseum, het italiaansche Casino, en de duitsche Pick-Nick-Club. De vreemdelingen worden steeds zeer gastvrij ontvangen in deze drie sociëteiten, waar fransche, engelsche, duitsche, italiaansche en slavische dagbladen en tijdschriften te vinden zijn.

Een van de grootste merkwaardigheden van Fiume is het kasteel van de Frangipani, bij de stad, op eene aanzienlijke hoogte, boven op den berg Terzato gelegen. Nabij dit kasteel staat een Franciskaner-klooster; een monumentale trap van vierhonderd treden, tegen de rots geleund, voert naar dit klooster, dat eene druk bezochte bedevaartsplaats is. De omtrek van dit klooster was voor mij een lievelingsplekje, waar ik meermalen nederzat om schetsen te maken. Daar zag ik des morgens, terwijl ik in mijne eenzaamheid zat te teekenen, de slavische boerinnen van het gebergte afdalen, om in de stad haar hooi te gaan verkoopen: en dit tooneel verdient wel eene vluchtige herinnering.

Tusschen de Fiumera, die uit de rots te voorschijn komt, en den Terzato, die zich daarboven verheft, heeft men langs den bergwand een weg aangelegd, die naar de dorpen in het gebergte voert, naar Orechovitza, Czaule, Podervenn en Grobnick, waar Bela IV de Tartaren versloeg. Deze steile, smalle weg, de zoogenaamde Louisenstrasse, slingert zich als een mat zilveren lint tegen en tusschen die grauwe, naakte, doode rotsen. Langs dien weg nu komen de vrouwen, een voor een, achter elkander; langzaam en met moeite treden zij voort, gebogen onder zoo zware vracht, dat zij wandelende hooischelven gelijken; ge ziet van haar lichaam niets dan de naakte bruine beenen, al het overige verdwijnt onder het hooi. Reeds voor den dageraad hebben zij zich opgemaakt, om het met groote moeite tusschen de rotsspleten verzamelde en tot schoven saamgebonden hooi naar de stad te gaan brengen. Zoo, schier midden door gebogen, hebben zij vier uren achtereen geloopen, zwoegende, onder haar vracht, nu en dan een oogenblik leunende tegen de pilaren der trappen van den Terzato; beneden gekomen, knielen zij neder voor het beeld der Madonna aan den voet van den trap, en vervolgen dan haar weg tot aan het Urmeny-plein, waar zij blijven tot zij haar hooi verkocht hebben, dat zij niet meer kunnen medenemen.

Ook wij hebben den reusachtigen trap beklommen, en zien nu den ouden burcht op korten afstand voor ons. Dit kasteel der Frangipani is tegenwoordig het eigendom van graaf Nugent en de begraafplaats van zijne familie. Uit de verte gezien, maakt het een bij uitnemendheid schilderachtig effect; maar van nabij valt de trotsche ruïne eenigszins tegen. De oude burcht dagteekent uit de middeleeuwen, waarschijnlijk uit de twaalfde of dertiende eeuw; een vierkante toren, in fraaien renaissance stijl, is omstreeks het midden der zestiende eeuw gebouwd, en bevatte vermoedelijk de woonvertrekken; maar graaf Nugent is op den zonderlingen inval gekomen om te midden dezer belangwekkende overblijfselen van den ouden tijd, een splinternieuwen, schitterend witten, pseudo-griekschen tempel te bouwen, die zelf verbaasd schijnt over zijne plaatsing en zich hier blijkbaar niet te huis gevoelt. Uit de verte valt deze wanstaltigheid niet in het oog, lijdt althans de totaal-indruk er geene schade door, maar van nabij bederft deze onbegrijpelijke tempel alles.

De graven van Frangipani, aan wie vroeger dit kasteel behoorde, hebben in de geschiedenis dezer landstreek eene groote rol gespeeld; langs de geheele kust leeft de herinnering aan dit geslacht nog in volksoverleveringen en legenden voort. Zij waren eigenlijk geen heeren van Fiume, maar bezitters van het eiland Veglia, en hebben te Fiume slechts dertig jaar geregeerd. Toen de patriarchen van Aquilea nog de souvereiniteit bezaten over de steden langs de kust, schonk een bisschop van Pola de stad Fiume in leen aan de familie Duino, die op haar beurt de stad weder aan de Frangipani verpandde: zij bleven in het bezit van Fiume van omstreeks 1338 tot 1365. Hoewel Veglia dus eigenlijk de hoofdzetel van het machtige geslacht was, bevat toch de kerk van het naburige Franciskaner-klooster vele graven van leden dezer familie. De grafsteenen, die achteloos in een hoek der kerk liggen, zijn evenwel zeer geschonden.

II.

De omstreken van Fiume zijn wel der bezichtiging waard; men heeft daarvoor twee dagen noodig. Het strand langs de golf vertoont tweeërlei, zeer verschillend karakter: de kust van Istrië, ter rechterhand, door den Moute-Maggiore gedekt, is bloeiend en vruchtbaar; de kust van Dalmatië daarentegen, ter linkerhand, is dor en doodsch.

Tweemaal heb ik deze omstreken bezocht: de eerste maal met onzen consul, baron de Reyne, die sedert vijftien jaar te Fiume woont en de aangenaamste cicerone is, dien men zich denken kan; de tweede keer ben ik alleen op weg getogen, den wandelstok ter hand, en heb ik te voet in vier uren denzelfden weg afgewandeld, dien ik eenige maanden vroeger, op een vlug hongaarsch paard, in anderhalf uur had afgelegd.

Wij volgen den oever der zee, gaan voorbij het station van den spoorweg naar Triëst, en komen dan op een weg, die hoog boven het strand, langs den berg loopt. Eerst ontmoeten wij eenige fabrieken en werkplaatsen; dan volgt van tijd tot tijd een of andere eenzame, romantische tuin, een donkere boomgaard, met een oud hek afgesloten, waar, te midden van het hooge gras, standbeelden van satyrs en boschgoden verminkt ter aarde liggen. Drie uren lang loopt de weg recht door; het is hier zeer eenzaam en stil; wij zien niemand dan enkele herdersknapen, met hunne kudden als tegen de berghellingen hangende, of rustig neergezeten op de rotsen, aan wier voet de golven kabbelen.

Daar is de baai van Prelucca, van alle kanten goed gedekt en beschermd, waar men een stuk rots heeft laten springen om plaats te maken voor eenige visschershutten. Dit is een der stations voor de tonijnvisscherij, die een rijke bron van inkomst oplevert voor de gansche kust. De inrichting is zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat uit twee reusachtige ladders, twintig el hoog, schuin in den grond geplant, en van boven van een zitbank voorzien, waarop de wachter plaats neemt. Beneden tegen den rotswand staat een houten loods, van drie kanten open, en van een op balken rustende planken vloer voorzien. Die loods dient tot verblijf voor het personeel van het station, bestaande uit negen visschers en een knaap, allen van de eilanden Cherso en Veglia geboortig. Met behulp van een groot net sluiten zij de baai, over een gedeelte der breedte, af; de wachter op den uitkijk houdt het oog op zee gevestigd, en geeft een teeken, zoodra de tonijn binnen de afgesloten ruimte gekomen is; dan wordt een ander net uitgezet, en de visch, binnen die netten ingesloten, wordt met behulp van een schuitje naar den oever gedreven. Dikwerf komen gansche zwermen tonijnen te gelijk in de netten; de visschers, die, behalve hun vast loon, nog eene zekere premie per duizend visschen ontvangen, maken zeer goede zaken, want ook de kleine visschen, die tusschen de mazen blijven steken, zijn voor hen. Zij gaan die verkoopen te Volosca, een zeer fraai dorp, even als Mentone, aan de uiterste punt van een landtong gelegen, en met zijn witte huizen schilderachtig uitkomende tegen de zwarte rots. Boven Volosca herken ik Abbazia, het oostenrijksche Nizza, met de prachtige villa, vroeger het eigendom van graaf Scarpa, en Lovrana, de stad der laurieren. Ginds ligt Castua, de oude met muren omringde stad; en aan den horizon teekenen zich de omtrekken van den vierduizend voet hoogen Monte-Maggiore, van welks top men geheel Istrië, de golf van Quarnero en de dalmatische kust overziet, en zelfs, naar men zegt, bij helder weer, den Campanile van Venetië kan ontdekken.

Als wij het strand in de andere richting willen volgen, naar Dalmatië, moeten wij ons een somberen, tusschen twee muren ingesloten weg getroosten; het is daarom beter, een bootje in de haven te huren en een zeetochtje te ondernemen. Met kalm, mooi weer is dit zeer aangenaam. Wij komen eerst langs Martinschizza, een prachtig lazaret voor de quarantaine, een van de besten ter wereld en ook van de minst bezochten, want zeer zelden zet hier een reiziger den voet. Dan volgen Dragina, Val-Uri, Porto-Re, Buccari, eene oude romeinsche stad, met eene fraaie haven, in eene zoo goed gesloten baai, dat zij schier op een voltooid amphitheater gelijkt. Al de bewoners zijn zeevaarders; de oostenrijksche marine ontvangt van hier hare beste matrozen.

In vier uren vaart de stoomboot van Fiume naar Segna, het oude roofnest der Uskoken; maar de boot vaart maar eens in de week, des donderdagsmorgens ten zeven uur; de paketbooten van Lloyd leggen in dit smalle kanaal van Maltempo, het beruchtste en gevaarlijkste der geheele golf, slechts acht mijlen in het uur af. Eens te Segna, is men dan ook als opgesloten, en moet daar blijven tot den volgenden donderdag, om naar Fiume terug te keeren, of zelfs tot den daarop volgenden donderdag, als men de reis naar Dalmatië wil vervolgen.

Segna, de oude stad der Uskoken, heeft nog heden, ondanks alle veranderingen door den tijd en de menschen aangebracht, geheel het voorkomen van een ongenaakbaren schuilhoek, een uitgezochte plek voor boeven en gauwdieven om zich te verbergen. De stad ligt aan de kust, tusschen de eilanden Veglia en Arbe; aan de landzijde wordt zij gedekt door hooge bergen; aan de zeezijde was zij vroeger niet dan met kleine vaartuigen te genaken. Tegenwoordig zijn de bosschen op den berg omgehakt, en heeft men een haven gemaakt; maar nog altijd bestaat de Bocca di Segna, een uiterst gevaarlijk kanaal tusschen de klip Perviechio en de uitstekende punt van het eiland Veglia.

Alles is hier nu rustig en vreedzaam; en de arme visschers, die mij gastvrij ontvingen en aan wie ik de geschiedenis verhaalde der zeeschuimers, welke hier vóór hen gewoond hebben, zetten bij dit verhaal groote oogen op, als gold het een sprookje, uitgevonden om hun de lange avonden te korten.

De naam Uskoke (skoko, vluchteling), die een schandnaam is geworden, werd oorspronkelijk gegeven aan turksche onderdanen, die een wijkplaats hadden gezocht op de smalle strook tusschen de zee en het gebergte langs de kust. Ten getale van hoogstens drie- of vierhonderd man, werden zij eerst gastvrij ontvangen in Clissa, eene vesting op een zeer steilen heuvel boven Salona en Spalato in Dalmatië. Heer van Clissa was destijds een zekere Pietro Crosichio, een leenman van de hongaarsche kroon. Hij meende die gasten te kunnen gebruiken in den krijg tegen zijn vijanden; dit was zijn ongeluk. De Uskoken plunderden en roofden op turksch grondgebied; Clissa werd belegerd, Crosichio gedood en zijn hoofd in triomf op een lans rondgedragen.

Na den val van Clissa, lag Dalmatië voor den vijand open. Ferdinand van Oostenrijk wilde nu op zijn beurt die uitgewekenen tot zijn bondgenooten maken; hij bood hun eene wijkplaats aan in de stad Segna, destijds een leengoed van de Frangipani. Van de landzijde waren zij hier veilig, zoowel voor geschut als voor ruiterij. De vele kleine eilandjes en klippen maakten ook den toegang ter zee haast onmogelijk; zij behoefden dus voor hunne vijanden niet meer te vreezen. Maar er viel hier noch aan akkerbouw, noch aan visscherij te denken; bovendien waren de Uskoken van jongs af in den wapenhandel geoefend en aan den krijg gewoon. Zij beklommen dus de rotsen, en ondernamen van uit de bosschen, op den top des bergs, hunne aanvallen en plundertochten tegen de Turken. Op het strand beroofden zij de schipbreukelingen; weldra begonnen zij zelven schuiten te bouwen, en zich bewust van de veiligheid hunner positie, werden zij piraten.

Aanvankelijk tastten de Uskoken alleen de Turken aan, en ontzagen de Christenen: de Porte protesteerde. Aangezien Venetië aanspraak maakte op de heerschappij der Adriatische-zee, moest zij ook zorgen voor de veiligheid der golf; bovendien bestonden er tusschen Turkije en de republiek traktaten, waarbij de veiligheid van het verkeer ter zee gewaarborgd was. Venetië beriep zich op Keizer Ferdinand, die de uitgewekenen onder zijne bescherming had genomen; deze vaardigde wel de noodige bevelen uit, maar men stoorde zich daar niet aan: en inderdaad vermocht schier niemand iets tegen deze piraten, die door de natuur zoowel tegen hunne vijanden als tegen hun beschermer beveiligd werden. De republiek rustte galeien uit; elke Uskoke, die gevangen werd genomen, werd aan de raas opgehangen, om zoodoende aan de Verheven-Porte te toonen dat men acht sloeg op haar vertoogen; zelfs werden enkele piraten naar Venetië gevoerd, en op het Sint-Marcusplein in ijzeren kooien ten toon gesteld.

Hun aantal, bereids door eenige vluchtelingen vermeerderd, bedroeg toch ter nauwernood vijfhonderd; maar allengs voegde het uitschot van allerlei volken zich bij hen: boosdoeners uit het duitsche Rijk, turksche renegaten, italiaansche valsche munters, en anderen, die in de staatkundige partijschappen van Venetië waren betrokken geweest, sloten zich aan bij deze handvol bandieten. Segna werd een waar roofnest, en er kwam een oogenblik, dat de blikken van geheel Europa op dit kleine vlek in de golf van Quarnero waren gevestigd. Zelfs de Koning van Frankrijk beklaagde zich bij de regeering van Venetië over de beleedigingen zijne vlag aangedaan.