# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 39

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn, het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poëzie verloren.

Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve, voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud is toevertrouwd, gaan dagelijks voort met haar te bederven en van haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral--en dit is nog erger--dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen zijn. De portieken van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.

Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan den voet der Propylaeën of van het Parthenon, gevoelt ge de oude helleensche wereld, in al haar ongeëvenaarde schoonheid, in al haar soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.

Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon; tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid, gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote, rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geërgerd hebben, zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De ruïnen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin, van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruïnen op den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk het genot bederven. [19]

Als ge uw blikken van de ruïnen afwendt om het panorama rondom u te overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.

De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge met volle recht op de landschappen van Ionië en de oevers van den Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste gezicht, die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm, de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land: Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden, om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk- en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar element wordt gemist.

De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen, in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen, in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn, vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam begunstigde volk.

Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door den loodrechten rotskegel van Philé, dien de oude dichters bij een wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het Parthenon liet houwen.

Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar het westen wendt, dan breidt zich een panorama voor u uit, dat in schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe, het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra; links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias; dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den Piraëus, en de baai van Salamis.

Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken hebben moest.

Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder, dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?

Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei, was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte, zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd, werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald; Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.

In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografiën, de portiek van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En toch zijn die alleszins de aandacht waard.

In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over het oude polytheïsme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders; onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van minder omvang dan onze gewone dorpskerken, maar zij vertoonen een eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.

Men kan deze kerken in drie kathegoriën splitsen, die tevens drie tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen, hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte dak met een koepel gedekt was.

Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd; de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en bogen versierd met mozaïeken op gouden grond. Het niet zeer lange schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.

Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de mozaïeken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is dit een tijdperk van toenemend verval.

De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het tegenovergestelde van de heidensche tempels.

Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude dagteekening.

Vóór den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk van eene of andere ruïne afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.

Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt, op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche architectuur is ingevoerd.

De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is, althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk; het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken; de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk, met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven het onaangenaam geschreeuw der grieksche.

IV.

Athene is dikwijls genoeg beschreven geworden, en de Atheners evenzeer; het ligt volstrekt niet in mijn plan, hier in eene wederlegging te treden, hetzij van de onrechtvaardige beschuldigingen, hetzij van de overdreven lofspraken, die beiden evenzeer hebben bijgedragen om de publieke opinie ten aanzien van het grieksche volk op een dwaalspoor te leiden. Ik zal mij eenvoudig bepalen tot het wedergeven van den indruk, dien de hoofdstad van Griekenland in 1874 op mij gemaakt heeft.

Zij, die bij hunne aankomst in Griekenland dadelijk verwachten overal die bijzondere lokale kleur te zullen aantreffen, waarmede in de reisboeken zoo zeer geschermd wordt, moeten zich wel zeer teleurgesteld gevoelen.

Te Athene hebben niet alleen de huizen, de straten, de winkels, over het algemeen geheel hetzelfde voorkomen als in de steden van westelijk Europa; maar ook de bewoners hebben de bekende witte fustanella en de roode fez met blauwe kwast afgelegd, en gaan naar europeesche mode gekleed, in een kort jasje en met een ronden hoed. Dit is goedkooper en gemakkelijker, maar ook veel minder schilderachtig en bevallig. De pallikaar, met zijn korten wijden rok en wiegelenden gang, is eene zeldzame verschijning te Athene, en om hem te zien moet ge naar het binnenland gaan. Slechts als de Karner vergaderd is, kunt ge nog enkele oude afgevaardigden uit de provincie ontmoeten, met lange zilverwitte knevelbaarden en gedost in het aloude nationale kostuum.

De zondag is een dag van algemeene rust en ontspanning. De werklieden, de winkeliers, de kleinere ambtenaren, in zwarte jassen gekleed en vergezeld van hunne vrouwen, naar de voorlaatste mode uitgedost, wandelen langzaam en zwijgend door de straten en over de pleinen. Langs den breeden, met armzalige boompjes omzoomden weg, die de stad met het dorpje Patissia verbindt, bewegen zich, in dichte stofwolken, een aantal huurrijtuigen; op de voetpaden wemelt het van wandelaars in hun zondagspak. Van tijd tot tijd rijden er eenige open landauers voorbij, met twee fraaie paarden bespannen, die door een koetsier in liverei worden bestuurd, en waarin dames en heeren, in de keurigste toiletten uit Parijs, zich op hun gemak laten rondvoeren. Daartusschen ziet ge enkele phaetons en lichte rijtuigjes, door jongelieden bestuurd, en eenige officieren te paard in uniform.

Voor zoo ver de dichte stofwolken, die u haast doen stikken--waarom wordt hier de weg nooit besproeid?--het uitzicht vergunnen, overziet ge, ter linkerhand, het olijvenbosch, de golf van Egina en den Piraëus, met de hooge masten der daar voor anker liggende oorlogschepen. Van de wandeling terugkeerende, wordt eenige oogenblikken halt gehouden op het Eendrachtsplein, waar de militaire muziek stukken uit onze opera's speelt.

Bij die wandeling is het er natuurlijk in de eerste plaats om te doen, gezien te worden. Ieder, rijk of arm, wil op eene of andere manier de oogen tot zich trekken; en vooral daaraan is het toe te schrijven, dat men aan dezen stoffigen en zonnigen weg de voorkeur geeft boven den koninklijken tuin, de liefelijkste wandelplaats die men zich denken kan. Maar in die kronkelende lanen en paden, half verloren in het dichte bosschage, zou men niet zoo gemakkelijk opgemerkt worden.

