De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 38

Chapter 38 3,698 words Public domain Markdown

Nauwelijks hebt ge uw voeten gezet op de witmarmeren trappen van de aanlegplaats, of aanstonds ziet ge u omgeven door een zwerm ciceroni, die u het hoofd doen duizelen door hun kosmopolitisch gebabbel en den ijver, waarmede zij u hunne diensten opdringen. De bewoners van den Levant, en met name de Grieken, hebben van oudsher eene sterke neiging gevoeld voor die soort van beroepen en bedrijven, waarbij veel praten te pas komt. Op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder vindt ge de ciceroni en commissionnairs, indringend, onbeschaamd en onuitputtelijk in woordenpraal; hooger op, de agenten en tolken der handels- en bankiershuizen, geslepen, handig en gansch niet afkeerig van intrige en sluw overleg; en op de bovenste sport, de drogmans der gezantschappen en consulaten en van de Verhevene Porte, vol ijver, listig, oneerlijk en meester in de kunst van misleiding en omkooping, daarbij zeer machtig door den grooten invloed, dien zij zich doorgaans weten te verwerven. Overal hervindt ge dezelfde trekken: groote gevatheid en vlugheid des geestes, welbespraaktheid en gave der overreding, en dit alles bovenal dienstbaar gemaakt aan de bevordering van het eigen belang.

Dien eigen avond word er in de societeit boven de Beurs een bal bij inteekening gegeven, waarop ik door een mijner bekenden werd geïntroduceerd. De zalen waren schitterend verlicht on prachtig versierd. Er werd ijverig gedanst, ook door de officieren van een in de haven liggend fransch oorlogschip. Onder de dames, helaas voor het meerendeel in parijsche kleederdracht, waren er verscheidene, die de aandacht trokken door hare schoonheid. De heeren waren mede in europeesch bal-kostuum; hadden niet de rijke welluidende klanken der muziekale grieksche taal mij van het tegendeel overtuigd, dan had ik mij gemakkelijk kunnen verbeelden, in eene of andere fransche provinciestad te zijn. Het orchest was voortreffelijk, en de ververschingen lieten niets te wenschen over.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, ging ik eene wandeling maken langs de haven; daarna vertrok ik naar Athene.

De weg, die den Piraëus met Athene verbindt, is maar acht mijlen (kilometer) lang, en voor het grootste gedeelte belommerd. Tusschen de zilverachtige stammen der slanke virginia-populieren, die den weg omzoomen, zien wij de toppen van den Parnessos, door de rijzende zon met een zachten purpergloed overgoten, terwijl de vlakte nog in blauwachtige schaduw is gehuld. Een groot ongerief van dezen weg is het fijne, witte kalkachtige stof, dat in dichte wolken omhoog stuift, u half verstikt en het voorkomen geeft van een molenaarsknecht. Een groot aantal wagens en karren, met kisten, tonnen, balen, bouwmaterialen enz. beladen, rijden ons voorbij. Aan onze rechterhand zien wij tusschen de olijven en wijngaarden een spoorweg, waarlangs zich een trein met zeer middelmatige snelheid voortbeweegt.

Overeenkomstig eene vaste, overoude gewoonte, houden wij halverwege stil in een klein koffiehuis, waar wij een glas raki gebruiken. Nu vertoont zich voor onze oogen het Parthenon, hoog boven de rotsen van den Pnyx, en duidelijk uitkomende tegen den helderblauwen hemel. Weldra worden dan ook de witte huizen van Athene zichtbaar, tusschen de Akropolis en den Lykabettos. Een breede singel, met jonge boompjes, amsterdamsche boompjes, beplant, die vergaan van het stof, voert ons naar het hotel van Groot-Brittannië. Uit onze vensters, die uitzien op het plein der Constitutie en een groot square, met oranjeboomen en bloeiende heesters beplant, kunnen wij onze blikken laten rusten op de plompe smakelooze massa van het koninklijk paleis met het aangrenzende park; vlak tegenover ons verrijst de indrukwekkende rotsburcht van de Akropolis, met haar onsterfelijke ruïnen.

Wij zijn in Athene.

III.

's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.

Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer, als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer, dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel, klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat, wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens, in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt; van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt, u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.

Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog, in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels nog bevend hangen aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;--dan, ja, ga uit, zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en te waardeeren.

In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie, nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards, met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige tinten der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.

Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.

Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden lager dan in het overige gedeelte van het huis.

Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen, welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de regeering werden tegengewerkt.

De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen, waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld, maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten, die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten, en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na eindelooze moeite en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste policie-agenten.

Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door partikulieren collegiën gasthuizen, bewaarscholen, gymnasiën, in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van eene of andere inrichting van dien aard, zonder te bedenken dat reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig, ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel, er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder, dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.

Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektuëel gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij het jongere geslacht te miskennen.

De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen, hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang, maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.

De invloed der Universiteit op de intellektuëele ontwikkeling en op geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak, door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het, juist door den intellektuëelen invloed zijner hoogere beschaving, eene macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden, maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan de onbezonnen militaire demonstratiën, die nu en dan op touw worden gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.

Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden: "Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen doen konden."

De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de regeering van Griekenland zelf.

Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren, de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen; en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.

Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen: zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste provinciën van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij door dit brandpunt van intellektuëele ontwikkeling aangetrokken als de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad, kunt gij hen ontmoeten, slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd, ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.

Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook, door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel, zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten, wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren, die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.

Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.

In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning en tegemoetkoming van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen plaatsen: in één woord, een soort van groote normaalschool kunnen inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen en haar studiën voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der Universiteit. Dit is het Arsakion.

Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele stad. Het Bizarion (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris) is een seminarie voor theologische studiën.

De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.

Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht, om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school, door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten; om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.

In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd voor de nationale tentoonstellingen (Olympiën), die alle vier jaar gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion, naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?

Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.

Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel opvolgende ministeriën zich bekommeren over zaken, die met de politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn, indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die tot de schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo, is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen, nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen van een schitterenden bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in één waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.