# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 37

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Daar hun eiland volstrekt niets opleverde waarvan zij leven konden, waren de Hydrioten wel gedwongen op zee naar middelen van bestaan om te zien. Bekwame en stoutmoedige zeevaarders, werden zij in korten tijd de voornaamste agenten van den geheelen handel in den Levant. Gedurende de oorlogen der revolutie en van het eerste fransche keizerrijk, doorkruisten zij, onder de bescherming der neutrale turksche vlag, de Middellandsche-zee in alle richtingen, in hunne handelsoperatiën gesteund door de rijke kooplieden van het eiland Chio. In de havens van westelijk Europa verkochten zij hunne ladingen tegen hooge prijzen, en kochten voor een spotprijs de artikelen, waarmede men dikwerf geen weg wist, weder in; zij verbraken de blokkade, tartten de oorlogschepen, en wisten zich ook in het dreigendste gevaar te redden met eene onverschrokkenheid, een behendigheid en eene bekwaamheid in de zeemanskunst, die de bewondering van alle deskundigen opwekten.

Het is niet mogelijk te berekenen, wat in die jaren door het Westen aan Griekenland werd betaald. Te Hydra werden kolossale fortuinen gegrondvest; koffers met goud gevuld werden in de kelders dezer eilanders opgestapeld. De belasting, aan den Sultan verschuldigd, kweten zij door jaarlijks een zeker aantal matrozen te leveren voor de keizerlijke vloot. Zij regeerden verder zich zelven, en geen muzelmansch ambtenaar oefende op het eiland eenig gezag uit. Hydra was metterdaad eene kleine, onafhankelijke republiek, bestuurd door haar eigen primaten, die bijna altijd uit dezelfde familiën gekozen werden. Een raad der oudsten besliste zonder hooger beroep de weinige rechtsgedingen, die nu en dan mochten voorkomen.

Toch had deze weergalooze voorspoed en de noodwendig daarmede gepaard gaande weelde de liefde voor het vaderland en de behoefte aan onafhankelijkheid in de harten der Hydrioten niet uitgedoofd of verzwakt. Het hun zoo overvloedig toebedeelde goud had het gemoed dezer kloeke zeevaarders niet verweekelijkt; en toen, in 1821, het teeken van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog gegeven werd, waren zij de eersten, die met blakende geestdrift voor de heilige zaak der nationale vrijheid partij kozen. Hun fortuin, hun leven, alles brachten zij ten offer om den kamp te kunnen volhouden. De familie Kondouriotis geeft aan Griekenland anderhalf millioen; anderen geven een millioen, vijfhonderd-, vierhonderdduizend franken; de vrouwen staan haar juweelen en sieraden af; de matrozen zelfs doen afstand van hun aandeel in de winst. Al die koopvaardijschepen, die de ottomannische vlag voerden, worden nu in even zooveel onverschrokken kaapvaarders herschapen, die de vloot van den Sultan, tot zelfs onder het geschut der aziatische vestingen, gaan bestoken. Men rust branders uit, die de turksche matrozen met schrik en verbijstering slaan. Tombazis, Tzamados, Miaoulis vooral, alle drie Hydrioten, wonnen zich een onsterfelijken naam door hunne heldendaden, in dezen heiligen krijg, dien geheel Europa met de grootste belangstelling gadesloeg.

Maar de Hydrioten ruïneerden zich door de met zooveel ijver gebrachte offers; en de grieksche regeering, die bij herhaling heeft verklaard dat zij tegenover hen een heiligen plicht had te vervullen, heeft tot dusver nog niets gedaan om hen schadeloos te stellen voor de ontzaggelijke verliezen, die zij geleden hebben. Hun handel, reeds zeer bedreigd door de stichting van Syra, kreeg vooral een doodelijken slag door de ontwikkeling der stoomvaart. Het eiland is thans schier ontvolkt; in plaats van veertigduizend, telt het tegenwoordig nauwelijks zevenduizend inwoners, en dit getal vermindert nog voortdurend. Sommigen hebben zich te Syra gevestigd; anderen in den Piraëus, en hebben hunne oude woningen verlaten, die langzamerhand in puin vallen. Als men tegen de smalle straten der stad opklautert, ziet men overal hooge huizen, waarvan de gesloten vensters, de geschonden muren, de ingestorte terrassen, de groote eenzame voorhuizen, aan Hydra het voorkomen geven van eene verlaten, gezonken stad en den vreemdeling met weemoed vervullen.

Toch, ondanks dit diep verval, is het vaderland van Miaoulis nog wel de belangstelling van den vreemdeling waard, al ware het alleen omdat het grieksche volksleven zich hier op eene zoo hoogst eigenaardige wijze ontwikkeld heeft, en een karakter vertoont, dat op het punt staat te verdwijnen en nergens elders wordt wedergevonden.

Men heeft dit eiland, dat achttien mijlen lang en slechts vier mijlen breed is, meermalen vergeleken met de kiel van een omgekeerd schip; maar men had de vergelijking nog verder kunnen uitstrekken, want zoodra ge de kleine haven zijt binnen gevaren, treft u aanstonds het eigenaardig maritiem karakter van alles wat u omgeeft. Langs de kaaien hangen, aan ijzeren haken, sloepen en booten, even als aan boord van een schip; in de rots zijn windassen, hefboomen en andere werktuigen bevestigd, even als op het dek van een fregat. In ruime pakhuizen, van ruwe grijze marmerblokken opgetrokken en van smalle ijzeren deuren voorzien, liggen of lagen vroeger balen en pakken gerangschikt, als in het ruim van een schip.

Waarheen ge ook uwe oogen wendt, overal ziet ge zeelieden, kenbaar aan hunne buizen, aan hun wijde broeken, aan hun eigenaardigen slingerenden gang, vooral ook aan hun door de zon gebruind gelaat, aan hun rustig, vastberaden voorkomen. Nergens bespeurt ge een rijtuig, zelfs geen handwagen; ook zijn er geen andere dieren, dan eenige honden. De straten in de bovenstad zijn als uitgestorven; slechts enkele malen wordt er eene lage deur geopend, en hoort ge het geruisen van vrouwen-voetstappen op de steenen. Want ge vindt hier bijna niets dan vrouwen en kinderen, daar de mannen schier zonder uitzondering op zee zijn.

Laat ons een dier oude huizen binnengaan, in de rijke dagen van Hydra gebouwd, en waarvan de fondamenten, in de rots uitgehouwen, meer gekost hebben dan die der prachtigste paleizen in onze hoofdsteden. De ruime zalen en vertrekken zijn met marmer geplaveid en met fraaie smyrnasche tapijten belegd; de vensters zien op zee uit. De muren zijn witgepleisterd, en laten uit het oogpunt van reinheid niets te wenschen over. Wij zien geen andere bedienden dan jonge meisjes, knapen, die nog niet berekend zijn voor den zwaren arbeid huns vaders, of oude mannen, voor wie het beroep van zeevaarder te zwaar is geworden.

In een afgelegen vertrek vinden wij de vrouwelijke bewoners, de moeder, de echtgenoote, de dochters van den heer des huizes, bijeen en aan den arbeid; de oudsten herstellen het linnengoed, de jongeren borduren die fijne, kunstige, smaakvolle weefsels van zijde met goud doormengd, die, jammer genoeg! meer en verdrongen worden door de gedrukte stoffen van Manchester. Zij spreken weinig of niet, en schijnen in gedachten verzonken. Haar eenzaam, afgezonderd leven heeft aan haar fraai besneden, bevallig gelaat eene uitdrukking van droefgeestigheid en stille berusting gegeven. Op het hoofd dragen zij een lichtgelen zijden doek, met goud geborduurd, die onder de kin wordt saamgevouwen en het geheele gelaat omlijst, zoodat slechts een smalle hairvlecht op het voorhoofd zichtbaar is. Een nauwsluitend buisje van rood fluweel, van voren open, en met nauwe, met goud borduursel versierde mouwen, wordt onder de borst toegegespt over een fijn batisten hemd. Deze vrouwen gaan nimmer uit, tenzij om nu en dan een bezoek te brengen bij hare buren. Waar zouden zij ook heen gaan in dit eiland, waar geene wandelingen zijn, en waar de wegen en straten meer dan op iets anders op ladders gelijken?

Buiten de stad is er letterlijk niets te zien. Van alle zijden breken de golven op loodrechte, ongenaakbare rotswanden, en op de toppen dier rotsen, waarover onophoudelijk de winden heenstrijken, vinden enkele kudden geiten een schraal voedsel. Nergens is eene woning te zien, nergens eenig spoor van bebouwing; volgens de officiëele statistiek, vindt men op het gansche eiland, dat eene oppervlakte beslaat van omstreeks negentig vierkante mijlen, niet meer dan tien grondeigenaars en zeventig herders tegen duizend zeelieden.

Voor wij weder naar boord terugkeerden, wilden wij althans de voornaamste kerk van Hydra zien, die in Griekenland haars gelijke niet heeft. Deze kerk, de kathedraal, werd voor omstreeks anderhalve eeuw gebouwd. Zij is geheel uit wit marmer opgetrokken, en is rijk versierd met beeldhouwwerk en met fraaie byzantijnsche schilderijen op gouden grond. Aan het gewelf hangt een reusachtige kroon van massief zilver, in venetiaanschen smaak bewerkt en met prachtig beeldwerk versierd. Daarnaast hangt een fraaie kroon van verguld brons, in den stijl van Lodewijk XIV en prijkende met de koninklijke leliën van Frankrijk. Naar men zegt, werd deze kroon, tijdens de omwenteling, uit een der koninklijke kasteelen gestolen en te Marseille door een koopvaardijkapitein van Hydra gekocht, die bij zijne terugkomst dit kunstwerk, als een ex-voto aan de Panagia (de Heilige Maagd, letterlijk de Al-heilige) wijdde. Nevens de kerk, en daarvan afgescheiden, staat een campanile of klokkentoren, geheel opengewerkt en gebeeldhouwd, als ware het een reusachtig stuk speelgoed uit ivoor gesneden. De koepel van dezen wondervollen toren bestaat uit tien open bogen van wit marmer, waartusschen men den blauwen hemel ziet; de koepel gelijkt sprekend op eene kroon.

Ik mag het eiland niet verlaten, zonder er aan te herinneren dat Hydra het vaderland is van een staatsman, die in de diplomatieke wereld van Europa een welbekenden naam draagt: Demetrius Bulgaris, thans ruim vijf-en-zeventig jaar oud, en die sedert meer dan vijftig jaar een zeer werkzaam aandeel heeft genomen aan de politieke geschiedenis van zijn land. Zijne tegenstanders beschuldigen hem van hartstochtelijke partijschap en van oneerlijke praktijken en intriges, waaraan hij meermalen het belang des lands zou hebben ten offer gebracht. Ik wil zijne politieke loopbaan niet beoordeelen; zeker is het, dat hij getoond heeft een man van zeldzame geestesgaven te zijn.

Hij is meer dan tienmaal eerste minister geweest; bij de omwenteling van October 1862, die Koning Otto van den troon stootte, plaatste hij zich aan het hoofd van het voorloopig bewind; en ondanks zijn hoogen leeftijd, schijnt zijn ijver en zijn eerzucht nog onverflauwd. Hij heeft nimmer de nationale kleederdracht willen afleggen; en te midden der andere ministers en hooge staats-ambtenaren, allen in de vulgaire moderne liverei uitgedost, maakt deze grijsaard in zijn lang golvend kleed, met bont omzoomd--het traditioneele kostuum der primaten van Hydra--eene inderdaad eerbiedwekkende figuur.

II.

Hydra verlatende, wendden wij ons westwaarts, om de golf van Egina in te stevenen. Deze golf, die tusschen kaap Skyli en kaap Kolonna of Sunium eene breedte heeft van acht-en-veertig mijlen, is verreweg de grootste der vele baaien en inhammen langs de oostkust van Griekenland; zij is als het ware de voortzetting van de golf van Lepanto, waarvan zij slechts door eene smalle en niet hooge landtong gescheiden is. Juist in het midden der golf ligt het eiland Egina, en de prachtige waterkom is verder aan alle zijden omlijst door de beroemdste streken van het oude Griekenland. Links ligt Argos, rechts Attika; achter de golf verrijst Korinthe, voorts Megara, Eleusis, Salamis, overschaduwd door de hooge toppen van den Kitheron. Welke herinneringen roepen deze enkele namen niet voor den geest!

Wij moesten aan de kust van Argos ophouden, te Poros, waar het rijks marine-arsenaal is gevestigd, en waar onze boot een gebrek aan de machine herstellen moest. Het voorkomen der kust was sedert gisteren geheel veranderd. De bergen waren met groen en hout bedekt, en op de lagere hellingen trokken gansche bosschen van olijven, oranje- en citroenboomen het oog.

Na kaap Skyli te zijn omgevaren, bereikt men, door eene nauwe straat, waarvan de toegang door een versterkt eilandje verdedigd wordt, de reede van Poros, eene ruime, prachtige baai, door groene bergen omgeven. De stad Poros heeft niets bijzonders; het arsenaal verkeert in min of meer vervallen toestand, en op de werven wordt niet gewerkt; de sommen, ten behoeve der marine op het budget uitgetrokken, zijn onvoldoende om iets degelijks tot stand te brengen, en bovendien worden die gelden juist niet altijd gebruikt voor het doel waarvoor zij bestemd zijn. Echter heeft men in de laatste jaren een droog dok aangelegd, tot groot gemak voor de vreemde schepen, die anders bij de minste averij genoodzaakt waren naar Constantinopel of naar Marseille te gaan.

Tijdens den onafhankelijkheidsoorlog heeft Poros eene belangrijke rol gespeeld; gedurende eenigen tijd was deze op een eiland gelegen stad de hoofdstad van den om zijn bestaan worstelenden staat. Te Poros had, in 1828, de conferentie plaats tusschen de engelsche, fransche en russische gevolmachtigden, die over het toekomstig lot van Griekenland moesten beslissen; te Poros stak, in 1831, de admiraal Miaoulis de grieksche vloot in brand, liever dan te gehoorzamen aan het bevel van Capo d'Istria, en haar in handen van den russischen admiraal over te leveren.

Wij steken de golf in hare volle breedte over, en laten het eiland Egina aan onze linkerhand liggen; uit de verte groet ons de oude tempel, op een kegelvormigen heuvel gebouwd. Een smetteloos blauwe hemel, stralende van licht, welfde zich over ons; met vluggen gang kliefde de boot de donkerblauwe golven. Telkens duidelijker teekenden zich voor onze starende blikken alle trekken en lijnen van het wonderschoone landschap, dat zich als eene onmetelijke schilderij voor onze oogen ontrolde.

Boven eene lage, rossige vlakte verheffen zich twee hooge bergen, en steken met hunne breede lijnen scherp tegen den helderen hemel af: dat zijn de Pentelikon, beroemd om zijn schitterend wit marmer, en de Hymettos, eens rijk aan honig en welriekende bloemen. Tusschen die beiden, verrijst uit de vlakte een eenzame steile rots, gekroond met de zuilen van het Parthenon. Rondom die rots scharen zich eenige lagere hoogten, en achter haar stijgt, in koene majesteit, de Lykabettos omhoog. Stort over dit onbeschrijfelijk schoon panorama al den gloed, al de verwen, al de kleurenpracht, al den wondervollen lichtglans uit, die een zonsondergang in deze oostersche zeeën tooverend scheppen kan, en misschien zult ge u eenigermate een flauw denkbeeld kunnen maken van de heerlijkheid van dit tooneel, dat ik niet wagen zal te beschrijven.

Eensklaps verdwijnt dit gansche tafreel achter een vooruitspringend voorgebergte, en wij varen de haven van den Piraëus binnen, langs een zware gemetselde paal, die vroeger een der oude leeuwen droeg, tegenwoordig voor de poort van het arsenaal te Venetië geplaatst. In de oudheid dienden de beide zuilen, waarop de roode en groene vuren waren geplaatst, die den nauwen mond der haven aanwezen, tevens tot bevestiging van een zwaren ijzeren ketting, waarmede in tijd van oorlog de ingang der haven voor vijandelijke schepen werd afgesloten.

Dat smalle bochtige kanaal daar ginds, ter linkerhand, achter het eiland Psytalia, kenbaar door zijn vuurtoren, dat is de beroemde reede van Salamis, ingesloten tusschen het bergachtige eiland van dien naam en de hooge kust van Attika. Op gindsche vooruitspringende rotspunt stond de gouden troon van Koning Xerxes, die van deze rotsige hoogte de nederlaag zijner vloot aanschouwde.

Welke herinneringen knoopen zich aan dien naam van Salamis! En nu, stelt de werkelijkheid u niet te leur? Ja zelfs, begint ge niet te twijfelen aan de waarheid der berichten, die omtrent dezen eeuwig gedenkwaardigen zeeslag tot ons gekomen zijn? In die smalle zeeëngte zouden nauwelijks tien onzer hedendaagsche oorlogschepen ruimte kunnen vinden om te manoeuvreeren: en naar men verhaalt, kampten hier tweeduizend vaartuigen, een ganschen dag lang.

Is het niet zoo, dat wij tot de erkentenis moeten komen, dat de eigenliefde en nationale trots der grieksche schrijvers, die ons de heldendaden hunner landgenooten hebben verhaald, zich niet altijd voor overdrijving heeft weten te wachten? Bij Salamis betoonden de Grieken nu juist niet zoo grooten ijver om den strijd aan te binden. Zij aarzelden en bedachten zich vrij lang, eer zij het durfden wagen de Perzen te lijf te gaan; als naar gewoonte twistten zij onder elkander, wierpen elkander van boord tot boord scheldwoorden naar het hoofd, en daagden elkander uit om den aanval te beginnen: niemand wilde de eerste zijn. De Peloponnesiërs beweerden dat hunne eigene haardsteden werden bedreigd, en wilden onverwijld vertrekken om die te verdedigen. Zij waren bevreesd, en zouden ongetwijfeld op de vlucht gegaan zijn, zoo niet Themistokles de krijgslist verzonnen had, waardoor ieder misleid werd. Toen er eenmaal geen ontkomen meer aan was, en de strijd onvermijdelijk was geworden, ja gewis, toen deed juist de onderlinge naijver den heldenmoed nog te feller ontbranden en vochten allen als leeuwen. Maar niet zoodra was het gevaar voorbij, of het oude gekijf begon op nieuw: nu wilde ieder het eerst den aanval begonnen zijn. Is het ook niet waar, dat den avond voor den slag, in het grieksche kamp, aan de goden menschenoffers werden gebracht, en dat de Grieken, zelfs in dezen bloeitijd hunner beschaving, de gewoonte hadden om hun krijgsgevangenen de duimen af te houwen, zoo als na den slag van Thespiae gebeurde?

Van de drie oude havens van Athene, Phaleros, die te open lag, Munychia, die te klein was, en de Piraëus, wordt tegenwoordig alleen de laatste nog gebruikt. De haven is ruim genoeg, maar slecht onderhouden; en aan de noordzijde is een vrij uitgestrekt terrein in een ongezond moeras herschapen, waaronder men nog groote marmeren zerken vindt, de overblijfsels van den vloer van een voormalig dok voor do krijgsgaleien. Dit thans geheel aangeslibde dok of bekken ligt nevens het station van den spoorweg naar Athene, en zou uitstekend geschikt zijn voor spoorweghaven. Tot dusver is daar echter nog niets aan gedaan, hoewel het toch niet zoo moeilijk zou vallen dien modderpoel op te ruimen.

De haven van den Piraëus ligt doorgaans vol met allerlei vreemde oorlogschepen, waarvan de gezagvoerders zich meestal niet veel bekommeren om de bevelen van den havenmeester maar ten anker komen zoo als dat hun het beste bevalt, zeer dikwijls dwars in het vaarwater. Verschijnt er een pakketboot van honderd en meer ellen lengte aan den ingang der haven, dan heeft het dikwijls moeite genoeg in om aanvaring met een of ander zwaar gepantserd russisch of engelsch fregat te vermijden, dat eenvoudig den doortocht verstopt.

In 1835 bestond de Piraëus uit niet meer dan een tiental ellendige hutten, langs een moerassig, hoogst ongezond strand verspreid. In 1861, toen ik hier voor de eerste maal aan land stapte, begonnen ruime pakhuizen en eenige groote fraaie huizen uit den grond te verrijzen. Er ontstonden straten; zelfs was er reeds eene openbare wandelplaats aangelegd, die in al de frischheid van het eerste groen prijkte. Deze verschillende werken dankten voor een groot deel hun ontstaan aan het fransche bezettingskorps, dat gedurende den Krimoorlog hier in den Piraëus lag, om het grieksche volk in bedwang te houden; en het park, waar twee- of driemaal in de week militaire muziek wordt gemaakt, draagt zelfs den naam van den admiraal Tinan, die het deed aanleggen. Men moet erkennen, dat de fransche zee-officieren deden wat in hun vermogen was, om het krenkende en beleedigende van deze soort van voogdij over een onafhankelijken staat te temperen: eene voogdij, te grievender omdat zij, hoewel door de toenmalige politiek der westersche mogendheden geboden, niettemin bepaaldelijk ten doel had, het grieksche volk tegen te houden in zijn meest wettig streven: de verlossing zijner broeders, die nog zuchten onder het turksche juk.

De laatste maal, dat ik den Piraëus bezocht, was in 1874, veertig jaar nadat een vreemde gezant, die des avonds hier was ontscheept, zich genoodzaakt zag den nacht door te brengen in een loods, waardoor de wind speelde, en geen glas water kon krijgen om zijn dorst te lesschen. Ik zou wel wenschen dat zij, die beweeren dat het grieksche volk geen toekomst heeft, eens eene vergelijking wilden maken tusschen den Piraëus in 1834 en in 1874; ik houd mij overtuigd dat zij dan wel gedwongen zouden zijn een minder streng en eenzijdig oordeel over het jonge koningrijk uit te spreken. Ik geef toe, dat de vooruitgang nergens duidelijker in het oog valt, dan hier in den Piraëus en in de beide havensteden Syra en Patras; maar het is toch wel niet mogelijk dat de zoo belangrijke vooruitgang en ontwikkeling van deze drie steden geheel zonder invloed zou zijn gebleven op het overige des lands. Dit zou in strijd zijn met alle regelen der staathuishoudkunde, en ook, wat vrij wat meer zegt, met de ervaring.

Wie tegenwoordig aan de kaaien van den Piraëus aan wal stapt, wordt niet enkel getroffen door de handelsdrukte en het levendige verkeer. De zeer groote uitbreiding en voortdurende vermeerdering der straten en wijken is het sterkste bewijs voor de toenemende welvaart. Fabrieken, uit wier hooge schoorsteenen rookwolken opstijgen, doen u denken aan onze fabrieksteden. Langs de hellingen van den steenachtigcn en vroeger geheel verlaten heuvel, die de haven van den Piraëus van die van Munychia scheidt, verrijzen smaakvolle en sierlijk ingerichte woningen met roode daken en groene zonneblinden. In de nabijheid der haven vindt men verschillende kerken en eene Beurs, waarvan de bovenverdieping tot sociëteit voor de kooplieden is ingericht. Sommige buurten, het is zoo, hebben nog een min of meer aartsvaderlijk voorkomen behouden; maar de breede straten, die in aanleg zijn, de riolen en andere werken in het belang der gezondheid, die vol ijver worden ondernomen, de plantsoenen die worden aangelegd, die allen bewijzen dat de stedelijke regeering van den Piraëus haar roeping in het belang der gemeente begrijpt, en daarvoor meer over heeft dan die van Athene.

De bevolking neemt voortdurend toe. In 1835 waren er geen honderd inwoners; in 1861 bedroeg de bevolking zesduizend-vierhonderd zielen; in 1870 was dit cijfer tot ruim elfduizend geklommen, en in 1874 tot minstens dertienduizend, waaronder vijf-en-twintig-honderd werklieden. In de laatste tien jaar zijn er in den Piraëus verscheidene belangrijke fabrieken opgericht: eene zijdeweverij, zes katoenspinnerijen, zeven stoommolens, eene fabriek van zoogenaamde parijsche spijkers, branderijen, meubelfabrieken, eene glasblazerij en meer anderen. Er zijn thans in het geheel in den Piraëus dertig meer of min belangrijke industriëele inrichtingen, met een gezamenlijk stoomvermogen van meer dan tweeduizend paardekrachten. Slechts twee etablissementen behooren aan vreemden, al de anderen aan Grieken. In de glasblazerij zijn al de werklieden uit Pruissen afkomstig; de stoommachines in de fabrieken zijn voor het meerendeel in Frankrijk vervaardigd.

