De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 36
Sedert 1855 wordt elk dorp bestuurd door een raad, die een zeer uitgebreide macht bezit, en eigenlijk voor al de belangen der gemeente te zorgen heeft. Deze raad bestaat uit het opperhoofd (tavana, verbastering van het engelsche governor), tevens president; uit den rechter, den eersten mutoi en twee raadsleden, die door de ingezetenen gekozen worden. Als er in het dorp geen rechter is, wordt hij vervangen door een opzettelijk daartoe benoemd raadslid. In elk dorp moet eene school zijn. In elk dorp zijn ook eenige inlandsche policie-agenten, die onder den naam van mutoi imiroa, den hoofd-mutoi bij de uitoefening zijner functiën behulpzaam zijn. Deze hulpagenten worden door den raad gekozen.
De opgaven der verschillende zeevaarders omtrent de bevolking van Tahiti loopen zeer uiteen. Cook schat die op ruim tweehonderd-veertigduizend zielen; Forster op honderd-twintigduizend. In 1797 geeft de zendeling Wilson het vermoedelijk cijfer der bevolking op, als bedragende zestienduizend personen van elken leeftijd in het geheele eiland. Het is waar, dat Wilson reeds toen ten tijde gewag maakte van eene zeer snelle vermindering der bevolking; maar zelfs wanneer men aanneemt, dat de bevolking tusschen 1767, toen Wallis Tahiti bezocht, en 1797, met de helft verminderd is--stellig een zeer overdreven cijfer--dan nog blijft men ver beneden de fabelachtige cijfers van Cook en Forster. Trouwens, de uitgestrektheid van het bewoonbare gedeelte des eilands en de hoeveelheid zijner voortbrengselen bewijzen reeds voldoende dat deze opgaven ver van de waarheid moeten afwijken.
Bij de voor hen zoo vreemde en verrassende verschijning der europeesche schepen, zullen de toenmalige bewoners van Tahiti stellig op ruime schaal hebben gedaan, wat hunne nakomelingen heden nog dikwijls doen: namelijk de schepen overal op hun tocht volgen. Zoo zijn Cook en Forster waarschijnlijk onwillekeurig misleid geworden, en hebben zij de rondtrekkende bewoners van een zeker deel des eilands voor de vaste bevolking van een bepaald distrikt aangezien.
Bij het doorkruisen van het binnenland van Tahiti, vindt men in onderscheidene groote valleien sporen van oude woningen en grafsteden, waaruit men heeft afgeleid, dat de bevolking, te talrijk om lang de kust plaats te kunnen vinden, in lang vervlogen tijden voor een deel naar het binnenland is verhuisd. De ondervinding tijdens onzen krijg met de inboorlingen opgedaan, schijnt deze meening voldoende te wederleggen. De overwonnen partij, door den overwinnaar, van wien zij geen genade te hopen had, achtervolgd, verliet haar woningen en akkers, en trok zich terug naar de dalen en valleien in het gebergte, waar zij zich gemakkelijker kon verdedigen, en waar men het niet licht zou wagen haar te volgen. Daar werden nieuwe woningen gebouwd en nieuwe plantages aangelegd; daar werden marae gesticht en werden de dooden begraven, tot een keer in de krijgskans of wel een dikwijls maar zeer voorbijgaande vrede, den uitgewekenen vergunde naar hun distrikt terug te keeren, en naar den oever der zee, die de inlander zoo lief heeft. De valleien van het eiland, de voornaamste niet uitgezonderd, leveren te weinig op, dan dat men daar immer voor goed zijne woonplaats zou hebben gevestigd: zij zijn zeker nooit iets meer geweest dan een tijdelijk toevluchtsoord. Een ander bewijs van de overdrijving in de eerste opgaven ten aanzien der bevolking van Tahiti, vinden wij in de voorschriften van dat genootschap der arioi, waarvan wij boven spraken. Wij zeiden dat de kindermoord een wet was voor de leden van dat genootschap. Van de verschillende redenen, die men ter verklaring van dit barbaarsche gebruik heeft kunnen aanvoeren, komt mij nog altijd deze de waarschijnlijkste voor, dat de vorsten en hoofden de noodzakelijkheid hadden ingezien, om door alle mogelijke middelen een al te snellen en te sterken aanwas der bevolking te stuiten, en te voorkomen dat zij nooit zekere grenzen overschreed, omdat anders het land niet meer in het onderhoud zijner bewoners zou kunnen voorzien.
In het begin van 1848 heeft er eene volkstelling plaats gehad. Door het bestuur waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, en niets was verzuimd wat strekken kon om de juistheid der verkregen cijfers te waarborgen. Blijkens de uitkomst dier telling was de bevolking aldus verdeeld: op Tahiti, achtduizend-vijfhonderd-zeven-en-vijftig zielen; op Moorea, veertienhonderd-twaalf zielen: alzoo in het geheel, negenduizend-negenhonderd-negen-en-zestig inwoners.
In 1829 gaf de volkstelling op Tahiti, destijds door de engelsche zendelingen met groote zorgvuldigheid verricht, dit resultaat: achtduizend-vijfhonderd-acht-en-zestig personen: een cijfer, dat op merkwaardige wijze overeenstemt met dat van 1848. Als men nu in aanmerking neemt, dat verschillende ernstige epidemiën en een tweejarige oorlog met Frankrijk niet onbelangrijke verwoestingen moeten hebben aangericht, dan schijnt het wel als zeker te mogen worden gesteld, dat de bevolking van Tahiti, van 1829 tot 1848, eer is vermeerderd dan verminderd. Destijds was trouwens het bestuur over het eiland in vaste en niet onbekwame handen; de oorlogen, die de voornaamste hoofden tegen elkander voerden, hadden opgehouden; aan den kindermoord, aan de menschenoffers, aan vele andere buitensporigheden van allerlei aard, had het Christendom, door de engelsche zendelingen gepredikt en ingevoerd, althans een einde gemaakt. Vóór dien tijd is de bevolking van Tahiti waarschijnlijk wel sterker geweest dan tegenwoordig, maar onmogelijk kan het verschil zoo groot geweest zijn, als men zich dit doorgaans wel voorstelt. De heer Lessou, heelmeester aan boord van de Coquille, schijnt mij toe, niet ver van de waarheid te zijn, als hij de oorspronkelijke bevolking des eilands op circa twaalfduizend zielen schat.
De volkstelling van 1 Januari 1863, de laatste die wij kennen, had plaats onder gunstiger omstandigheden dan die van 1848. De gemeente- of dorpsraden begonnen hunne functiën in de distrikten uit te oefenen; de nauwkeurige uitvoering der kieswet van 22 Maart 1852, gewijzigd den 16den Februari 1857, waarbij bepaald is dat een inlander om kiezer te zijn vijf jaar in een distrikt moet hebben gewoond, gaf het middel aan de hand, om met volkomen juistheid het cijfer te kennen der inwoners in elk der distrikten van Tahiti en Moorea. Volgens deze telling bedroeg het totaal cijfer der bevolking tienduizend-driehonderd-zeven-en-veertig inwoners van polynesisch ras. Men mag veilig aannemen, dat dit cijfer het naast bij de waarheid komt.
1 Maart 1873. De gepantserde korvet Atalante, die wij sedert eenige dagen verwachtten, is de haven binnengeloopen. Dit schip voert de vlag van den schout-bij-nacht kommandant der divisie van den Stillen-Oceaan, waartoe ook de Vaudreuil behoort. De komst van de Atalante is eene gebeurtenis van gewicht voor de gansche bevolking. De muziek van de korvet speelt bijna iederen avond op het plein voor het gouvernementshuis. Daarna trekken de muziekanten, met begeleiding van fakkellicht, onder het spelen van een vroolijken marsch, naar de kaai, om weer naar boord terug te keeren. Onnoodig te zeggen, dat zij daarbij door de gansche menigte, eene wonderlijke mengeling van Europeanen en inboorlingen, al zingende gevolgd worden.
Het vriendschappelijk verkeer, dat wij aanstonds met onze kameraden van de Atalante hadden aangeknoopt, werd eensklaps afgebroken door het bericht van het overlijden van de koningin van Borabora, dochter van Pomare. Den 10den Maart stevenden wij naar Borabora, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. De echtgenoot der koningin, Ariífaáite, die met ons medeging, scheen niet bovenmatig bedroefd over den dood zijner dochter. Wij keerden dadelijk na de begrafenis naar Papeete terug, waar, op den 18den Maart, de schout-bij-nacht inspectie hield. Ondanks haar pas geleden verlies, kwam koningin Pomare aan boord van de Atalante, om den opperbevelhebber een tegenbezoek te brengen.
De Atalante verliet ons den 21sten Maart; en ook voor ons naderde met snelheid de dag van het vertrek; de Bruat, die de Vaudreuil kwam aflossen, verscheen den 3den April.
Niet zonder diepen weemoed namen wij afscheid van het heerlijke eiland Tahiti, zoo rijk aan natuurschoon, en waar wij een zoo gastvrij onthaal gevonden hadden, ons dubbel welkom, na de vermoeienissen en onberingen eener langdurige zeereis. De tijd, dien ik op dat eiland gesleten heb, zal voor immer in mijne herinnering blijven leven, als een der liefelijkste beelden uit mijn zeemansloopbaan.
Reis door Griekenland.
I.
Wij zaten aan tafel. Er was een vrij talrijk en vroolijk gezelschap aan boord van de stoomboot; een aangename toon heerschte onder de passagiers, ondanks--of misschien wel omdat--verschillende en zeer uiteenloopende nationaliteiten onder ons vertegenwoordigd waren. Een onzer medereizigers, een Franschman, die veel gereisd had, was juist bezig ons een zijner avonturen in Nieuw-Caledonië te verhalen, waarbij hij groot gevaar had geloopen, door de inboorlingen opgegeten te worden; wij allen en hij zelf het eerst lachten hartelijk om het fantastisch tooneel, dat hij ons voor de oogen schilderde, toen plotseling de gezagvoerder binnentrad en ons mededeelde, dat wij de kust in het gezicht hadden.
Dat moest de kust van Griekenland zijn. In zonderlinge spanning, spoedde ik mij naar het dek. Vlak bij ons, aan de linkerhand, zag ik een donker, roodachtig gekleurd voorgebergte, dat loodrecht uit zee oprees, en door de sterke branding met vlokken schuim werd overspat; daarachter verhieven zich, amphitheatersgewijze, dorre naakte heuvelen, en ver op den achtergrond, met het hoofd in de wolken, een met sneeuw bedekte bergtop. Nergens, in dit sombere, woeste landschap eenig teeken van leven: geen enkele woning, geen levend wezen, geen boom, geen grasspriet zelfs: niets dan doodsche eenvormigheid en verlatenheid. Slechts een kleine brik laveerde met moeite langs de kust, en deed haar best, om nog voor het vallen van den avond uit dit vaarwater te komen, waar het, bij den opstekenden zuidenwind, voor zeilschepen zeer gevaarlijk worden kon.
En dit was Griekenland, het land, waarvan de naam alleen, als een zoete tooverklank, zoo vele liefelijke herinneringen mijner jeugd wakker riep! Hoe menigmalen hadden wij niet, aan de akademie, met die onvergetelijke klassieke herinneringen, met het oude Hellas, gedweept; hoe menigmalen was niet de vurige wensch in ons opgerezen, dit land te mogen aanschouwen, dien gewijden bodem te mogen betreden! Nu stond die wensch voor mij vervuld te worden ... en dit was de eerste indruk!
Echter, laat ons niet te haastig oordeelen. Deze kaap Matapan of Tenaros, zoo als zij eigenlijk heet, stond van oudsher in een kwaden roep. Geheel aan de zuiden- en zuidwestenwinden, de heerschende in de Middellandsche-zee, blootgesteld, werd en wordt zij nog heden met volle recht door de zeevaarders gevreesd, die groot gevaar loopen om door de branding tegen de onherbergzame rots geworpen te worden.
Een tempel van Poseidon, rustende op een onderbouw van dat prachtige roode marmer, dat uitsluitend aan de groep van den Taygetos eigen schijnt, blikte weleer van deze rotshoogte op de zee neder, als een waarschuwing en eene vertroosting tevens voor de zeelieden, die daar beneden met de golven worstelden en uit wier hart zeker menigmalen eene bede tot den god is opgestegen. Door de werking van wind en weder is deze tempel langzamerhand geheel gesloopt: tegenwoordig is er zelfs geen spoor meer van te vinden.
Maar nog andere gevaren dan die der golven plachten hier de zeevaarders te bedreigen. Als windstilte de schepen aan hunne plaats boeide, of als zij, door den orkaan van hun zeilen beroofd, machteloos ronddreven op de onstuimige wateren, dan gebeurde het maar al te vaak, dat vlugge kapers, plotseling uit kreek en inham te voorschijn schietende als roofvogels op hun prooi, de schepen overvielen, de bemanning over den kling joegen en gingen strijken met den buit. Het is nog niet zoo lang geleden, dat deze wateren van de plaag der zeeschuimers zijn verlost. Wel had admiraal Paulicci een aantal dezer roovers opgehangen, maar eerst de krachtige tusschenkomst van de vloten der westersche mogendheden gedurende den Krimoorlog, maakte voor goed een einde aan deze kaapvaart, die voor de kustbewoners bijna tot een geoorloofd bedrijf geworden was.
Aan gene zijde van kaap Matapan opent zich de wijde golf van Marathonisi, ten noorden door de vallei van Sparta begrensd. Zeker schrijver, even weinig ervaren in de botanie als in de aardrijkskunde, heeft den Peloponnesus bij een moerbeziënblad vergeleken. De vergelijking is zoo onjuist mogelijk. Wilde de man zijn voorbeeld volstrekt aan het plantenrijk ontleenen, dan kon hij in Griekenland een boom vinden, die hem de eenig juiste vergelijking aan de hand zou doen: de plataan. Een plataanblad toch geeft inderdaad vrij wel den vorm van Morea weer, met zijn drie, naar het zuiden gerichte voorgebergten, waarvan het middelste de beide anderen in lengte overtreft. De eerste landpunt, van het westen komende, is die van Koron, uitloopende in kaap Gallo; daarop volgt het schiereiland Maina, welks hooge en woeste rotsgebergten afdalen naar kaap Matapan; het oostelijke voorgebergte eindigt in kaap Malea.
Tegenover deze kaap, eene groote bruine rotsmassa, en slechts door een zeearm van twaalf mijlen breedte van het vasteland gescheiden, verheft het eiland Cerigo zijn lage, naakte heuvelen uit de wateren. Deze zee-engte levert voor de zeilvaartuigen dikwijls groote moeielijkheden op: als in den Archipel de noordenwind heerscht, zijn zij dikwijls genoodzaakt het anker uit te werpen aan den ingang der zeeëngte, in de golf van Marathonisi, en daar geduldig, soms dagen lang, te wachten tot de wind naar het zuiden of het zuidwesten loopt. Blijft het slechte weder aanhouden, dan ziet men daar soms meer dan honderd schepen, vooral grieksche en italiaansche, bijeen. Thans zagen wij er slechts enkelen, die zwaarmoedig op hunne ankers dobberden.
De zwarte wolken, die wij in haastige vlucht over de bergtoppen zuidwaarts zagen spoeden, verwittigden ons, dat ook wij, bij het verlaten der straat, met tegenwinden zouden te kampen hebben. De moeielijkheden en gevaren, aan dezen waterweg, die de belangrijkste havens en stations van den Levant verbindt, eigen, hebben al meermalen naar een middel doen omzien om daarin verbetering te brengen. Het meest voor de hand lag wel het denkbeeld, om de landengte van Korinthe, die noordelijk Griekenland met den Peloponnesus verbindt, door te graven. Op het eerste gezicht schijnt dit plan zich alleszins aan te bevelen; maar bij nader onderzoek op de plaats zelve, zal het ons duidelijk worden dat de voordeelen hoegenaamd in geene verhouding zouden staan tot de moeielijkheid van het werk en het bedrag der kosten, vooral nu niet, nu de stoomvaart steeds meer en meer de zeilschepen verdringt.
Het eiland Cerigo, het oude Kythera, dat wij ter rechterhand laten liggen, is niet veel meer dan een groote, steile, onvruchtbare rotsmassa. Vroeger behoorde het, met de andere Ionische eilanden, aan Engeland; door deze steenklomp aan Griekenland af te staan, heeft Groot-Brittannië niet veel verloren. Eenige witgepleisterde huizen, met platte daken, aan den voet eener naakte en door de zon geblakerde rots--ziedaar alles wat thans nog de herinnering bewaart aan het oude Kythera, wellustiger gedachtenis.
De hoofdplaats van het eiland, het vlek Sint-Nicolaas, heeft geen haven en geen drinkwater, geen tuinen en geen boomen: ik zou bijna zeggen ook geen inwoners, indien niet enkele wijngaarden, hier en daar verspreid, het bewijs leverden dat hier toch inderdaad menschen wonen. In de valleien en langs de minder steile hellingen, waar eene dunne laag vruchtbare aarde den steenigen bodem bedekt, wordt een weinig gerst geteeld en wijn verbouwd; eenige olijvengaarden leveren de olie, die de bewoners van het eiland voor hun gebruik noodig hebben.
Volgens de officiëele opgave, telt Cerigo eene bevolking van tienduizend-zeshonderd zielen, verdeeld tusschen tweeduizend-achthonderd gezinnen, ongeveer even veel huizen bewonende. De meest bevolkte stad is Potamos, aan de noordoostkust van het eiland. Scheepvaart en handel behooren tot de voornaamste bronnen van bestaan.
De nacht was donker en zeer slecht; de zee stond hol; het woei hard, en geweldige regenvlagen, met half gesmolten sneeuw doormengd, maakten het verblijf op het dek alles behalve aangenaam. Toch waren wij in het begin van April, in de valleien van Ionië de maand der rozen; maar zij, die zich hunne voorstellingen van het Oosten gevormd hebben naar de zoo vaak schitterende en gloeiende beschrijvingen en zangen der dichters, waaraan de fantazie meer deel had dan de ervaring, moeten zich op menige teleurstelling voorbereiden. Toen de dag aanbrak, bleek het dat wij nog niet verder waren gekomen dan ter hoogte van Monemvasia, aan de oostkust van den Peloponnesus, op twintig mijlen afstands van kaap Malea. Daar het weder zich hoe langer hoe dreigender liet aanzien, besloot de gezagvoerder eene schuilplaats te zoeken in deze kleine, zeer onvoldoende haven, maar waar men althans eenigermate voor den noordenwind gedekt is.
Ons oponthoud zou niet langer duren dan volstrekt noodig was: niettemin kregen wij van den gezagvoerder verlof om aan land te gaan, mits wij binnen drie uren weer terug waren.
Monemvasia, het oude Malvesia, is een eilandje van drie mijlen in omtrek, dat aan alle zijden steil uit de golven oprijst. Ten zuiden heeft zich, aan den voet van dien rotsmuur, een soort van glooiing gevormd, waar eenige olijven groeien. Eene kleine stad, aan den oever der zee gebouwd, is met het vasteland verbonden door middel van een steenen brug, die eene lengte heeft van honderd-vijftig el; aan de zijde van het eiland, verrijst op die brug een venetiaansche toren, die blijkbaar tot verdediging dienen moest. Boven de poort is nog de leeuw van Sint-Marcus uitgehouwen.
Boven op den berg ziet men nog oude middeleeuwsche vestingwerken, die een zeer schilderachtig effect maken. Die vestingwerken dagteekenen uit den tijd der Kruistochten, want Monemvasia of Malvesia was een der belangrijkste vestingen van het vorstendom Achaië, dat de kruisvaarders in de dertiende eeuw stichtten.
Willem van Villehardouin, de neef van den beroemden kroniekschrijver, vermeesterde de stad in 1205, met behulp der Venetianen, na een beleg van drie jaar. De inwoners, die goed van levensmiddelen waren voorzien, lachten eerst, van hunne hooge sterke muren, de Franschen uit; maar Villehardouin maakte ernst met zijn beleg, en liet drie of vier blijden of katapulten aanvoeren, waarmede hij rotsblokken van meer dan tweehonderd ponden zwaarte op de stad slingerde, die de huizen vernielden, de verdedigers verpletterden en de muren deden instorten. Na verloop van drie jaar, toen de inwoners, nadat de voorraad was opgeteerd, aan het nijpendste gebrek ten prooi waren, bood de kloeke stad eindelijk hare onderwerping aan. Monemvasia had in vervolg van tijd nog vier belegeringen door te staan, en viel driemalen in handen der Venetianen. Het laatste en meest beroemde beleg is wel dat van 1821.
De meeste Turken van oostelijk Morea, door den griekschen opstand verrast, hadden destijds de wijk genomen naar deze stad, die nu door Kantakouzenos, een der krijgsoversten van prins Ypsilanti, werd belegerd. Na al de Grieken, die zij in hunne macht hadden, onder de afgrijselijkste martelingen ter dood te hebben gebracht, zagen de Turken zich eindelijk genoodzaakt hun honger te stillen met de lijken hunner gevangenen en hunne eigene kinderen. Op hunne knieën moesten zij in 't eind de genade des overwinnaars afsmeeken, die hun vergunde naar Klein-Azië te trekken. Deze zegepraal, een der eersten door de Grieken behaald, wakkerde hun moed aan, en maakte alom in Europa een diepen indruk.
Onze landing ging alles behalve gemakkelijk. Eenige rotsen, waarover iedere hooge golf heensloeg, dienden als aanlegplaats; en onze matrozen hadden al hun behendigheid en de inspanning van al hunne krachten noodig, om te zorgen dat de sloep niet te pletter gestooten werd.
De wandeling door de stad leverde niets merkwaardigs op. De huizen hebben voor het meerendeel een zeer armoedig, verwaarloosd voorkomen; sommigen prijken nog met beeldwerk van venetiaanschen oorsprong. Eene kleine, half verwoeste kerk, weleer door de Franschen gebouwd, draagt nog, op een harer muren, het wapenschild der familie Villehardouin. Voor het beklimmen van den berg ontbrak ons de tijd; ook was daar niets te zien dan vervallen muren en kudden geiten. De rots van Monemvasia herinnert, op kleine schaal, aan die van Gibraltar, en is, even als deze, eene natuurlijke vesting. Maar bij de middelen van vernieling, waarover de hedendaagsche krijgskunst beschikt, heeft deze vesting haar belang verloren: zij wordt dan ook niet meer door den Staat onderhouden. De stad drijft geen noemenswaardigen handel en ontvolkt zich gedurig meer; tegenwoordig telt zij ter nauwernood duizend inwoners. De eenmaal zoo beroemde Malvesie-wijn groeit sinds lang niet meer in den omtrek; indien de heuvelen van het vasteland, tijdens de venetiaansche heerschappij, inderdaad met wijngaarden waren beplant, dan zijn die nu al sedert geruimen tijd door steenen en doornen vervangen. De zoogenoemde Malvezye komt tegenwoordig uit het eiland Tinos.
Den volgenden morgen was de lucht opgehelderd en konden wij onze reis naar het noorden hervatten. Ook nu hielden wij altijd de bergachtige, woeste, naakte kust in het gezicht. Van tijd tot tijd teekende zich tegen de grauwe, kale rotshellingen een witte streep: dat was de uitgedroogde bedding van een bergstroom. Somwijlen ook, aan den mond van een smal dal, verhieven zich, dicht bij den oever, eenige wilde olijven, wier grijsachtig groen gebladerte eigenaardig paste bij dit onbeschrijfelijk treurige, sombere landschap. Nergens was een huis, nergens was een akker of tuin te zien; zelfs geen pad verlevendigde deze eentonige verlatenheid.
Als wij langs den mond der golf van Nauplia heenvaren, verliezen wij de kust uit het gezicht; maar weldra duikt zij weder voor ons op, en straks stoomen wij door de smalle straat tusschen Kastri en het eiland Hydra, dat zich als een reusachtig zeemonster uit de golven verheft.
De stad van denzelfden naam is zeer schilderachtig gelegen, aan den oever eener kleine baai, aan drie zijden door de rotsen ingesloten. Tegen den steilen rotswand op den achtergrond verrijzen, boven elkander, de groote en fraaie huizen der stad, ten getale van ruim drieduizend, die met haar platte daken en haar witte muren een zeer eigenaardigen, verrassenden indruk maken. De smalle straten zijn als trappen in de rots uitgehouwen.
De geschiedenis van dit plekje gronds is zeer merkwaardig en toont, in een sterk sprekend voorbeeld, van welke schijnbaar zeer verwijderde oorzaken de bloei en het verval van steden kunnen afhangen.
Tot in de achttiende eeuw was Hydra eene onbekende en geheel onbewoonde rots; maar omstreeks 1730 vestigden zich hier eenige albaneesche uitgewekenen, door de dwingelandij der turksche ambtenaren uit hun vaderland verdreven. Op deze naakte verlaten rots waren zij nu wel veilig voor de schraapzucht en afpersingen hunner tyrannen, maar tevens ontbrak het hun aan elk middel van bestaan. Wil men hier een tuin aanleggen--een weelde, waaraan toen niemand dacht, maar die eerst later in zwang kwam;--dan moet de aarde, met groote kosten, op een afstand van vijf-en-twintig mijlen, uit den Peloponnesus worden gehaald en naar het eiland gebracht. Water is hier evenmin te vinden; het regenwater wordt zorgvuldig in groote bakken opgevangen, en is er geen regen genoeg gevallen, dan moet het drinkwater, in kleine langwerpige vaatjes, van de kust worden aangevoerd.