# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 35

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Door den aanhoudenden regen was de toch niet al te goede weg van het eiland totaal onbegaanbaar geworden; er was maar één paard te krijgen; de voorraad, dien wij medegenomen hadden, was reeds belangrijk geslonken. Ik voelde weinig lust om de reis voort te zetten, die waarschijnlijk vrij lang zou duren en de moeite niet loonen. Ik besloot dus naar Papeete terug te keeren, te meer daar ik geen misbruik wilde maken van het mij toegestaan verlof. Toen ik mijn besluit aan den heer E.... mededeelde, trachtte hij mij wel beleefdheidshalve te overreden bij hem te blijven: maar het kostte mij niet veel moeite om hem te overtuigen dat dit niet wel mogelijk was, daar zijn reis te lang zou duren. Op onze navraag, vernamen wij, dat den volgenden dag een sloep met katoen naar Papeete zou vertrekken: ik besloot van dit gunstig toeval gebruik te maken, en kwam met den eigenaar overeen dat ik mede zou varen.

Bij het aanbreken van den dag, is ieder op de been. Mijne vrienden brengen hunne bagage in een vaartuig, dat zij gehuurd hebben om hen naar het dorp te voeren, dat de heer E.... moet bezoeken. De mutoi van Afareaitoe komt met het eenige paard, dat hij heeft kunnen vinden; de heer E.... zet zich in den zadel; ik neem afscheid van mijne vrienden, en wij wenschen elkander goede reis.

Ik wacht nu rustig het uur van vertrek af. Eindelijk verschijnt de eigenaar van het vaartuig, natuurlijk dood op zijn gemak. Door zes sterke armen opgetild, waarbij ik mijne zwakke pogingen voeg, is de sloep weldra te water gebracht, waarna de riemen, de zeilen en de reusachtige katoenbalen aan boord worden gedragen. Wij volgen op onze beurt: drie mannen, twee oude vrouwen, een kind en ik. Ik kijk nog eens naar het weer: in de baai is het stil, maar uit het zuidoosten komen met groote snelheid zwarte lage wolken opzetten, die ons overvloedig met regen overstroomen. Ik maak de eigenaar opmerkzaam op het ongunstige voorkomen der lucht. Hij antwoordt: "Mea matai!" (zeer goed)--"Dan, vooruit maar!"

Onze roeiers brengen ons spoedig aan de andere zijde der baai: er is nog geen wind. Het buitenste rif ligt achter ons; daar gaat een geweldige branding: de hooge woeste golven schijnen zich te willen vereenigen met de zwarte wolken, die daarover heen jagen. De zeilen worden geheschen: naarmate wij in de open zee komen, laat de wind zich sterker gevoelen; de hemel wordt al donkerder; de wind groeit tot een storm, en weldra zijn wij verplicht onophoudelijk het water uit te scheppen, dat over den rand der sloep heenslaat. Een felle windvlaag verbrijzelt onzen mast; de regen valt bij stroomen neder; en hoewel wij vrij dicht bij Tahiti zijn, kunnen wij toch niets van de kust onderscheiden. De wind drijft ons met snelheid voort, en ik begin mij ernstig ongerust te maken over den afloop van onzen tocht. Het kanaal van Papeete is, zooals ik zeide, niet meer dan eene smalle opening in het rif: missen wij die, dan zal de sloep ongetwijfeld op de koraalbank verbrijzeld worden.

Weldra hooren wij het donderend gebrul der golven, die met woest geweld op het rif aanrollen: het kritieke oogenblik nadert. Bij het voor een oogenblik doorbrekend licht, zien wij gedurende eenige sekonden het eilandje Motoe-Oeta, waarvan de kokosboomen door den storm heen en weer worden geschud: wij zijn dus in de goede richting. Echter is het gevaar nog niet geweken: geweldige golven bewegen zich in schuine richting door het kanaal: het is bijna onmogelijk, dat wij zonder ongelukken daar doorkomen. Wij zijn voor den ingang: en dank zij de vastberadenheid en bekwaamheid onzer manschappen, dank zij ook de bescherming des hemels, komen wij zonder ongeval, door de machtige golven gedragen, in de kalme baai van Papeete, van nu af veilig achter de zware dijken van koraal, waarop de machtelooze oceaan vergeefs zijne woede verspilt.

V.

De Tahitianen behooren mede tot de groote volkenfamilie, die al de eilanden bewoont, begrepen binnen een lijn, die, uitgaande van Nieuw-Zeeland, de Wallis-eilanden, den Samoa-archipel, de Sandwich-eilanden en het Paascheiland omvat.

Al de eilanden binnen en langs den omtrek van dien wijden veelhoek zijn bewoond door een koperkleurig ras, dat zich van de naburige volksstammen kennelijk onderscheidt door de kleur zijner huid, de schoonheid zijner vormen, door zijne ver boven het middelmatige reikende gestalte, en door de over het algemeen zachte en vriendelijke uitdrukking zijner gelaatstrekken: dit laatste natuurlijk alleen voor zoover men zich niet, ten einde er verschrikkelijk uit te zien, het gelaat op kunstmatige en vaak pijnlijke wijze misvormt, hetzij door zich te tatouëeren of met schelle kleuren te beschilderen. Deze eilanders zijn aanstonds op het eerste gezicht kenbaar als behoorende tot dezelfde familie, die zij, volgens hunne verschillende dialekten, met den naam van mahori of mahoi noemen. [17]

Dat al deze eilandengroepen, wat de nationale traditiën en de taal aangaat, door een gemeenschappelijken band verbonden zijn, is een onloochenbaar feit voor ieder, die ze immer bezocht. Mijne reis met de Vaudreuil, waarmede ik de Markiezen-eilanden, de Toeamotoe, de Gambier-eilanden, den archipel van Tahiti, de Tonga, de Samoa, de Wallis- of Oewea-eilanden, de groep van Hoorne en de Sandwich-eilanden aandeed, heeft mij ten volle overtuigd van den gemeenschappelijken oorsprong van al deze volken.

De bewoners der Sandwich-eilanden zeggen nog heden, afkomstig te zijn van Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden; hunne kosmogonische overleveringen verschillen ter nauwernood van die van Tahiti en Nieuw-Zeeland; de regels hunner taal zijn dezelfden.

De eerste zeevaarders, die deze eilanden bezochten, meenden dat de bewoners, de passaatwinden volgende, van het oosten gekomen waren: mitsdien zou Zuid-Amerika hun oorspronkelijk vaderland zijn. Ik kan deze meening niet deelen. Eene meer nauwkeurige bekendheid met deze zeeën heeft geleerd, dat op zekere tijden des jaars, de westenwinden telkens gedurende een tijdperk van drie tot veertien dagen achtereen heerschen. Ligt het niet voor de hand, dat de landverhuizers juist van dezen wind hebben gebruik gemaakt voor hun steeds verder naar het oosten reikenden tocht? Bovendien kunnen wij ons beroepen op het voorbeeld van den archipel van Toeamotoe, die geheel aan het eiland Anaa onderworpen is. De bewoners van dit eiland hebben, in eene lange reeks van krijgstochten, die misschien vele eeuwen geduurd hebben en waarvan de laatste nog tot onzen tijd behoort, al de oostwaarts van hen gelegen eilanden voor en na gedwongen hun oppergezag te erkennen. Zij vertrokken met den westenwind naar die deels bekende, deels nog te ontdekken eilanden, wel wetende dat de doorgaans heerschende wind hen, na korter of langer tijd, den terugkeer naar hun vaderland mogelijk zou maken. Nog tegenwoordig leggen de bewoners der Marshall-eilanden, in hunne pros of prauwen, zeer aanzienlijke afstanden af.

In den archipel van Tahiti is het eiland Raiatea het heilige land, de bakermat der godsdienst en van het vorstelijk gezag. De koningen van Tahiti dragen er roem op, van daar af te stammen; bij sommige plechtige gelegenheden moesten de voornaamste en oudste marae van Tahiti en Moorea derwaarts menschenoffers zenden. De overlevering, die, hoe ook verzwakt, nog niet geheel is uitgestorven, bevestigt mede de meening van hen, die zeggen dat de archipel bevolkt is door landverhuizers uit het westen. In de eerste tijden van ons protektoraat, plachten de grijsaards, over den oorsprong huns volks ondervraagd, zonder aarzelen te antwoorden dat de bakermat van hun geslacht stond aan de zijde waar de zon ondergaat. De inboorlingen van den Tahiti-archipel schijnen ten allen tijde kennis te hebben gedragen van het bestaan van Tonga-Taboe, van de Samoa-eilanden, van Cook's archipel en van de Toeboeaï-eilanden; daarentegen hebben zij de Gambier- en de Markiezen-eilanden eerst leeren kennen door de Europeanen. Toch liggen de Gambier-eilanden dicht bij de Toeamotoe, eene kolonie van Tahiti, bevolkt door inboorlingen van het distrikt Afaáhiti, die door hunne buren uit het distrikt Hitiaá waren verjaagd. Deze uitgewekenen of ballingen zijn dan toch van het westen gekomen. Waarschijnlijk was het aanvankelijk hun voornemen, met de doorgaans heerschende oostenwinden weer terug te koeren; zij hebben zich vervolgens nedergezet op de eilanden, die zij toevallig op hun weg ontmoetten, zouder dat de tijding hunner vestiging in hun vaderland bekend werd. De Toeamotoe-eilanden konden nog niet geheel op zich zelven staan en afgezonderd blijven: daar zij pas voor korten tijd bevolkt waren, werden de bewoners nu en dan, hetzij door behoefte, hetzij door oude gehechtheid en herinnering, genoopt naar Tahiti terug te koeren. Maar is het, in het algemeen genomen, niet zeer begrijpelijk en waarschijnlijk dat zij, die, misschien ten gevolge van den oorlog of om andere redenen, min of meer gedwongen, hun land hadden verlaten, als zij eindelijk, na een avontuurlijken en gevaarlijken tocht, een veilig strand hadden aangetroffen en een bodem waar zij het noodige voor hun levensonderhoud vinden konden, nu ook daar bleven, zonder ooit meer aan terugkeer te denken?

Er is nog een ander bewijs: de geleidelijke en toenemende verdwijning van de eigenaardige kenteekenen van het maleische ras, namelijk het stroeve stugge lange hair, en de schrale maar gespierde ledematen: kenteekenen, die op Tonga-Taboe nog vrij algemeen voorkomen, maar die op Tahiti reeds veel zeldzamer zijn, en op de Toeamotoe-eilanden bijna in het geheel niet meer gevonden worden. Hoe verder naar het oosten, hoe meer de verbastering van het oorspronkelijk maleische ras in het oog valt, en dat niet alleen ten aanzien van den lichaamsbouw, maar ook met opzicht tot de taal, die evenzoo gaandeweg verbastert. Deze feiten schijnen te wijzen op eene latere volksverhuizing, die denzelfden weg als de eerste heeft gevolgd, en die de oorspronkelijke bewoners heeft onderworpen en er zich later mede vermengd. De sporen dezer vermenging zijn duidelijker en van blijvender aard, naarmate men dichter bij het uitgangspunt bleef.

Om de toenemende ontvolking dezer eilanden te verklaren, heeft men verschillende oorzaken opgegeven: onderlinge oorlogen, epidemiën, kindermoord zijn daarvan de voornaamste. Maar ook als men de waarschijnlijke verliezen optelt, die het totaalcijfer der bevolking door deze verschillende oorzaken heeft kunnen ondergaan, dan nog schijnt men ver beneden de werkelijke vermindering der bevolking te blijven. Het is aan geen twijfel onderhevig, of de verschijning der blanken is voor deze eilanders allernoodlottigst geweest, een feit van doodelijke gevolgen, even als in alle landen, waar wij met het koperkleurige ras in aanraking zijn gekomen. Wat de ontvolking door oorlogen aangaat--deze kan niet zoo groot zijn, als men in aanmerking neemt dat de inboorlingen geen andere wapenen kenden dan knods, pijl en boog, dat gevechten van man tegen man zeldzaam waren, en dat de strijd meestal geleverd werd in een bosch, waardoor de verslagen partij overvloedig gelegenheid vond om zich spoedig door de vlucht te redden. In den hardnekkigsten en bloedigsten veldslag, waarvan de herinnering tot heden is bewaard gebleven, sneuvelden nog geen vierhonderd man.--Kindermoord was vrij algemeen. Deels werd die misdaad bedreven door zeer jonge meisjes, die zich wilden onttrekken aan de lastige verzorging harer kinderen; deels door de aanhangers van de sekte der arioi, waarbij het gebruikelijk was de kinderen te dooden: maar deze sekte, waarover straks nader, was van streng aristokratische natuur en in verhouding tot de bevolking des lands zeer weinig talrijk. Bovendien wisten vele aanhangers der sekte hunne kinderen te verbergen, en stelden zij zich liever bloot aan het gevaar, uit de vereeniging gebannen te worden, dan naar het bevel hun kroost te vermoorden. Daar staat tegenover, dat de vrouwen van haar zestiende tot over haar veertigste jaar kinderen ter wereld brachten; gezinnen van vijftien kinderen waren toen niet, als nu, eene zeldzaamheid. Men mag dus met eenigen grond aannemen, dat ook de kindermoord geene belangrijke vermindering heeft te weeg gebracht bij eene bevolking, die zich zoo sterk vermenigvuldigde.

Ongetwijfeld hebben tot die vermindering het meest de epidemiën bijgedragen. Bijna allen hebben zij het karakter aangenomen van dyssenterie, alleen met uitzondering van de oovi. En toch openbaart ook deze ziekte zich het eerst in de ingewanden, van waar zij zich, van ondragelijke pijnen vergezeld, door al de leden verspreidt, zoodat zij, die er niet van sterven, toch in den regel een hunner ledematen verliezen, dat verlamd en verdord is, en somwijlen tot verrotting overgaat. Eene andere ziekte, die soms de bevolking van gansche distrikten deed uitsterven, is de ohoeretoto, mede een soort van dyssenterie.

De melaatsheid of fefe (elephantiasis) is een soort van chronische ziekte, ongeveer zoo als de jicht, die niet kan genezen worden, maar waarmede men zeer oud worden kan. Men vindt weinig lieden van zekeren leeftijd, die van deze ziekte vrij zijn gebleven. In den aanvang vertoonen zich op het lichaam geen builen of gezwellen; de lijder heeft hevige pijn, vergezeld van koorts; de zetel der ziekte is bij de onderscheidene patiënten verschillend, maar zij keert bij denzelfden patiënt meermalen in dezelfde lichaamsdeelen terug. De heupen, de ruggegraat met inbegrip van de hersenen, en de onderbuik worden doorgaans het eerst en het meest aangetast; later openbaart zich de zwelling bij voorkeur in de beenen, maar ook dikwijls in de handen en armen; die zwelling, eens begonnen, neemt voortdurend toe, met meer of minder snelheid, naar gelang van het individu, en wordt eindelijk zoo hinderlijk, dat de patiënt in het gezwollen lid eenige insnijdingen moet laten doen: hij raakt dan eene groote hoeveelheid water kwijt, waardoor de zwelling tijdelijk vermindert. Na verloop van zekeren tijd vormen zich builen en zweeren, die van zelve schijnen te zullen opengaan. Vrouwen zijn minder onderhevig aan deze ziekte, die bij haar zelden verder gaat dan de periode der zwelling. Op sommige plaatsen heerscht de fefe sterker dan op andere; de inboorlingen schrijven dit voornamelijk toe aan de hoedanigheid van het drinkwater.

De blanken, die naar de wijze der inlanders leven, worden er ook zeer dikwijls door aangetast; opmerkelijk is het, dat een reisje van eenige maanden naar de kust van het vaste land gewoonlijk volledige genezing aanbrengt; maar als men dan terugkeert, kan men er ook bijna zeker van zijn, onmiddellijk weer aangetast te worden. Rhumatiek is zeer algemeen, zelfs bij jonge menschen; maar het klimaat ontneemt daaraan het gevaarlijke en blijvende karakter; de lijders wrijven zich als zij pijn gevoelen en gaan dan een bad nemen. Bij bejaarde menschen wordt de rhumatiek een onafscheidelijke metgezel, die hen bitter lijden doet. Het klimaat en de levenswijze der inlanders maken verkoudheid tot eene zeer algemeene kwaal. Daar men er in den regel geen acht op slaat, gebeurt het dikwijls dat de borst wordt aangedaan: van daar een aantal teringlijders van iederen leeftijd.

Vroeger, voor de aankomst der protestantsche zendelingen, bestonden er op Tahiti drie onderscheidene standen of kasten, die scherp van elkander onderscheiden waren. De eerste was die der arií of vorsten; de tweede die der raátira, kleine opperhoofden of wel eenvoudige grondbezitters; de derde omvatte de manahoene of het volk.

De arií waren heilig en met bovennatuurlijke vermogens begaafd; de spijs, die zij hadden aangeraakt, was taboe, en een doodelijk vergif voor allen, behalve voor degenen, die ook tot de kaste der vorsten behoorden. Onder deze arií was er een familiehoofd, waaraan alle anderen ondergeschikt waren. Dit was dikwijls een kind, en bijna altijd een jonkman, want zoodra hij een zoon had, werd dit kind het wettige hoofd, en de vader vervulde van nu aan de rol van regent. Eene soortgelijke gewoonte heerschte toen in alle familiën; en zelfs nog tegenwoordig heeft deze eigenaardige vereering der kindschheid stand gehouden, in weerwil van het toenemend zedenbederf, en heeft zij alleen de aloude voorvaderlijke overleveringen overleefd.

Deze arií waren waarschijnlijk de afstammelingen van de laatste veroveraars, die deze eilanden onderworpen hadden. Zij hadden zoo vele rechten en voorrechten en zoo weinig plichten, het volk was hun zoo volkomen onderdanig en vereerde hen zoo hoog, dat hunne macht reeds vóór lang moet gevestigd zijn geweest. De naam arií vindt men met geringe afwijkingen, zooals ariki, akariki, kariki, enz., overal terug, van de grenzen van oostelijk Polynesië tot Nieuw-Caledonië, Nieuw-Holland, en zelfs op Madagaskar, zoowel als op de westelijke eilanden; waarschijnlijk brachten de veroveraars dien naam met zich: van waar hij afkomstig is, weet ik niet.

De raátira (ook deze naam vindt men in alle archipels, van de Toeamotoe tot Madagaskar), waren blijkbaar in rang verheven boven de lieden, die niets bezaten, maar stonden ver beneden de arií, die met even onbeperkte macht over hen heerschten als over de massa des volks. Het eenige wat de raátira met de arií gemeen hadden, was dat ook zij met het adellijke meervoud werden aangeduid.

De manahoene konden hunne kaste niet dan door bijzondere gunst verlaten; zij konden tot raátira worden verheven, als de grond, dien zij slechts in vruchtgebruik bezaten, hun in eigendom geschonken werd; maar dit gebeurde niet dikwijls. Zij konden ook teoeteoe arií, dat wil zeggen dienaars van een vorst, worden; dan bezaten zij dikwijls eene groote mate van macht en invloed, maar slechts als vertegenwoordigers van den vorst, dien zij dienden: alleen in den geheiligden naam van den arií konden zij gehoorzaamheid en eerbied vorderen. Dit was het hoogste toppunt, waartoe zij zich verheffen konden.

De marae of oude tempels waren hoogst eenvoudig. In zijn oorspronkelijksten vorm bestond die tempel uit eene ongeveer rechthoekige omwalling, en uit een altaar, dat omstreeks in het midden der ruimte stond en de gedaante had van een recht parallelepipedum. [18] In de marae, op Tahiti en Moorea gevonden, heeft het altaar doorgaans eene andere gedaante: het parallelepipedum eindigt in trappen, die zich over de gansche lengte van de groote zijde, aan de voorzijde van den marae, uitstrekken. Het getal dier trappen verschilde; doorgaans bedroeg het niet meer dan drie. Deze altaren hadden veel overeenkomst met die, welke men in onze kerken ziet; slechts was de bewerking veel ruwer, en waren zij ook van veel grooter afmetingen, want sommigen moeten wel eene hoogte van vijftien el hebben bereikt.

Voor den bouw dezer tempels gebruikte men rotsblokken of ook wel koraal.

Onder de eigenaardige instellingen van deze eilandengroep komt ongetwijfeld eene eerste plaats toe aan het beruchte genootschap der arioi, dat tegelijk met het heidendom verdwenen is. Als stichter dezer vereeniging noemt men zekeren Horotetefa; aanvankelijk van weinig beteekenis, had zij zich gaandeweg over al de eilanden van den archipel uitgebreid. In de laatste jaren van haar bestaan, omvatte zij, naar men beweert, een vijfde deel der geheele bevolking van elk eiland.

De hoofdvoorwaarde voor het lidmaatschap was, geen kinderen te hebben: die moesten bij hunne geboorte aanstonds gesmoord worden. Het lichaam van den kandidaat werd ingesmeerd met de roode kleurstof van den mati (ficus tinctoria). De hoofden werden alleen verkozen op voorwaarde dat zij geene levende afstammelingen mochten hebben. Er waren onder hen verschillende rangen; de lageren waren niet meer dan de bedienden van de hooger geplaatsten, die, als lieden van rang geëerd, geene andere bezigheid hadden, dan zich voor zonsondergang in de rivier te gaan baden, zich het hoofd te bekransen met bloemen, door anderen voor hen geplukt, en den mond open te doen om de spijs te ontvangen, dien arioi van minderen rang hun aanboden. Het leven dezer lieden was een voortdurend feest, verdeeld tusschen dans en zingenot; de vrouwen waren onderling gemeen. De arioi, wien een kind geboren word, werd als onteerd beschouwd en uit het genootschap gebannen, indien hij het niet aanstonds om het leven bracht.

Even als de anderen, gingen ook zij naar den marae, en namen getrouw hunne godsdienstplichten waar. Zij bezaten sommige privilegiën, volgens hun rang; zoo mochten zij zich, bij voorbeeld, sommige zaken zonder betaling toeëigenen; zij kwamen ook bijeen voor de woningen der vorsten, van wie zij kleedingstoffen ten geschenke ontvingen, want zelven vervaardigden zij niets.

Doch alleen in vredestijd leidden de voornaamste arioi dit weelderige leven. In den oorlog waren zij de getrouwste wapenbroeders des konings, en muntten zij in den regel door hunne dapperheid boven anderen uit. De vereeniging was eene ware kweekplaats van krijgslieden, die zich echter niet door voortplanting, maar door aanwerving in stand hield en uitbreidde. Staatkundigen invloed bezaten de arioi niet; zij bleven steeds aan de vorsten en hoofden onderworpen. Uitnemende soldaten in tijd van oorlog, sleten zij in vredestijd hunne dagen in uitspatting en zingenot: hunne vereeniging had nooit een hooger doel dan bevrediging van den lust der zinnen. Zij konden dus moeielijk iemands achterdocht opwekken, en vooral aan deze omstandigheid moet het lange bestaan dezer zonderlinge vereeniging worden toegeschreven.

VI.

Wij besluiten met een blik op het tegenwoordige Tahiti. Wij zullen hier geen verhaal geven der gebeurtenissen, die tot onze tusschenkomst op Tahiti voerden. De eerste aanleiding daartoe was de komst op het eiland van de heeren Laval en Carret, fransche katholieke missionarissen, die vroeger op de Gambier-eilanden gevestigd waren. Hunne prediking lokte botsingen uit met de regeering, die onder den invloed stond der engelsche protestantsche zendelingen; er ontstond eene vervolging tegen de Katholieken, die Frankrijk eindelijk noodzaakte tusschenbeiden te komen. Er moesten echter verscheidene bloedige gevechten geleverd worden, eer de fransche vlag voor goed op het eiland woei, dat later onder fransch protektoraat werd geplaatst.

Pomare, de tegenwoordige koningin van Tahiti, is in 1813 geboren; in 1822 huwde zij voor de eerste maal met Tapoa, welk huwelijk kinderloos bleef; zij liet zich daarom van hem scheiden en huwde toen met Ariífaáite, een der schoonste mannen van den geheelen archipel. Haar oudste zoon is den 13den Mei 1855, in den ouderdom van achttien jaar, aan eene borstziekte overleden, meer dan waarschijnlijk het gevolg der woeste uitspattingen van allerlei aard, waaraan hij zich had overgegeven. De tegenwoordige troonopvolger, Ariíaoëe, is in 1839 geboren. De andere kinderen der koningin zijn: de prinses Teriímaevaroea, in 1840 geboren, en sedert den 3den Augustus 1860 koningin van Borabora; prins Tamatoa, in 1842 geboren, en den 19den Augustus 1857, onder den naam van Tamatoe V, tot koning van Raiatea uitgeroepen, maar eenige jaren later door zijne onderdanen, die hij op gruwelijke wijze mishandelde, afgezet; naar men zegt, is hij, ondanks zijn buitensporig liederlijk leven, de gunsteling zijner moeder; voorts prins Teriítapoenoeï, die kreupel is, in 1846 geboren, de minst bekende der zonen van de koningin. De in 1848 geboren prins Teriítoea Toeavira, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft, is onlangs mede gestorven.

Het grondgebied der tot het protektoraat behoorende staten,--zijnde de eilanden Tahiti, Moorea, Tetoearoa en Maïtea, de eilanden Toeboeaï, Vavitoe en Rapa, de Toeamotoe- en de Gambier-eilanden,--is in distrikten verdeeld; de bevolking is in dorpen gegroept. Elk inwoner is verplicht, eene hut te bezitten, die in behoorlijken staat van zindelijkheid moet worden onderhouden. Is de bevolking van een distrikt weinig talrijk, dan wordt zij met die van een of meer naburige distrikten vereenigd, om te zamen een dorp of gemeente te vormen.

