De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 34
De vreemdeling, die te Papeete toeft en een aardig levendig tooneeltje wil zien, moet des morgens vroeg opstaan en zich naar de markt begeven, die op een der pleinen, in eene overdekte ruimte, gehouden wordt. Aan de eene zijde ziet men de tafels, waarop de Chineezen, die te Papeete gevestigd zijn, koffie en thee te koop aanbieden; aan de andere, reusachtige stapels fruit en visch. Het voedsel der inlanders, hoofdzakelijk aan het plantenrijk ontleend, bestaat uit fei, uit maiore (de vrucht van den broodboom), uit taro en andere boomvruchten. Hun meest geliefde spijs is visch, waarvan de markt altijd ruimschoots is voorzien.
De vruchten van den fei (een soort van banaan), die van den broodboom en van den taro, worden gestoofd op in het vuur verhitte steenen. Des zaterdags, in de landtaal mahana maá (dag der voeding) genoemd, gaan de eilanders naar het gebergte, om de safraankleurige vruchten van den fei in te zamelen.
De dag wordt over het algemeen in werkelooze rust doorgebracht; eerst tegen vier uur in den namiddag begint er wat leven op straat te komen. De Europeanen gaan dan naar de societeit of naar het bad; enkele ruiters en een paar rijtuigen vertoonen zich. Naarmate de avond valt, neemt ook de drukte toe.
De inlanders zijn hartstochtelijke liefhebbers van dans en zang, zooals trouwens bijna alle volksstammen van Oceanië. Als ge eene inlandsche woning binnentreedt, zult ge daar in den regel eenige vrouwen vinden, liggende of neergehurkt, en te zamen de geliefde volksdeunen zingende, met begeleiding van een accordeon, dat hier in hooge gunst staat.
Een openbaar volksfeest, waarvan de dans het hoofdelement vormt, heet op Tahiti úpa-úpa. Als de avond voor zoodanig feest gekomen is, vult zich al spoedig het daartoe aangewezen plein met vroolijke toeschouwers. Mannen en vrouwen zetten zich neder op den grond, rondom een open plek, die voor de dansers wordt vrijgelaten. Het orchest bestaat uit een trommel, die het gezang begeleidt en de maat aangeeft voor den dans; eenige kaarsen, door toeschouwers op de eerste rij in de hand gehouden, verlichten dit zonderling tafreel. Eene vrouw staat op, omwikkelt haar lenden met een doek, en maakt eenige slingerende en golvende bewegingen met haar lichaam, waartoe zich voorloopig de dans bepaalt. Nu plaatst zich een man tegenover haar. De muziek begint. Het dansende paar maakt de onstuimigste bewegingen en de zonderlingste sprongen, telkens meer aangevuurd door het gezang der toeschouwers. De wendingen en draaiingen des lichaams worden al sterker en sterker, tot eensklaps de trommel zwijgt. Haastig keeren de dansers nu naar hun plaats terug, als schaamden zij zich over hetgeen zij gedaan hebben. Na eenige minuten pauze, treedt een nieuw paar op, en de dans begint op nieuw, totdat, ten tien uur, het kanonschot weergalmt, dat het sein tot den aftocht geeft. Binnen weinige oogenblikken, is het plein nu geheel ledig.
De tegenwoordige úpa-úpa, die onder toezicht van de policie staat, heeft maar zeer weinig overeenkomst met de oude nationale dansen, die wij elders, zooals op de Samoa-, en vooral op de Sandwich-eilanden, gezien hebben.
Wordt er geen úpa-úpa gevierd, dan heerscht des avonds de meeste drukte in de straat la Petite Pologne. De Chineezen, die na de oprichting der plantage van Atiamaono op het eiland zijn gekomen, verkoopen thee in de kleine winkeltjes, die deze straat aan beide zijden omzoomen. Die winkeltjes worden vooral druk bezocht door de inlandsche vrouwen, die altijd behoefte hebben om te eten en te drinken.
Alle openbare plechtigheden worden ook hier, evenals bij ons, besloten met een feestmaaltijd, amoeraá maá genoemd. Gedurende ons verblijf woonden wij zoodanigen maaltijd bij, die gegeven werd ter gelegenheid der inwijding van de nieuwe protestantsche kerk. De tafels, tot bezwijkens overladen met allerlei soort van inlandsche gerechten, leverden een uitlokkenden aanblik op. Onder lichte afdakken van groene kokosbladeren opgeslagen, en in rijen geplaatst, besloegen zij een tamelijk groot vierkant, waarvan de eene zijde was ingenomen door de tafels aan welke de autoriteiten plaats hadden genomen. Het is ongeloofelijk, welke hoeveelheden spijs bij die gelegenheden verorberd worden! Kleine varkentjes, zoo in hun geheel, naar inlandsche wijze, gebraden, bergen van fei, maiore, bananen, enz: enz: verdwijnen met wonderbaarlijke snelheid in de magen der inboorlingen, die zich ook aan den wijn niet onbetuigd laten.
De gouverneur laat onzen kommandant weten, dat wij binnen eenige dagen naar Borabora zullen vertrekken. De koningin van dat eiland, dochter van Pomare, zal met ons de reis doen; de naam dier vorstin is Teriímaevaroea. Zij is in 1840 geboren, en regeert, sedert den 3den Augustus 1860, over Borabora en de aanhoorige eilanden; zij leidt aan waterzucht, en men vreest voor haar leven.
Haar gemaal, Tapoa, de verstandigste en meest ontwikkelde Kanak, dien ik op Tahiti ontmoet heb, heeft eenige jaren in Frankrijk doorgebracht met zijn schoonbroeder, den jongsten zoon van koningin Pomare, Tocavira, meer bekend onder den naam van den "Prins van Joinville." Beiden zijn met de fransche taal en gewoonten goed bekend. De koningin van Borabora wordt ook nog vergezeld door haar oudsten broeder, prins Ariíaue, den vermoedelijken troonopvolger; verder bestaat haar gevolg uit Maheanoe, distriktshoofd van Faà, en Manoe, distriktshoofd van Tautira-Meétia.
Den 12den November wordt de bagage der koningin aan boord gebracht. Den volgenden morgen gaan onze booten naar wal, om de talrijke passagiers af te halen. Tegen negen uur komt de koningin met haar gevolg bij ons aan boord. Het vermagerde gelaat van Teriímaevaroea vertoont duidelijke sporen van haar lijden; haar hooge gestalte wordt gebogen door de uitputting eener ongeneeslijke kwaal. Niettemin houdt zij zich veel bezig met haar neefje, een aardigen jongen van vijf jaar, die door iedereen bedorven wordt.
De Vaudreuil vertrekt ten half tien. Wij varen ten noorden voorbij Moorea, waar ik later een bezoek hoop te brengen. Ten zes uur des avonds zijn wij in het gezicht van Hoeahine; en den volgenden morgen, bij het opgaan der zon, verrijst voor onze blikken de zoo eigenaardig gevormde bergtop van Borabora. De Vaudreuil vaart ten noorden van het eiland om, en werpt, volgens de aanwijzing van den inlandschen loods, het anker uit voor het dorp Faánoei, waar de koningin haar verblijf houdt. Ten half tien uur verlaat de vorstin met haar gevolg het schip, onder het salvo van een-en-twintig kanonschoten, terwijl de vlag van Borabora van den grooten mast wappert.
Borabora, het kleinste der Gezelschaps-eilanden, vormt met de miniatuur-eilandjes Motoe-Iti, Mapiha on Toeboêai-Manoe, eene afzonderlijke groep. Op het midden des eilands verrijst de berg Pahia, die eene hoogte van omstreeks duizend el bereikt. De buitenste rand van het omringende rif is hier niet, zoo als elders, nu eens boven, dan weer onder water, hier vlak en naakt en daar begroeid: neen, de gansche koraalbank is overal met kokospalmen beplant. Verbeeld u een bloemruiker in een groenen krans--ziedaar Borabora!
Wij keeren naar Tahiti terug.
De kommandant onzer nederzettingen in Oceanië volbrengt ieder jaar de rondreis om het eiland, ten einde de verschillende distrikten te bezoeken, persoonlijk onderzoek te doen naar de behoeften en wenschen der inboorlingen, den toestand der openbare werken, der scholen enz. na te gaan: in één woord, om door eigen aanschouwing met de aangelegenheden des lands en der bevolking vertrouwd te worden. Het grootste gedeelte der bezetting vergezelt hem op dien tocht. De gouverneur noodigt ons uit om deel te nemen aan het kleine militaire feest, dat te Taravao moet plaats hebben.
Den 11den December verlaat de Vaudreuil Papeete en zet koers naar de fraaie haven van Phaéton, ten westen van de landengte, die Tahiti met het schiereiland Taiarapoe verbindt. Wij varen langs de westkust van Tahiti, die ik voor het eerst aanschouw; de zee gaat tamelijk hoog; de lucht is bewolkt. Wij herkennen de haven van Papeoeriri, waar enkele goëletten voor anker liggen. Even te voren waren wij langs de plantage van Atiamaono gevaren, kenbaar aan de groote woning, schilderachtig op den top van een heuvel gelegen.
Na een vaart van vijf uur, houden wij stil op een mijl afstands van de haven van Phaéton, om de aankomst eener sloep af te wachten, waarin zich de luitenant der marine bevond, die belast was met het vervaardigen eener nieuwe kaart van dit prachtige bekken. Onder zijne bekwame leiding, varen wij door een der beide smalle openingen in het rif, die den toegang tot de haven vormen, een lastig vaarwater, waarin een geweldige stroom gaat, die ons schip rechts en links deed slingeren. In de ruime haven gekomen, werpen wij het anker uit, en worden begroet door een geweldigen stortregen. Trouwens daarop moeten wij bedacht zijn: wij zijn toch in den regentijd, en het schiereiland heeft den naam, dat daar meer regen valt dan op eenig ander punt van het eiland.
Den volgenden morgen begaf de gouverneur zich met zijn gevolg en de soldaten naar Taravao, waar door de inboorlingen, die ook uit de naburige distrikten waren toegestroomd, de noodige toebereidselen waren gemaakt om hem te ontvangen.
De militaire vertooning bestond uit een geveinsden aanval op het fort, dat op het hoogste punt der landengte is gebouwd. De mariniers en een der kanonnen van de Vaudreuil voegden zich bij de aanvallers. Dit spiegelgevecht, waarbij dapper geschoten werd, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling op der inboorlingen, die uit den geheelen omtrek waren saamgestroomd om van dit schouwspel getuige te zijn. Het fort werd genomen, zonder dat men andere ongelukken te betreuren had dan een val van het paard: gelukkig had de ruiter zich daarbij niet al te erg bezeerd.
Toen ik aan boord terugkeerde, vond ik mijn schip vol inlandsche bezoekers; zij hadden zich overal verspreid; zelfs in mijne hut betrapte ik twee mooie inlandsche meisjes, die met alle aandacht de tegen den wand hangende photografiën bekeken. Geheel de bont gekleurde menigte, in feestgewaad gehuld en met geurige monoi geparfumeerd, die bij de bestorming van het fort tegenwoordig was geweest, had het schip overrompeld en stelde zich aan, of zij zich op haar eigen terrrein bevond. Tot onzen spijt moesten wij hun eindelijk aanzeggen, dat het tijd was om te vertrekken: in een oogwenk waren nu de talrijke kleine prauwen, die de Vaudreuil omringden, tot zinkens vol geladen, en in vroolijke stemming keerden de gasten naar hunne woningen terug.
Den volgenden morgen kon de Vaudreuil naar Papeete terugkeeren, terwijl de gouverneur zijn rondreis door de oostelijke distrikten zou vervolgen. Onze kommandant, die zijn officieren altijd gaarne pleizier doet, had een mijner kameraden en mij vergund, de uitnoodiging om dien tocht mede te maken, aan te nemen. Maar eenige uren voor ons vertrek ontvingen wij de treurige tijding van het overlijden der kleindochter van de koningin Pomare: en dit bracht verandering in ons programma. De gouverneur en de soldaten kwamen weder aan boord van de Vaudreuil, om dadelijk naar Papeete terug te keeren.
De begrafenis van de kleine prinses geschiedde met de grootst mogelijke staatsie. Do koningin was zeer aan dit kind gehecht, en van alle kanten beijverde men zich om te toonen, hoezeer men deelde in hare smart over dit verlies. De tijding van het overlijden van Teriínoeïmoanaiterai, in alle distrikten van Tahiti en Moorea bekend gemaakt, deed het grootste deel der bevolking van deze beide eilanden naar Papeete optrekken. Alle inboorlingen droegen rouwkleederen; de meeste vrouwen hadden zich, volgens een oud barbaarsch gebruik, dat nog in stand is gebleven, het hair afgeknipt. Daar de geheele koninklijke familie de protestantsche godsdienst belijdt, had de ceremonie ook in de protestantsche kerk plaats. Nog zie ik dien eindeloozen optocht, dubbel treurig en somber door de zwarte kleederen der inlanders. Natuurlijk werd deze begrafenis opgeluisterd door de deelneming der militairen. Van uur tot uur liet de Vaudreuil een kanonschot hooren. Het lijk van het jeugdige prinsesje werd bijgezet in eene hut, die de koningin op het terrein van haar paleis had laten oprichten; later zou het naar de officieele begraafplaats der Pomare's te Papaoa worden overgebracht.
IV.
Eenige dagen na de begrafenis der kleindochter van Pomare, ontving ik eene uitnoodiging, die mij hoogst welkom was. Een officier van administratie bij de koloniale dienst, de heer E..., met wien ik dadelijk na onze komst te Papeete kennis had gemaakt, moest naar Moorea gaan, om de europeesche bevolking van dat eiland te tellen; hij verzocht mij nu, met hem te gaan. Men had hem, voor de uitvoering zijner taak, een der notabelen van het eiland, den heer B... lid van den raad van bestuur, dien ik ook kende, toegevoegd, benevens een ondergeschikt ambtenaar, die de functiën van secretaris zou waarnemen. De kommandant van de Vaudreuil schonk mij, met zijne gewone welwillendheid, de vereischte vergunning.
Zonder verwijl hield de heer E... zich nu onledig met de toebereidselen voor onze reis: alles werd zoo ingericht, dat ons verblijf zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk zou zijn. Daar wij ongeveer een week op Moorea zouden vertoeven, was het noodig een goeden voorraad levensmiddelen mede te nemen, tenzij wij ons tevreden wilden stellen met de inlandsche keuken, waartoe wij niet veel lust gevoelden. De eenige plaats, waar wij op een europeesch gastvrij onthaal konden rekenen, was in de baai van Papetoai, waar de heer M..., een italiaansch geneesheer, een fraaie suikerplantage bezat. Een mijner kennissen van de militaire societeit te Papeete, de heer Vallès, gepensioneerd kapitein der mariniers, die mede in dit gedeelte van het eiland woont en zich met landbouw bezig houdt, had mij doen beloven dat, zoo ik ooit op Moorea kwam, ik bij hem mijn intrek zou nemen. Doch daar de baai van Papetoai zoo wat ter halverwege op onze voorgeschreven reisroute lag, moesten wij toch een aanzienlijken voorraad mondbehoeften medenemen.
Wat de vervoermiddelen aangaat, was de heer E... spoedig en geheel naar wensch geslaagd. Hij had eene overeenkomst getroffen met het opperhoofd van Afareaitoe, die naar Papeete was gekomen om bij de begrafenis van Teriínoeïmoanaiterai tegenwoordig te zijn: hij zou eerlang naar Moorea terugkeeren, en wij zouden in zijne sloep medevaren. Dag en uur van vertrek was bepaald; maar toen onze bagage ter inscheping op de kaai gereed lag, deelde de bemanning der sloep ons mede, dat er nog geen bevel gegeven was om te vertrekken. De heer E..., die in den loop van den ochtend het opperhoofd in niet volkomen nuchteren toestand had ontmoet, begrijpt aanstonds waaraan dit oponthoud is te wijten. Wij gaan mitsdien onzen vriend opzoeken, en vinden hem, tamelijk beschonken, drinkende in gezelschap van den jongsten zoon der koningin. De kerel zegt ons, dat hij niet wil vertrekken.
Wat nu te doen? De heer E... is woedend, maar met dien dronkaard valt niet te redeneeren. Wij keeren naar de kaai terug, waar de heer B... is achtergebleven om op de bagage te passen; hij deelt ons mede, dat de eigenaars van onderscheidene sloepen vurig wenschen naar hunne woning terug te keeren, maar dat zij op last der koningin verplicht zijn te Papeete te blijven.
De heer E... zegt, dat hij in het belang der dienst opheffing van dat verbod zal vragen, wanneer een der eigenaars wil beloven, dat hij onmiddellijk vertrekken zal, zoodra Pomare daartoe toestemming zal gegeven hebben. Een hunner is daartoe gaarne bereid, en wij begeven ons zonder verwijl naar de koningin, bij wie wij ook aanstonds worden toegelaten. De arme vrouw zit neergehurkt op een mat; haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van het verdriet, door het overlijden harer kleindochter haar veroorzaakt. Een harer schoondochters, de "Prinses van Joinville", legt haar uit wat wij eigenlijk verlangen. De koningin antwoordt, dat zij niemand verboden heeft te vertrekken, zoodat hier waarschijnlijk aan een misverstand is te denken. Wij danken haar voor haar welwillendheid, en keeren haastig naar de kaai terug. In een oogwenk is nu onze bagage aan boord gebracht, en wij zijn op weg.
Van Tahiti gezien, schijnt het eiland Moorea bij uitnemendheid schoon, vooral door de fantastische gestalten der eigenaardig gevormde bergtoppen. Een daarvan, die tot de hoogste en steilste behoort, is juist onder den bovensten top geheel doorboord. Reeds op onzen tocht van Papeete naar de haven van Phaeton, had deze zonderlinge opening in den berg onze aandacht getrokken. Volgens de legende, zou dat gat veroorzaakt zijn door de lans van een der aloude reuzen, die zijn wapen met kracht tegen den rotswand had geslingerd.
Ongelukkig is het bladstil; de zonnestralen vallen loodrecht op ons neder. Al de Kanaks zijn bezig met roeien; zij zijn aan dien arbeid gewoon, en dank aan hunne stevige vuisten, gaan wij vlug vooruit. In mijne hoedanigheid van zeeman, wordt mij het roer toevertrouwd; ik stuur zoo dicht mogelijk langs de Vaudreuil, die op het water ingedommeld schijnt. Wij moeten elf zeemijlen afleggen, eer wij aan het dorp Afareaitoe komen, waar wij zullen ophouden. Wel is er geen wind, maar onze roeiers zullen wel zorgen dat wij vóór den nacht aankomen, want de zee is spiegelglad en doodstil. Het is smoorheet; om mijn brandenden dorst te lesschen, verslind ik een aantal versche kokosnoten, die, zoo als men weet, eene aanzienlijke hoeveelheid vocht, zoogenoemde kokosmelk, bevatten.
Een uur na ons vertrek, beginnen zich op de spiegelgladde oppervlakte der zee enkele rimpels te vertoonen, de welkome boden van den zoo lang verwachten wind. Viktorie! Na eenige aarzelingen, begint er inderdaad, en wel uit de goede richting, een fiksche bries te waaien; de roeispanen worden naar binnen gehaald, en de twee zeilen der sloep geheschen.
Er zijn in het geheel een dozijn menschen aan boord, waaronder eenige vrouwen en kinderen. Allen zijn even opgewekt en vroolijk; sommigen rooken of zingen, om den tijd te verdrijven; anderen houden hunne siësta. De inlandsche sigaren worden op de eenvoudigste wijze vervaardigd: een op het vuur gedroogd tabaksblad wordt in een pandanusblad gewikkeld--en de sigaar is gereed. Die de sigaar aansteekt, doet er twee of drie trekken aan, blaast den rook door zijn neus uit, en reikt de sigaar vervolgens aan zijn buurman over; zoo gaat zij van mond tot mond, tot zij geheel opgerookt is.
Zoodra de zeilen geheschen zijn, neemt de eigenaar mijne plaats aan het roer in. Een uur voor zonsondergang varen wij een ruime baai binnen, gevormd door het rif, dat, even als bij Tahiti, het eiland op eenigen afstand als een gordel omgeeft. Wij leggen aan voor het dorp Afareaitoe: het is bijna verlaten, daar schier al de inwoners naar Papeete waren gegaan, om bij de begrafenis der prinses met den onuitsprekelijken naam tegenwoordig te zijn. De vader van onzen drinkebroer, die te Papeete is achtergebleven, neemt, bij de afwezigheid van zijn zoon, de functiën van opperhoofd waar; hij komt ons plechtstatig begroeten en welkom heeten. Onze bagage wordt naar de woning van het opperhoofd gebracht, waar de ambtenaren der kolonie het recht hebben, hun intrek te nemen.
Het uur voor het middagmaal, waarnaar wij zeer verlangden, was daar. Hetgeen het opperhoofd ons had aan te bieden, was voor europeesche magen van niet veel beteekenis. Echter gelukte het ons, eenige versch gevangen visch te koopen; gevogelte was er in het dorp in overvloed. Wij kochten een jongen haan, die verschrikt wegvluchtte toen men hem wilde pakken: ik joeg hem een kogel na, die hem neervelde. Terwijl de heer B.... en de secretaris der commissie zich onledig houden met het bereiden van onzen maaltijd, en de heer E.... aan den mutoi van het distrikt de noodige bevelen geeft om de hier gevestigde Europeanen van de komst der commissie te verwittigen, ga ik het dorp eens bekijken, hetgeen niet veel tijd vordert.
Een beek, die ten oosten langs het dorp vloeit, biedt eene uitmuntende gelegenheid aan om een bad te nemen. De oevers zijn geheel bezet met zwaar geboomte, waarvan de overhangende takken boven het heldere murmelende water een dicht gewelf vormen, waardoor de zonnestralen zich niet dan met moeite een weg kunnen banen. Bijna al die beeken en riviertjes vormen zoo, van afstand tot afstand, liefelijke, wel beschaduwde kommen, die u uitlokken tot het nemen van een verfrisschend en weldadig bad.
Terugkomende, vond ik de tafel gereed onder de veranda voor het huis. De maaltijd liet niets te wenschen over, en onze geïmproviseerde koks verdienden ten volle de complimenten, die hun wegens hunne bekwaamheid werden gebracht. Het opperhoofd, uitgenoodigd met ons aan te zitten, liet zich de spijzen voortreffelijk smaken, zoodat onze voorraad erg verminderde; wij besloten dadelijk, dat deze uitnoodiging niet zou worden herhaald. Welk een virtuoos in het eten was die man!
Na afloop van den maaltijd, dien wij gedeeltelijk bij lamp- en kaarslicht genoten--de lamp was met gezuiverde kokosolie gevuld--, begaf zich ieder naar de voor hem bestemde kamer. De dag was vrij vermoeiend geweest, en na nog een uurtje gepraat te hebben, gingen wij ter welverdiende ruste. De overige bewoners van het dorp en onze gastheer hadden zich reeds te bed begeven.
De volgende dag was een zondag; den geheelen morgen door regende het onophoudelijk: aan uitgaan viel niet te denken, en wij hadden geen enkel boek bij ons. Wij wisten geen beter middel om den tijd te dooden, dan te gaan kaartspelen. Gelukkig bracht de namiddag ons eenige afwisseling; de weinige bewoners, die in het dorp waren achtergebleven, begaven zich, als naar gewoonte, ter kerk, die nabij de woning van het opperhoofd staat. Ook wij gingen daarheen. De houding der kleine gemeente was alles behalve stichtelijk; de toehoorders, meest vrouwen en kinderen, zaten en lagen, in de meest achtelooze houdingen, op de matten, die den vloer bedekten. Bij afwezigheid van den engelschen zendeling, nam het opperhoofd zelf de dienst waar.--Wij keeren naar huis terug, om onze siësta te houden. De heer E.... komt nu tot de ontdekking, dat de oude vrouw, die bij het opperhoofd inwoont, de deur heeft opengebroken van de kamer, waar onze voorraad bewaard wordt. Het blijkt dat zij den wijn en de sterke dranken duchtig heeft aangesproken; trouwens haar gelaat vertoont daarvan de onmiskenbare sporen, al houdt zij sterk en stijf staande, dat zij niet meer dan een slokje geproefd heeft. Wat zij gebruikt had, zou voldoende geweest zijn om drie sapeurs dronken te maken!
Intusschen was het nog harder gaan regenen; wij moesten dus wel rustig onder de veranda blijven zitten. Het opperhoofd is een suffige grijsaard, dien wij vergeefs aan het praten trachten te brengen; hij verstaat ons maar half, en schijnt meer of min kindsch.
Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, gaan wij--de heer E.... en ik, vergezeld van eenige Kanaks--op weg, om wilde varkens te schieten; onze gidsen verzekeren ons, dat wij die dieren op korten afstand van het dorp zullen aantreffen. Intusschen keeren wij, na een uiterst vermoeienden marsch door het dichte kreupelhout, terug, zonder een varken gezien of een schot gelost te hebben. De heer E.... houdt zich dien dag verder bezig met de inschrijving van de europeesche bevolking uit den omtrek. Drie of vier arme drommels, half verwilderd en verstompt door een langdurig verblijf in het eiland, komen zich aanmelden. Een hunner, een gewezen scheepstimmerman, heeft bijna al de sloepen van het eiland gemaakt.
Wij hebben nu te Afareaitoe niets meer te doen; ons vertrek wordt mitsdien tegen den volgenden morgen bepaald.