De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 33
De huizen langs het strand duiken half weg in de schaduw van prachtige boomen, ter wederzijde van de kaai geplant. Natuurlijk ziet men hier ook de winkels en magazijnen der voornaamste handelaars. De straten, die naar de binnenstad voeren, loopen allen op deze kaai uit. Wij willen eene daarvan inslaan, bij voorbeeld die tegenover de fontein. Aanstonds verandert het tooneel. Ge bevindt u te midden van een uitgestrekt park, waarvan de breede, rechthoekige straten van Papeete de statige lanen zijn. Ter wederzijde schuilen, onder het dichte lommer, te midden van het weelderigst groen, de smaakvolle, bevallige woningen; schaduw en frischheid en geur allerwege; het is eene opeenvolging van schilderachtige, liefelijke groepen: een geheel, zoo bekoorlijk, als ge het zoudt kunnen wenschen. Vooral des avonds, als de hitte des daags voorbij is, is het een onbeschrijfelijk genot, door deze lommerrijke straten te wandelen, en den frisschen zeewind met volle longen in te ademen. Geen woorden kunnen uitdrukken, wat ik op deze heerlijke plekjes zoo vaak genoten heb, en voor mij onvergetelijk blijft.
En de inboorlingen! Hoe volkomen passen zij bij deze bekoorlijke omgeving. De vrouwen vooral, met haar vrijen lossen gang, met haar schitterend gekleurde, witte, groene, roode of veelkleurige gewaden, die geheel los en vrij haar om de slanke leden golven. Haar rijke, schitterend zwarte hairlokken zijn versierd met een bevalligen krans van pia, waarvan de bleek gele kleur met gouden weerschijn op het voordeeligst afsteekt bij het blinkend zwart van haar lange lokken; een vriendelijke glimlach speelt om haren mond; haar klankrijke, zangerige stemmen doen u denken aan vogelengekweel. En over dit alles speelt het fantastisch, veelvuldig gebroken en gekleurde licht, dat zich door dezen dichten lommer een weg baant en wondere tinten toovert op de onbeschrijfelijk schoone schilderij. Hoe een kunstenaar hier genieten zou!
De gewone kleeding der inboorlingen bestaat uit een langwerpige lap gekleurd katoen, pareoe genoemd, die bij de vrouwen de plaats van den rok, bij de mannen die van den pantalon vervult. Deze lap, die van de heupen tot de enkels reikt, wordt stevig om den middel gewonden en vastgestoken. Daarover dragen de vrouwen eene lange hooge jurk zonder lijf, die veel overeenkomst heeft met een gesloten peignoir; de mannen, een loshangend hemd van europeesch maaksel.
Doorgaans gaan de vrouwen op Tahiti blootshoofds; haar hair is eenvoudig gescheiden en golft vrij en los over de schouders. Meestal dragen zij op het hoofd geen ander sieraad dan de witte bloemen van de tiare; maar somwijlen tooien zij, en ook de zoogenaamde fáieie, dat wil zeggen, de jonge dandys, de fatten, zich met den dusgenaamden horo, een zeer smaakvol ornament. Deze horo wordt gemaakt van een fijnen stengel of stokje, ter lengte van tien tot vijftien duim. Aan het eene uiteinde van dit stokje worden, een voor een, een aantal kleine, welriekende en altijd groene blaadjes gestoken van eene orchidee, maire genoemd, die op de bergen groeit. Men verkrijgt alzoo een groenen krans van twee tot drie duim in doorsnede. Het andere uiteinde van het stokje wordt in den steel bevestigd der groote, zoo heerlijke geurige bloem van de tiàre (gardenia tahitense), die met haar prachtigen witten krans als een ster tusschen deze groene kroon schittert. Ook van de fijne bladeren der kokospalmen weten de vrouwen een smaakvollen krans te vervaardigen, dien zij op haar lokken drukken. De gewone hoofdbedekking voor mannen en vrouwen is de zoogenaamde hei, een kroon van bloemen en bladeren.
Als zij in de zon moeten gaan, zetten de vrouwen een stroohoed op, die uit Zuid-Amerika afkomstig is; op feestdagen daarentegen dekken zij zich het hoofd met hoeden van inlandsch maaksel, van de schors der pia (tacca pinnatifida) vervaardigd. Ook de mannen dragen strooien of zoogenoemde panama-hoeden.
De eilanders gaan in den regel barrevoets; sommige dames echter trekken, bij plechtige gelegenheden, kousen en schoenen of laarsjes aan; maar het is niets zeldzaams, haar deze foltertuigen, waaraan zij niet gewoon zijn, in de hand te zien dragen. Bij openbare feesten en dergelijke buitengewone gelegenheden, kleeden de rijke Tahitianen zich geheel naar europeeschen smaak.
Des avonds is het op de straten van Papeete zeer druk en levendig. Vooral na acht uur des avonds heerscht er eene buitengewone beweging en vroolijke levendigheid. Ongelukkig genoeg, is die vroolijkheid zeer dikwijls niet anders dan het gevolg van dronkenschap, die hier inderdaad een nationale ondeugd geworden is. Het misbruik van sterken drank, door de Europeanen hier ingevoerd, is een der oorzaken van den achteruitgang der inlandsche bevolking. Wellust en eene ongezonde levenswijze dragen daartoe mede het hunne bij: het ontgaat dan ook de aandacht van den vreemdeling niet, dat men hier zoo weinig bejaarde lieden aantreft.
Niettegenstaande dit onmiskenbaar verval, heeft de inlandsche bevolking van Tahiti nog weinig of niets van haar oorspronkelijk karakter verloren. Het zijn nog altijd diezelfde schoon gevormde, krachtig gebouwde athleten, zoo als Cook, Quoy, Lesson, Dumont d' Urville en zoo vele anderen ze ons in hunne reisverhalen geteekend hebben. De vrouwen ook zijn nog dezelfde bevallige sirenen, met haar zacht zangerig geluid, zorgeloos, gemaklievend, van den eenen dag op den anderen levend, zich louter aan vermaak en genot wijdende, met bloemen bekroond; en nog altijd verdient het eiland in zekeren naam van Nieuw-Kythere, door Bougainville aan Tahiti gegeven.
Bieden de straten des avonds een zeldzamen aanblik, niet minder aantrekkelijk is het schouwspel, dat de reede, omstreeks dienzelfden tijd, dikwijls te aanschouwen geeft. In duistere en kalme nachten gaan de Kanaken uit visschen nabij de koraalriffen; de kleine prauw glijdt langzaam en geruischloos over de stille wateren. Op de voorplecht staat de visscher, het bovenlijf een weinig over het water gebogen, den rechterarm opgeheven om te treffen, het oog strak op de golvende oppervlakte gevestigd; in de linkerhand houdt hij een fakkel, rama genoemd, van gedroogd riet vervaardigd; achter in de smalle schuit staat een zijner kameraden, die met zijn pagaai het ranke vaartuigje bestuurt. Somwijlen is de geheele omtrek der baai verlicht door den weerglans der roode fakkels in de tallooze bootjes van deze visschers.
Een koerier brengt ons de orders van het gouvernement: gedurende eenige maanden zal de Vaudreuil hier blijven, ten behoeve der lokale dienst. Ik denk er dus aan, mij aan wal een tijdelijk verblijf in te richten. Een mijner kameraden stelt mij voor, te zamen eene woning te huren. Ik stem hierin gaarne toe, en wij huren met ons beiden een huisje aan den voet des heuvels, waarop de seintoestel staat.
De europeesche woningen te Papeete zijn doorgaans van hout gebouwd; tot afwering van de vochtigheid, is de vloer eenige voeten boven den grond verheven, en rust op gemetselde pilaren. Ons huis is omringd door een grooten tuin, met een houten heining afgesloten; een twintigtal groote kokosboomen tooien deze ruimte. Niets ontbreekt ons, zelfs niet een badkamer, die, het is waar, wel zeer eenvoudig is ingericht, maar weelde zou hier tot niets dienen. Huizen als het onze, die niet op fondamenten zijn gebouwd, kunnen zeer gemakkelijk verplaatst worden. Ik herinner mij, dat eene der straten te Papeete op zekeren dag geheel verstopt was door een huis, dat de eigenaar naar eene andere plek overbracht.
Binnen de stad treft men weinig inlandsche woningen aan. Deze zijn, over het algemeen, zeer ruim, luchtig en zindelijk. De muren, van gevlochten bamboes vervaardigd, zijn niet hoog; de hard gestampte bodem is met matten belegd.
Bijna overal vindt men bedden, die laag bij den grond en zeer breed zijn. Het bed of ledekant bestaat uit een vlechtwerk van nape, een soort van touwwerk, van kokosvezels gevlochten; daarop legt men een met gedroogde banaanbladeren gevulden zak, en een met katoen opgevulde matras. Aan de vier hoeken verheffen zich vier houten stijlen, waaraan een gazen gordijn bevestigd wordt: een onmisbare voorzorgsmaatregel tegen de bloeddorstige muskieten, die hier zeer talrijk zijn.
II.
Het eiland Tahiti splitst zich in twee onderscheidene, zeer ongelijke deelen: het eigenlijke Tahiti en het schiereiland Taiarapoe, dat aan het grootere eiland verbonden is door een landtong van ongeveer twee kilometers breedte, waarvan het hoogste punt, waarop het kleine fort Taravao ligt, zich tot omstreeks veertien el boven de zee verheft. Elk dezer twee schiereilanden heeft een bijkans ronde gedaante, en is voor een deel bedekt met hooge bergen, blijkbaar van vulkanischen oorsprong. De hoogste toppen zijn, op Tahiti, de Aorai (tweeduizend-vier-en-zestig el), en de Orohena (tweeduizend-tweehonderd-zes-en-dertig el); en op Taiarapoe, de Nioe (dertienhonderd-vier-en-twintig el).
Dezelfde vulkanische werking, waaraan Tahiti zijn oorsprong dankt, hief waarschijnlijk ook het eiland Moorea, de Gambier-eilanden, Toeboeai en misschien nog andere eilandengroepen van Polynesië, boven de wateren op. Bij de Toeamotoe-eilanden was de opheffende kracht blijkbaar minder sterk; hier hebben zich langs de randen der bijna tot aan het watervlak opgeheven kraters koraalriffen en banken gevormd, en daardoor zijn, na verloop van tijd, die lage eilanden ontstaan, waarvan het binnenmeer tegenwoordig de plaats van den uitgedoofden krater vervangt.
De bodem van Tahiti, hard en steenachtig op de toppen der bergen, bestaat op de lagere plateaux zeer dikwijls uit vaste leem en klei; maar in de valleien en langs den oever der zee vindt men eene dikke laag van uiterst vruchtbare aarde, die het eiland geschikt maakt voor de kultuur van alle tropische gewassen. Deze vruchtbare strook langs de zee is geheel vlak; op sommige plaatsen is zij zeer smal, op andere heeft zij eene breedte van ruim drie kilometers. Deze aardlaag rust op eene koraalbank. Zij heeft eene bebouwbare oppervlakte van omstreeks vijf-en-twintig-duizend bunders.
Schier dit geheele vlakke en vruchtbare gedeelte van het eiland is letterlijk ingenomen door de goyave (psidium pyriferum) of de toeava, zooals zij in de landtaal genoemd wordt. Deze plant vormt hier dichte boschages, die alle andere gewassen doen sterven, zelfs oude, hooge boomen, aan wier voet zij met ongeloofelijke weelderigheid groeit. De goyave, die eerst in 1815 op het eiland werd ingevoerd, bedekt tegenwoordig de bergen tot eene hoogte van minstens zeshonderd el. In de valleien neemt zij bijna de gedaante van een boom aan; op de bergen overtreft zij zelden een struik in grootte. Haar snelle wasdom gedurende den regentijd en de krachtige voortplanting door de dieren, die zich met hare vruchten voeden, maken deze plant tot een ware plaag, die de ontginning van onbebouwde gronden zeer moeilijk en kostbaar doet zijn.
De geheele oppervlakte van Tahiti bedraagt honderdvierduizend-tweehonderd-vijftien bunders; die van Moorea bedraagt dertienduizend-tweehonderd-zeven-en-dertig bunders.
Bijna de gansche kust van het eiland is door een reeks koraalriffen omgeven.
Als wij Papeete in westelijke richting verlaten, bereiken wij weldra het distrikt Faá, waar de eerste proeven zijn genomen met de koffiekultuur; de koffietuinen staan tegenwoordig in vollen bloei, en de vrucht is van zeer goede hoedanigheid. De koningin, een Franschman, de heer B...., en verscheidene inboorlingen hebben hier belangrijke aanplantingen van kokospalmen aangelegd.
De Poenaroeú, een van de voornaamste rivieren van het eiland, stort zich in het distrikt Poenavia in zee. De vallei, waardoor deze rivier stroomt, was in 1845 het tooneel van een der hevigste gevechten, die de Franschen tegen de inboorlingen moesten leveren. Deze vallei loopt naar het hart des eilands, naar den Maiao of Diadeem, een berg, ter hoogte van twaalfhonderd-negen-en-dertig el, en staat daar in gemeenschap met de valleien van Fautahoea on Papenoó. Te Tapoena, in hetzelfde distrikt, bevindt zich een kleine haven, die door het kanaal van denzelfden naam met de zee in gemeenschap staat.
In het distrikt Poenavia, en vooral in dat van Paea, vindt men aardige riviertjes en vruchtbare landouwen; ook zijn daar vele europeesche woningen. De distrikten Papara en Atiamaono behooren mede tot de belangrijkste gedeelten van het eiland, zoowel door hunne betrekkelijk talrijke bevolking, als door de groote uitgestrektheid vruchtbaar, voor bebouwing uitnemend geschikt terrein, dat zij bevatten.
Eenige jaren geleden stichtte eene engelsche maatschappij, op Tahiti door den heer Stewart vertegenwoordigd, in het distrikt Atiamaono, een uitgebreid etablissement met plantages voor de katoenteelt. Een duizendtal chineesche koelies werden naar de gronden, die aan de maatschappij waren afgestaan, overgebracht. Reeds waren eenige honderden landverhuizers, meest allen uit den Cook-archipel afkomstig, daar sedert eenigen tijd aan den arbeid. Na de aankomst der chineesche koelies werd de plantage uitgebreid en de kultuur op groote schaal aangelegd.
Een houten brug van vrij bombastischen stijl verleent toegang tot de plantage. Die brug ligt over eene rivier, die een deel des jaars bijna droog is, maar die door de geweldige regens van den zoogenaamden winter, even als alle rivieren des eilands, in een onstuimigen, bruisenden stroom veranderd wordt. De aandacht der bezoekers wordt aanstonds getrokken door de hutten der inboorlingen van den Cook-archipel; zij staan op een soort van terras of platform, dat op balken rust, en hebben met den beganen grond gemeenschap door middel van een ladder, dien men naar verkiezing kan wegnemen. Deze manier van bouwen vond ik terug op verschillende eilandengroepen van centraal Polynesië, vooral ook op het fraaie eilandje Rotoemah. Ik durf niet beslissen, wat de bewoners dezer eilanden beweegt, aldus hunne woningen op een stellage te bouwen: ongetwijfeld geschiedde dit aanvankelijk met een bepaald doel, misschien wel uit een oogpunt van veiligheid en verdediging; later is deze gewoonte, wellicht zonder verder nadenken, als eene overoude traditie, stilzwijgend door de volgende geslachten in stand gehouden.
Tijdens mijn tweede bezoek op Tahiti, verkeerde de plantage in blijkbaar verval; nadat de termijn van hun contract verstreken was, hadden de Chineezen zich terug getrokken en waren voor eigen rekening zaken gaan doen: hun vertrek scheen de onderneming een doodelijken slag te hebben toegebracht.
Wij vervolgen onzen tocht om het eiland. In het distrikt Mataiea vindt men Papeoeriri met eene goede haven. Deze omstandigheid, gepaard aan de vruchtbaarheid van den grond, heeft al vroeg aanleiding gegeven, dat zich hier kolonisten vestigden. Het distrikt levert veel oranjeappelen op, die in groote hoeveelheden naar San-Francisco worden uitgevoerd; men vindt hier de vallei Vaihiria, door de rivier van denzelfden naam besproeid. Aan het uiteinde van die vallei, ter hoogte van vierhonderd-dertig el boven de zee, ligt een meer, bijna cirkelvormig van gedaante, met eene doorsnede van omstreeks een halven kilometer, en aan alle zijden door hooge sombere bergen ingesloten. Voor zoo ver men kan nagaan, staat dit meer in geenerlei gemeenschap met de zee; het water is koud en zeer diep. Waarschijnlijk is dit een uitgebrande krater; sommigen schrijven echter het ontstaan van dit meer toe aan een bergstorting, waardoor de uitgang der vallei zou zijn verstopt, zoodat het water, dat vroeger naar de zee afvloeide, nu wordt opgehouden. Een uitstapje naar dit meer gaat niet alleen met veel moeite, maar ook met gevaar gepaard. In 1847 heeft de welbekende reizigster, mevrouw Ida Pfeiffer, niettemin dien tocht gewaagd.
Op de hoogte van Papeari wordt de grond eenigszins moerassig, dan weder bergachtig; een prachtige, met bosschen van oranjeboomen omzoomde weg voert naar Tavarao. De omstreken van Tavarao zijn weinig bevolkt. Van hier naar Papeete terugkeerende, gaat men door het distrikt Hitiaá, dat een goede haven heeft, en bovendien rijk is aan bosschen en vruchtbare valleien; de rivieren zijn hier breed, en tot op vrij grooten afstand van zee bevaarbaar. De handel in chinaas- of oranjeappelen is hier zeer levendig.
Deze vruchten zijn een zeer belangrijk artikel voor den handel tusschen den archipel van Tahiti en San-Francisco. Zij worden hier ingekocht voor vijf-en-twintig francs het duizend, welke prijs doorgaans in natura of in andere koopwaren wordt voldaan; zij worden ginds verkocht voor twee- of driehonderd francs. Zelfs als men voor het onvermijdelijk verlies bij het vervoer vijftig percent rekent, dan levert die handel, zoo als men ziet, nog een aardige winst op. De oranjeboom werd hier door Cook ingevoerd, die eenige jonge boompjes in de nabijheid van kaap Venus plantte: hij heeft zich zoo goed aan lucht en grond gewend, dat hij niet de minste zorg behoeft en letterlijk in het wild groeit. De vruchten worden verzonden in zeer lichte, vierkante kisten, die van de geschilde takken van den poerau vervaardigd worden en aan de buitenlucht vrijen toegang laten.
De Tahitianen zijn groote liefhebbers van chinaas-appelen; van het sap vervaardigen zij een soort van geestrijken drank (áva anani), door de Europeanen oranjewijn genoemd. Uithoofde van de grove buitensporigheden van allerlei aard, waartoe het gebruik van dezen drank hetzij aanleiding gaf, hetzij een voorwendsel leverde, heeft de fransche regeering de bereiding daarvan ten strengste verboden. Toch geschiedt dit nog in stilte, op een eenzame plek in het gebergte of in eene verborgen vallei. Twee of drie dagen vóór den voor de bijeenkomst bepaalden tijd, begeven zich eenige inboorlingen in het geheim naar de afgesproken plaats, ten einde den bedwelmenden drank te bereiden. Zoodra het oogenblik gekomen is, begeven de mannen en vrouwen zich één voor één, om geen achterdocht te wekken, naar de plaats der bijeenkomst, zoo veel immer mogelijk langs onbekende paden, om aan het wakend oog der mutoi (policie-beambten) te ontsnappen. Maar, ondanks al deze voorzorgen, komen dezen er toch meestal achter, dat er zulk eene vergadering gehouden wordt. Op het onverwachtst vertoonen zij zich te midden der feestvierende menigte, en hunne komst maakt een einde aan de woeste uitspattingen en toomelooze liederlijkheid, waartoe het overmatig gebruik van dezen drank schijnt te leiden. Voor de meesten eindigt de pret dan in de gevangenis (fare áoeri, ijzeren huis.)
De flora van het eiland, hoewel rijk en weelderig, biedt toch weinig afwisseling. Onder de echte inlandsche boomen komt vooral eene plaats toe aan den tamanoe en aan den miro of rozenhoutboom, beiden hard en schoon van vorm; voorts aan den tiairi, het zoogenoemde ijzerhout, den sandelboom, en met name den poerau die tot zoo velerlei doeleinden gebruikt wordt. De broodboom, de taro en de kokospalm verschaffen den inboorling een zeer belangrijk deel zijner voeding: bovendien is de laatste, door de olie, die hij levert, voor al de eilanden van Polynesië, uit een commercieel oogpunt, van overwegende waarde. De sandelboom is op Tahiti vrij zeldzaam, en mist hier ook bijna geheel zijn welriekenden geur. Het poeder, dat van dit hout vervaardigd wordt, wordt door de vrouwen veel gebruikt om monoi te maken. De oranje en vele tropische gewassen, zoo als de ananas, de mango, enz. zijn van elders ingevoerd en thans inheemsch geworden. De kolonisten verbouwen met zeer goeden uitslag koffie, tabak, vanille, suikerriet en katoen.
De duizendpoot en de schorpioen zijn de eenige gevaarlijke dieren, die men op het eiland vindt. Echter huizen er in de bosschen en wouden zeer lastige gasten, zoo als wilde varkens, muskieten en wespen. Op mijne wandelingen trof mij vooral de groote zeldzaamheid, ik zou haast zeggen het gemis, van vogels. De vreemdeling, die de schilderachtige, lommerrijke valleien van het eiland doorkruist, is verbaasd over de zonderlinge stilte, die alom in deze dichte bosschen en het kreupelhout heerscht. Eenige phaétons (een tropische vogel), een kleine parkiet, die wij ook op de Samoa-eilanden hebben aangetroffen, en meeuwen, zijn de eenige gevleugelde bewoners van het eiland. In de lage moerassige gronden mag de jager ook nog eenige wilde eenden vinden; langs het strand ontmoet men ook enkele reigers, zeezwaluwen en nog sommige andere vogels, maar hun getal is niet groot.
III.
Een der aangenaamste wandelingen, die men te Papeete maken kan, is naar kaap Venus. Tijdens mijn eerste bezoek aan Tahiti, had ik mij te voet daarheen begeven. Een mijner vrienden stelde mij voor, nogmaals daarheen te gaan, en ik aarzelde geen oogenblik dat voorstel aan te nemen.
Een huurrijtuig met een inlandschen koetsier komt ons des morgens ten tien uur afhalen. Het is brandend heet; maar de groote stroohoed en de klassieke parasol geven ons althans eenige bescherming tegen de felle zonnestralen. De grenzen der stad worden aangewezen door een aarden wal en een gracht, die vroeger dienen moesten om het garnizoen tegen een overval van de zijde der inboorlingen te beveiligen. Op korten afstand van Papeete ligt een brug over de rivier de Fautahoea; de vallei, waardoor deze rivier stroomt, wordt in haar hooger gedeelte begrensd door twee ontzaggelijke loodrechte granietmuren. In de ruimte tusschen die reusachtige rotswanden verheft zich de zonderling gevormde top van den Diadeem. De achtergrond der vallei wordt ingenomen door een prachtigen waterval, tweehonderd ellen hoog, die uit een bekken nederstort, dat vierhonderd-twintig el boven de zee ligt. Daarop voert de weg langs de valleien van Hamoeta en Pirae. Tusschen Aroeë en Mahina, loopt de weg over den heuvel Tahatahi, die loodrecht uit zee oprijst, en kenbaar is door zijne eigenaardige roode kleur. Wallis en Cook noemden dit naakte voorgebergte de Boomkaap, ter wille van een eenzamen boom, die destijds den top kroonde, maar nu verdwenen is. Onze paarden hebben blijkbaar groote moeite, om de vrij steile helling te beklimmen. Wij verlaten het rijtuig, zoowel om de arme magere knollen te ontzien, als omdat wij beducht zijn voor een ongeluk. Van den top des heuvels heeft men een heerlijk uitzicht; een frissche bries drijft de blauwe golven met kracht tegen de riffen en breede koraalbanken, die zij met wolken spattend schuim overdekken.
Het rijtuig wacht ons aan den voet des heuvels, en na verloop van eenige minuten, houden wij onzen zegepralenden intocht in het dorp, waarvan de bewoners, door de luid klappende zweepslagen van onzen bronskleurigen koetsier aangelokt, uit hunne woningen naar buiten komen om getuigen te zijn van onze verschijning. Een prachtige laan, die den grooten weg doorsnijdt, loopt op den vuurtoren uit, die aan den noordelijksten uithoek van het eiland oprijst.
Wij beklimmen dien toren, en staan weldra op de bovengalerij. Na hier een blik op den omtrek geworpen te hebben, begeven wij ons naar de kleine rivier, die in de nabijheid in zee valt. Een tiental jonge vrouwen, enkel met de pareoe gekleed, zijn bezig het rivierke met lange boomtakken af te dammen. Boven dien dam bevinden zich eenige andere vrouwen, die in het water slaan om daardoor de visschen te noodzaken den stroom af te zwemmen; zoodra de visschen dan in de takken verward raken, worden zij met de hand gevangen.
Eer wij weer in ons rijtuig plaats nemen, gaan wij een bezoek brengen aan den eerwaardigen boom, onder den naam van Cook's tamarinde bekend. Vervolgens keeren wij langs denzelfden weg terug. In het distrikt Aroeë wijst men ons de graven der Pomare's, die van dit gedeelte des eilands afkomstig zijn. Een kleine jongen brengt ons naar Papaoa, waar, aan den oever der zee, het grafteeken der regeerende familie verrijst. Dit monument heeft evenwel niets bijzonders: alleen de prachtige boomen, die het overschaduwen, zijn de moeite van den tocht waard.