De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 32

Chapter 32 3,692 words Public domain Markdown

Doch, met hoeveel blijdschap men ook dergelijke verschijnselen moge begroeten, zij zijn en blijven zeldzame uitzonderingen. In den regel is de neger landbouwer van beroep, en tracht hij ook naar niets hoogers--tenzij de hartstocht der politiek zich van hem meester make. Hij heeft geen prikkel, die hem tot iets anders drijft. Is hij geen huisbediende, dan is hij boerenarbeider. In beide gevallen verdient hij met zijn arbeid een vijfde van hetgeen een blanke met denzelfden arbeid verdient; maar zijn voedsel is goedkoop, zoodat hij van de opbrengst van zijn ruwen en onzekeren arbeid gemakkelijk leven kan. Hij kent de waarde van een dollar, die eene zekere hoeveelheid druiven en spek, bonen, whisky en tabak vertegenwoordigt; maar hij heeft geen besef van de waarde van een tweeden en derden dollar, omdat hij niets anders kan doen dan den ganschen dag door eten, drinken, pruimen en rooken. Morgen is de toekomst, en de neger leeft alleen voor en in het tegenwoordig oogenblik. In die toekomst is er slechts éene zaak, die hem genoeg ter harte gaat om daarvoor te zorgen: zijne begrafenis.

"Wat ons arm maakt, zegt Bill, de bediende in mijn logement, dat is de uitgaaf voor onze begrafenis." Inderdaad zou het geld, dat een neger voor zijne begrafenis uitgeeft, voldoende zijn om zijn gezin voor een paar jaar te onderhouden.

"Gisteren is een vriend van mij gestorven, zegt Bill; hij wordt van middag begraven:--eene mooie begrafenis.

--Gaat ge hem ook de laatste eer bewijzen?

--Neen, Mijnheer; ik behoor niet tot zijn maatschappij.

--Wat bedoelt ge?

--De begrafenis-maatschappij. Iedere zwarte is lid van twee of drie dezer maatschappijen. Hij moet daar veel voor betalen. Als hij sterft, krijgt hij dan ook eene mooie begrafenis."

Op zekeren dag wandelde ik, door Jackson's-Ward (een der wijken van Richmond) naar buiten, om een blik te werpen op de schilderachtige ravijnen en smalle dalen, die de stad omringen en haar eene flauwe gelijkenis met Jeruzalem geven. Wij dalen langs een heuvel af, gaan een stroom over, en beginnen eene andere helling te beklimmen:--plotseling wordt onze aandacht getrokken door een luid gejammer en geklaag. Opziende, bemerk ik dat zich op den heuvel boven ons een kerkhof bevindt, met eenige witgeverfde palen en steenen. Bij den rand der groene glooiing staan eenige negerinnen, die luid weenen en snikken; terwijl een zwarte predikant teksten uitgalmt, en vier of vijf negers bezig zijn met in de aarde te delven. Toen wij den top bereikten, was de plechtigheid reeds geëindigd en het graf weer gesloten; maar terwijl deze stoet zich verwijderde, was reeds een andere in aantocht. Een prachtige lijkwagen met groote glazen portieren; en in dien wagen een kist, zoo rijk versierd, dat die in Engeland voor een hertog of prins zou kunnen dienen; daarachter volgen acht koetsen, elk met twee fraaie zwarte paarden bespannen, en begeleid door een twaalftal personen in uniform, met standaarden en opgerolde banieren.

"Wie wordt daar begraven? vraag ik aan een der negers, die staan te kijken.

--Mozes Crump.

--Wie is Mozes Crump?

--Een arbeider.

--Een boerenarbeider?

--Ja."

De paarden trappelen en komen met moeite voort over dien ongelijken grond. Onder luid geschreeuw en gejammer wordt de kist naar het gat--nauwelijks een grafkuil--gedragen, waarin zij nedergelaten zal worden; en hier wordt nu, bij het neigen der banieren en het spelen der muziek, Mozes Crump ter ruste gelegd. De gansche familie is tegenwoordig--mannen en vrouwen, knapen en meisjes. Er wordt zeer luid gesnikt en gejammerd; maar de zwarte dominee overstemt al dit rumoer, behalve de klagelijke stem van eene oude vrouw, die, half snikkende en gillende, onophoudelijk roept: "Ik zie mijn zoon nooit weer! Ik zie mijn zoon nooit weer!"--De dominee tracht haar tot bedaren te brengen. Zijne stem verheffende, schreeuwt hij haar toe: "Wees stil; leef zooals hij, dan zult ge uw zoon weerzien!"--De zwarte Rachel weent en jammert, en weigert vertroost te worden, zelfs door haar eigen dominee. Als de mannen in uniform hunne spaden opnemen, en onder een eentonig gezang het graf beginnen te vullen, roept de oude vrouw nog luider: "Neen, ik zal mijn zoon nooit weerzien!" Arme ziel, zij alleen kent haar eigen smart.

De jongeren lachen en huilen beurtelings; en als het graf gedicht is, verspreiden zij zich in groepen, praten met hunne vrienden, nemen dan weer plaats in hunne koetsen, en rijden weg, dwars door eene saamgevloeide gapende menigte van negers, negerinnen en mulattinen, gekleed in blauwe omslagdoeken en rose mutsen, vast overtuigd dat zij bewonderenswaardig zijn, en zeer gestreeld door de tegenwoordigheid van twee vreemde heeren.

Mozes Crump blijft alleen achter, zonder een steen om de plaats aan te wijzen waar hij rust. Zijn gezin blijft ook alleen achter, met een weinig brood en een weinig zoete aardappelen, en verstoken van den arbeid des vaders. De kosten van die begrafenis zouden voldoende zijn geweest om de jonge Crumps gedurende eenige jaren te onderhouden.

Er zal veel tijd noodig zijn om de negers te doen beseffen, dat zij voor zich zelven moeten zorgen. Sedert langen tijd gewoon op de blanken te steunen, valt het hun moeielijk nu op eigen beenen te staan. In de meeste gevallen verstaat de neger onder persoonlijke vrijheid niets anders dan de vrijheid der werkeloosheid. Wat toch was, in zijn oogen, het voornaamste kenmerk van den blanke? Vrijstelling van arbeid. Een blanke nam nimmer ploeg of spade ter hand. Voor den neger bestaat het wezen der vrijheid hierin, dat hij met over elkander geslagen armen mag staan kijken, terwijl anderen arbeiden en spinnen. Hij heeft immers den blanke nooit iets anders zien doen. Waarom zou hij dat voorbeeld niet volgen?

(Wordt vervolgd.)

Herinneringen van den Stillen-Oceaan.

(Vervolg van bladz. 110).

II.

De Gambier-eilanden.

II.

In den morgen van den 27sten waren wij in het gezicht van Hao, en draaiden bij voor het kanaal, waarvan de oostelijke oever kenbaar is door eene fraaie reeks kokospalmen. Het voornaamste dorp ligt vijf mijlen oostwaarts, op eene niet onaanzienlijke hoogte, die bijna den naam van heuvel zou verdienen, en met een prachtig bosch van kokospalmen is bekroond; dit is het hoogste punt van het eiland. De eertijds zeer talrijke bevolking is sterk afgenomen door de emigratie. Het huis Brander van Papeete heeft van hier zijn meeste parelvisschers gekregen; tegenwoordig telt het eiland nog slechts ongeveer driehonderd inwoners. Zooals ik reeds zeide, gelijken al deze eilanden op elkander. Mettertijd heeft zich, op de hoogste gedeelten der lange koraalgordels, eene dunne laag van vruchtbare aarde gevormd, voldoende voor de ontwikkeling en den groei van den pandanus en van een soort van myrtheboom, mikimiki genaamd, die in dichte bosschen opschiet.

Omstreeks elf uur vervolgen wij onze reis naar Amanoe, dat reeds sedert den morgen boven uit den mast zichtbaar was. Het dorp en de kanalen die toegang geven tot het binnenmeer, bevinden zich op de noordwestkust van het eiland. Die kanalen, ten getale van twee, zijn slechts voor kleine vaartuigen bruikbaar. De gezagvoerder begeeft zich aan land, met Paiore, onzen loods, en den tolk, om een onderhoud te hebben met de eilanders, die aan den mond van het kanaal zijn saamgekomen. Kort daarop keert hij naar boord terug, en ten half vier verlaten wij Amanoe, steeds op korten afstand van de kust blijvende.

Den volgenden dag, den 28sten, omstreeks drie uren in den namiddag, varen wij eenige mijlen ten zuiden langs Akiaki, dat zich door het gemis van een binnenmeer onderscheidt. Dit kleine eilandje verheft zich iets hooger dan de anderen. Enkele inboorlingen, wier hutten zichtbaar zijn door het dichte geboomte, komen naar het strand geloopen om ons te zien. Er ging eene geweldige branding langs het gansche eiland: het was niet mogelijk daar te landen.

Dien eigen avond kregen wij Vahitahi in het gezicht. Dit eiland is niet anders dan een uitgestrekt rif, ter nauwernood boven de golven verheven, met drie groote, boschrijke eilandjes in het noordwestelijk gedeelte. Voor de schepen, die van het oosten komen, is dit een der gevaarlijkste punten van den geheelen archipel, want het rif heeft aan deze zijde eene zeer aanzienlijke oppervlakte, en zelfs bij een zeer helderen nacht zou het gemakkelijk kunnen gebeuren, dat het schip op het rif stootte, eer men de eilandjes ten noordwesten had bespeurd. Het voornaamste dorp ligt op het noordelijkste eilandje, dat tevens het grootste en het rijkste aan boomgewas is. Daar ook hier overal eene zeer sterke branding stond, was het ons niet mogelijk het strand te naderen.

Den 31sten kregen wij Maroetea in het gezicht. Dit is een groot onbewoond eiland, dat somwijlen door de inwoners der Gambier-eilanden bezocht wordt, ter wille der parelvisscherij. Er is hier geen kanaal, waardoor een vaartuig in het binnenmeer zou kunnen doordringen. Het eiland beslaat eene aanmerkelijke oppervlakte; de eilandjes waaruit het bestaat zijn zeer laag, en voor zoo ver wij ze gezien hebben, ook arm aan geboomte. Men ziet er slechts enkele kokospalmen; de flora bepaalt zich hoofdzakelijk tot dichte boschages van mikimiki.

Den volgenden morgen, bij het krieken van den dageraad, bevonden wij ons op een mijl ten noorden van de riffen van den Gambier-archipel; het hooge land van Mangareva hadden wij reeds des nachts in het gezicht gekregen.

De Gambier-archipel bestaat uit vier grootere eilanden, die zich vrij hoog verheffen: Mangareva, Taravai, Akamaroe en Aoekena; en voorts uit een groot aantal onbewoonde eilandjes en riffen, waarvan sommigen, vooral die in het zuidwesten, eene vrij aanzienlijke hoogte bereiken.

Op eenige mijlen afstands van de ankerplaats, komen de loodsen bij ons aan boord. Een hunner, Daniel Guilloux, zoon van een Franschman, heeft geruimen tijd het bevel gevoerd over een goëlet van de katholieke missie, en staat tegenwoordig aan het hoofd van een klein handelshuis. Hij brengt ons met veel bekwaamheid door den onafzienbaren doolhof van koraalbanken, die zorgvuldig vermeden moeten worden.

De Gambier-archipel, ten zuidoosten grenzende aan de Toeamotoe-eilanden, is daarvan echter, zoowel in physiek als in staatkundig opzicht, ouderscheiden. Het voornaamste eiland, Mangareva, maakt op den aanschouwer een zeer gunstigen indruk. De berg Duff, aan de zuidpunt des eilands, bereikt eene hoogte van vierhonderd el; de ongeveer even hooge borg Mokoto heeft een bijna regelmatigen kegelvorm.

In 1844 diende de koning dezer eilanden, in overleg met de hoofden, een verzoek in om onder het protektoraat van Frankrijk te worden gesteld. De inlandsche bevolking heeft zich gedwee onder deze leiding gevoegd en is blijkbaar met deze schikking tevreden. Over het algemeen is zij een goedaardig slag van volk, dat zich willig onderwerpt aan het gezag van meerderen, indien dit gezag zich slechts niet onder den vorm van dwang vertoont.

In den namiddag begeven wij ons naar wal. Het hoofd is opgevuld met eene talrijke menigte, waaronder wij eenige inboorlingen van het Paasch-eiland (Rapa-Noei) opmerken. Zij zijn zeer fijn getatouëerd; hunne gestalte is rijziger en hunne vormen zijn schooner dan die van de inboorlingen der Gambier-eilanden. Dit Paasch-eiland heeft thans bijna geen bewoners meer. De eerste zeevaarders, die het aandeden, vonden daar op verschillende plaatsen, vooral nabij den middelsten krater van het eiland, een aantal kolossale steenen beelden. Het fregat la Flore heeft, nu twee jaar geleden, eenige overblijfselen dezer reusachtige kunstwerken, getuigen eener ondergegane beschaving, naar Frankrijk gebracht. Ik zelf heb te Papeete photografische afbeeldingen gekocht van een houten bord, op het Paasch-eiland gevonden, en met tot dusver onverklaarde hiëroglyphen bedekt.

In den morgen van den 5den Februari lichtten wij het anker om naar de Markiezen-eilanden terug te keeren. Den 21sten liepen wij wederom den archipel van Toeamotoe binnen, door het kanaal, dat Takapoto van Tikei scheidt. Den volgenden middag wierpen wij het anker uit in de lagune van Kauchi, tegenover het dorp, waar onze loods Paiore woont.

Kauchi is een eiland van bijna cirkelvormige gedaante, met een doorsnede van bijkans dertien mijlen. De bevolking is niet talrijk, maar te oordeelen naar het zindelijke en nette voorkomen der huizen, moet zij niet van zekere beschaving ontbloot zijn. Wij gaan aan land; vlak tegenover de aanlegplaats verheft zich een wit gebouw, dat tot gevangenis dient. Als wij naar boord terugkeeren, ontmoeten wij Paiore, die onze boot met versche kokosnoten, kippen, varkens en eieren van zeevogels heeft volgeladen. Dat is een geschenk, dat hij ons aanbiedt.

Wij vertrekken naar het naburig eiland Fakarava, en stevenen door het noordelijke kanaal de lagune binnen. Ik begeef mij naar land; het dorp is bijna verlaten: de inwoners zijn ter parelvangst naar het naburig eiland Toaoe getogen. De bewoners der Toeamotoe-eilanden gaan altijd op de parelvisscherij uit, zoodra het weer en de zee dit maar eenigszins toelaten. Enkele duikers dalen tot eene diepte van vijf-en-twintig en zelfs dertig el af; maar de meesten gaan niet dieper dan twintig el. Dikwijls keeren zij van den bodem der zee terug zonder iets gevonden te hebben; als zij een oester vinden, moeten zij toch doorgaans twee of driemaal duiken om haar van de koraal los te maken, of uit het zand, waarin zij bijna geheel begraven is, op te delven.

Den volgenden dag verlaten wij Fakarava om naar Rairoa te gaan. In den namiddag varen wij voorbij Apataki; in de lagune liggen drie goëletten voor anker. Op dit eiland is het voornaamste etablissement in dezen archipel van het huis Brander, van Papeete, gevestigd.

Den volgenden morgen bevonden wij ons op korten afstand van de noordkust van Rairoa. De kommandant was voornemens, in het binnenmeer te gaan ankeren; maar de gesteldheid der kanalen liet dit niet toe. Onze lange kruistocht is thans geëindigd: wij keeren naar Tahiti terug.

De gezamenlijke bevolking van de Toeamotoe- en van de Gambier-eilanden wordt op achtduizend zielen geschat, die van de opbrengst der visscherij en der kokosboomen leven. Op elk eiland vestigen de inwoners zich doorgaans langs de oevers van het binnenmeer, nabij eene goede ankerplaats, of in den omtrek van een kokoswoud, waarin men altijd, indien men gaten in den zandigen bodem graaft, drinkbaar water vindt.

De inboorlingen van den Toeamotoe-archipel vertoonen eene sterke gelijkenis met die van Tahiti en van de Markiezen-eilanden: dezelfde schoone lichaamsvormen, hetzelfde schrandere en uitdrukkingsvolle gelaat. Zij schijnen donkerder van kleur, en zijn ruwer van aard dan de inboorlingen van Tahiti; dit is een gevolg van hunne minder gemakkelijke levenswijze, waardoor zij voortdurend aan de brandende zonnestralen zijn blootgesteld, hetzij op hunne meeren, hetzij op hunne door de zee overspoelde koraalriffen.

III.

De archipel van Tahiti.

I.

De meestal heerschende zuid-oostelijke winden maken het mogelijk, dat zeilschepen, die van de Markiezen-eilanden naar Tahiti gaan, den afstand van tweehonderd-vijftig zeemijlen, die deze beide punten scheidt, in zes of zeven dagen kunnen afleggen. Voor dezelfde reis, in tegenovergestelde richting, behoeven zij daarentegen gemiddeld achttien tot twintig dagen.

Het kwam mij voor, dat de Vaudreuil stil lag, zoo groot was mijn verlangen om Tahiti weer te zien. Mijn ongeduld werd gedeeld door allen, die, zoo als ik, vroeger reeds te Papeete vertoefd hadden; en zij, die dit bekoorlijke land nog nimmer hadden aanschouwd, moesten van ons zoo veel daarvan hooren, dat hunne nieuwsgierigheid niet minder sterk was dan ons verlangen.

Den vijfden dag na ons vertrek van Taio-Hae teekent zich eene ontzagwekkende donkere massa aan den gezichteinder: dat is Tahiti!

Wij zijn allen op het dek, gewapend met onze kijkers, volop trachtende te genieten van het heerlijk schouwspel, dat zich voor onze blikken vertoont. De zon, die zich stralend uit den oceaan verheft, beschijnt de toppen van hooge, grillig gevormde bergen, waarvan de zonderling geboetseerde naalden en pieken zich, als reuzige wachters, stout boven elkander verheffen, en zich met scherpe lijnen afteekenen tegen het donker blauw des hemels. Het lagere gedeelte dier bergen is nog in schaduw gehuld; de diepe, donkere, geheimzinnige kloven grijnzen ons in zwarte nacht tegen, schril afstekende tegen het schitterend licht, dat ze omvloeit. De tinten worden steeds helderder naarmate de stralende zonneschijf hooger stijgt; eindelijk giet zij haar licht uit over de zee, wier witgekuifde golven schitteren en fonkelen als vloeibaar zilver met diamanten overspat. Voor eenige oogenblikken zijn alle lijnen en omtrekken, tot de kleinste bijzonderheden der heerlijke schilderij, volkomen duidelijk zichtbaar; doch dit duurt slechts kort: weldra vormen zich wolken, die langs de boschrijke hellingen der bergen omhoog stijgen, en voor het overige van den dag de hooge toppen in nevelen hullen.

Van den voet der bergen tot aan het strand is de bodem met den weelderigsten plantengroei bedekt; boven de dichte warreling van struiken en kreupelhout en laag geboomte, verheffen zich de onbewegelijke bladerkronen der bevallige kokosboomen. Vlak voor ons zien wij kaap Venus en den witten vuurtoren, op de uiterste punt der zandige kust gebouwd. Een met inlanders bemande sloep brengt ons den loods aan boord, die ons met veel behendigheid door het moeilijke en bochtige kanaal van Tanoa heenbrengt. De koraalbanken, die dit kanaal aan beide zijden begrenzen, zijn met oude kanonnen afgebakend. Zoodra wij kaap Fareoete zijn omgevaren, verbreedt zich het vaarwater; het spiegelgladde, ruime bekken, dat de reede van Papeete vormt, opent zich voor ons. Een verrukkelijk schoon tafreel ontrolt zich nu voor onze oogen: aan eene beschrijving zal ik mij niet wagen, wetende dat elke poging noodwendig falen moet.

Het anker valt; de schakels van den zwaren, met een dikke laag roest bedekten ketting ontrollen zich met schor gekraak: straks ligt de Vaudreuil onbewegelijk. Wij hopen allen, dat zij zich nu eenigen tijd rust zal gunnen.

De verschijning van een oorlogschip is altijd eene belangrijke gebeurtenis voor Papeete: het brengt vertier, voordeel en afwisseling aan. De leegloopende inboorlingen (en hun aantal is zeer groot), de vrouwen vooral, verzuimen nooit aanstonds naar de kaai te loopen, om getuigen te zijn van het ankeren. De seintoestel, op den heuvel gebouwd, die Papeete aan de landzijde begrenst, verwittigt de belangstellenden langen tijd te voren, dat zich een schip op de hoogte van het eiland bevindt. "In 't zicht!" In zekere spanning wacht men dan de verdere signalen af, waaruit blijken zal, welk soort van schip het is, en tot welke natie het, behoort. Is het een oorlogschip (manoea, eene verbastering van het engelsche man-of-war), dan is de vreugde algemeen; men verblijdt zich reeds in het vooruitzicht, dat de officieren veel geld verteren zullen. Men keert weer haastig naar huis terug om zich wat op te knappen: een beetje toilet schaadt nooit, on men wil gaarne een aangenamen indruk maken.

Papeete, de hoofdstad der fransche bezittingen of liever der onder fransch protektoraat staande eilanden, ligt aan de noordwestelijke kust van Tahiti. De ruime en veilige haven is toegankelijk voor schepen van de grootste afmetingen. Drie kanalen voeren uit zee in deze haven. Het kanaal van Papeete, ook het groote kanaal genoemd, ten noorden, wordt het meeste gebruikt; de ingang, een weinig ten westen van de stad, heeft eene breedte van zeventig el; het kanaal is niet meer dan tachtig el lang. De diepte bedraagt doorgaans dertien el, met uitzondering van een kleine bank, die door bakens is aangewezen en gemakkelijk te vermijden valt. Het kanaal van Tanoa, ten oosten, waardoor wij gekomen zijn, is bij de invaart zeer gemakkelijk; maar het lange en bochtige vaarwater is voor groote schepen zeer lastig. Ten westen bevindt zich nog een derde kanaal, dat van Tapoena, dat uitsluitend door de kleine kustvaarders gebruikt wordt.

Maar wij liggen nog steeds voor anker. Wat is er gaande? De leelijke gele vlag wordt aan den fokkemast geheschen; onze kommandant is in levendig gesprek gewikkeld met den loods. Deze laatste, die doorgaans het binnenloopen der haven aan de schepen vergunt, op grond van de verklaringen van den gezagvoerder of den scheepsdokter, verstaat verkeerd wat onze dokter hem zegt:--hij zal ons den gezondheidsinspecteur zenden. Het is nu maar te hopen dat deze in de stad zij!

De Vaudreuil is reeds omgeven door eene menigte met groenten en fruit geladen prauwen, die slechts wachten op het teeken dat zij mogen aanleggen, om op het dek hunne geurige en saprijke waar uit te stallen. Ook de scheepsbleekers zijn daar, gereed om elkander het linnengoed van den kommandant en de officieren, als een begeerlijke buit, te betwisten. Onder hen herken ik den dikken Paofai, dien ik, bij mijn eerste bezoek met de Sibylle, met mijne klandisie begunstigd heb. Ik roep hem toe, on vraag hem of hij mij herkent. Zonder zich een oogenblik te bedenken, zegt hij dat hij juist naar mij wilde vragen, toen ik hem aansprak; maar hij laat daarop volgen, dat hij mij ontmoet heeft aan boord van een schip, waarop ik nooit gediend heb. Wij lachen hartelijk om zijne onbeschaamdheid; hij laat zich echter niet uit het veld slaan, maar houdt sterk en stijf staande dat ik mij bedrieg, hetgeen onze vroolijkheid niet weinig vermeerdert.

De boot met den inspecteur der quarantaine nadert en komt ons op zijde; na eene korte woordenwisseling met onzen scheepsdokter, wordt de gele vlag weer neergehaald, onder het luid gejubel der eilanders, die in een oogwenk en eer men hen tegenhouden kan, met hunne rijk beladen manden en korven naar boven klauteren en het dek overrompelen. Ik laat hen handelen en schacheren, en begeef mij zoo spoedig mogelijk naar wal.

De stad Papeete, de hoofdstad van het kleine rijk van Tahitide en tevens zetel van het bestuur van ons protektoraat, dat het eiland Tahiti en het naburige Moorea, voorts de Toeamoetoe-eilanden, den archipel van Toeboeai enz. omvat, ligt tusschen den oever der baai en de heuvelen, die als het ware den voorgrond vormen der bergen van het eiland. Op een dier heuvelen staat, zooals ik reeds zeide, de telegraaf of seintoestel. De stad begint ten oosten aan de landpunt van Faveoete, waar zich het kleine maritime arsenaal bevindt. De huizen volgen elkander langs het strand op tot nabij de batterij van de Embuscade, die tot verdediging van het groote kanaal dient.

Bijna over deze geheele uitgestrektheid zijn kaaien aangelegd. Daar de diepte vóór den oever zeer aanzienlijk is, kunnen zelfs de groote schepen aan deze kaaien aanleggen: hetgeen zoo voor den handel als voor het verkeer met den wal van groot gemak is. Het voortreffelijke water van een der talrijke beekjes, die Papeete besproeien, wordt door middel van ijzeren buizen naar eene fraaie fontein op de kaai gevoerd, waar ook de schepen zich van het noodige water voorzien. Doorgaans gaat men vlak bij die fontein, in het middenpunt der stad, aan land. Niet ver van daar verrijst een sierlijk gebouw, waarin zich de magazijnen van levensmiddelen voor de marine en de garnizoensbakkerij bevinden.