De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 3
Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries, en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande, nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold: dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:--van daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.
Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen, die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Bérarde.
"Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten; kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt, en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel, die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen, eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de hoogste bergpas van Dauphiné. Wij noemden hem den col de Pilatte.
"Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore, een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit, en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids) sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong zijne luide stem door den nevel heen:
--"Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed; gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt."
"Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de bijl van Croz op.
"Wat is er Croz?
--Een bergschrund, mijne heeren.
--Kunnen wij er overkomen?
--Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten wagen."
"Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een coup de théatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong, die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.
"Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs welken wij afdaalden, in tweeën gespleten; zoo ver het oog reikte, strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden: een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp, waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden, en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.
"Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood om te verongelukken.
"Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot aan den uitersten rand:--de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat het niets te beteekenen had.
"Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd, dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer beweging. Hij wrong de handen roepende: "O, hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!
--Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.
--Kom, spring, riepen ook de anderen;--spring dan toch!"
"Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:
"Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!"
"Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:--daarop hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal; de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse [1] aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden wij toch ons lachen niet bedwingen."
Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging van de Pointe des Écrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik, terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog vast scheen. "Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was," zegt de heer Whymper.
"Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker, den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher, duizend el onder ons, ware terecht gekomen."
In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen, die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken, waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken, vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.
"Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp, dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf, bevrozen juist op het oogenblik der kentering.
"Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers, die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem te volgen.
"Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk: "Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit eene:--mij te volgen." Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde; als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht, waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben van toejuichingen."
Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche (3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862, was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar gaf de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid, die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.
Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col du Géant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el, met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz, die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte, gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer, die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentière, die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.
(Wordt vervolgd.)
De Merinos in Spanje.
De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist, ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo groote zorg werd gewijd.
De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden, van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar gelang van den tijd des jaars.
Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit niet minder dan tienduizend stuks bestaat.
De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras, dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten, die een geducht wapen is.
De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis, slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken, leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat, hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen; somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.
De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden; hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.
De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is, maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol, onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en houdt zich over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.
De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk, dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard, de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.
Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.
Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel, eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon, in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia, nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.
In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd, om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.
De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij, bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens de algemeene arts dezer blatende gemeente.
Dalmatië.
I.
Herinnert de lezer, die ons op den tocht door Istrië heeft willen vergezellen, zich nog de belofte, later eene uitnoodiging te zullen ontvangen voor gelijken tocht door de golf van Quarnero met hare eilanden en door Dalmatië? [2] Welnu, die belofte komen wij thans inlossen: zijn hem goede herinneringen van de vorige reis bijgebleven, dan vertrouwen wij dat hij ook nu genegen zal zijn, ons te vergezellen. Wij nemen dan te Pola plaats op een der booten van de oostenrijksche Lloyd, die naar Fiume varen; wij stevenen kaap Promontore om en de golf van Quarnero binnen.
Met den naam van golf van Quarnero, of wel enkel Quarnero, bedoelt men de geheele watervlakte tusschen Istrië, te beginnen bij kaap Promontore, en de kust van Kroatië tot nabij Zara. In den Quarnero liggen vijf groote eilanden en eene menigte eilandjes en klippen. Deze vijf eilanden dragen de namen van Cherso, Ossero (of Lussine), Veglia, Arbe en Pago; zij bevatten allen een of meer kleine steden en een aantal dorpen. De kanalen tusschen die eilanden en de kust leveren voor de scheepvaart dikwerf ernstige gevaren op, vooral bij het heerschen van de bora, de plaag dezer kusten.
Van Triëst kan men op tweeërlei wijze Fiume en de golf van Quarnero bereiken. Een spoorweg, die het plateau van Karst doorsnijdt, verbindt de beide steden, en brengt u in zeven uren van Triëst aan den oever der golf. Een tweede middel van vervoer is de stoomboot, die van Triëst naar Pola, en verder, deels langs de oostkust van Istrië, naar Fiume vaart, Maar wie van Fiume verder wil gaan, zal daartoe bezwaarlijk gelegenheid vinden, tenzij hij eene eigen boot hure en uitruste om van het eene eiland naar het andere te zeilen. Hieraan zijn echter bezwaren verbonden, die niet te licht mogen worden geteld. Vooreerst kost de huur en uitrusting van zulk eene boot, het loon der bemanning daaronder begrepen, veel geld; daarbij is goed weder een onontbeerlijk vereischte, en moet men ook eenigszins aan dergelijke tochten op zee gewend zijn. Die in de kuststeden op de stoombooten wil wachten, moet over veel tijd kunnen beschikken, want die booten varen, in elke richting, maar eens in de week.