# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 29

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Cesar C. Antoine is een volbloed Afrikaan, hoewel hij minder zwart is dan de meesten zijner broederen aan de boorden van den Niger of den Senegal. Klein van gestalte en van zwakken lichaamsbouw, schijnt al zijn kracht te liggen in eene soort van vrouwelijke sluwheid. Antoine was sjouwer bij het Tolkantoor. Voor hij zich in de politiek begaf, kon hij met moeite zijn brood verdienen; maar aangezien hij een gouvernementspost bekleedde, vond hij zich den weg gebaand tot het publieke leven. Zijne verheffing ging wonderlijk snel: bijna zonder overgang verwisselde hij het zitbankje der pakkedragers met den zetel van luitenant-gouverneur. Vroeger de knecht der klerken van de douane, is hij tegenwoordig de meester der senatoren. Sedert de Khalief zijn sloffendrager tot pâsja verhief, is het niet gezien dat een man van zijn stand tot zoo hooge betrekking geroepen werd. Wel mag hij de fortuin zegenen, want zonder haar zou hij het door eigen verdienste nooit verder dan zijn eigenlijk beroep hebben gebracht.

Deze zwarte Caesar in Nieuw-Orleans is wel zoo goed mij te doen gevoelen, dat hij het eens is met den blanken Caesar in Washington. Op zijn pruim tabak kauwende en het vuile vocht in een grooten bak spuwende, verzekert hij ons, "dat hij nooit zoo iets beleefd heeft als die zaak van Wiltz"; en ook "dat de kleurlingen in Louisiana er niets tegen hebben, dat generaal Grant voor de derde, of als hij zulks verkiest, zelfs voor de zesde maal herkozen wordt." Twee Caesars in hetzelfde schuitje!

Terwijl wij met Antoine naar het kabinet van Kellogg gaan, komen wij Pinch tegen. Deze neger is boven de wolken, want de zwarte senatoren hebben hem zoo even nogmaals tot senator voor Louisiana benoemd, en Antoine heeft zijne geloofsbrieven medegebracht, die door den gouverneur geteekend en gezegeld moeten worden. Uitgedost met een reusachtig papieren halsboord, zijn kroeze hairen glimmende van pomade, onophoudelijk glimlachende en gezichten trekkende, staat Pinch voortdurend te buigen en te knikken. Hij is zoo bespottelijk en zoo jammerlijk, dat ge geneigd zoudt zijn, hem een fooitje in de hand te stoppen. Kellogg sehijnt den kerel te verachten, maar hij kan zijne onderteekening en zijn zegel niet weigeren. Wie zal zeggen, wat er inmiddels in zijn ziel omgaat? Pinch verliest hem niet uit het oog, kauwt zenuwachtig op zijn pruim, en spuwt onophoudelijk tegen de wanden en op het vloerkleed. Het is in waarheid een hoog komisch tooneel. Zoodra de papieren geteekend en gezegeld zijn, pakt Pinch ze bijeen, steekt een versche pruim in zijn mond, en gaat met Antoine gearmd de kamer uit, om zich daarbuiten door zijn kameraden te laten bewonderen.

"Het is een klucht, zegt de gouverneur Kellogg.--Pinchback is nu evenmin senator als vroeger. Hij wordt beet genomen, maar die kleurlingen zijn kinderen, die men zoet moet houden. Zoodra hij te Washington komt, zullen zij wel uit hun droom ontwaken."

Kellogg is hoffelijk, ernstig en blijkbaar zichzelven meester. Naar het algemeene zeggen, leeft hij letterlijk van leugens. Een vriend, dien ik in de Kanaalstraat ontmoette, zeide tot mij: "Gij gaat naar Kellogg? Laat mij u mogen zeggen, dat de man, dien gij gaat bezoeken, een wonder is. Hij is voor niets bevreesd. Al de federale soldaten in Nieuw-Orleans zouden hem niet kunnen dwingen, de waarheid te zeggen."--De gouverneur heeft iets beminnelijks en innemends, dat zijne vijanden geveinsdheid en bedrog noemen; maar hij ziet iemand vrij in het gelaat, en de toon zijner stem is openhartig en ernstig. Hij maakt op mij eer den indruk van een onrustigen dweeper, diep doordrongen van de waarheid zijner meening, en volkomen bereid om alles, en ook zijn eigen persoon, ten offer te brengen voor wat hij de "goede zaak" acht. Na het vertrek van Pinch, vraagt hij ons of wij de Kamer hebben gezien: eene vraag, die ons gelegenheid geeft hem te vragen, of hij de Tweede Kamer als eene wettige vergadering beschouwt?

"Neen, antwoordt hij met een glimlach; zoolang wij het vereischte getal niet hebben, zijn wij geene wettige Kamer. Over dat vereischte getal loopen de gevoelens uiteen: onze raadgevers zeggen ons dat vier-en-vijftig leden voldoende zijn, maar de gewoonte eischt zes-en-vijftig; en zoolang dit punt niet door de rechters is uitgemaakt, onthouden wij ons van elke handeling.

--Hebt gij dan vier-en-vijftig leden?

--Neen, drie-en-vijftig. De voorzitter Hahn heeft aan drie kandidaten, wier verkiezing door het kiesbureau niet was goedgekeurd, toch vergund, zitting te nemen. Dat is verkeerd. Daar de vergadering niet voltallig is, mag zij ook niet over zetels beschikken.

--En ook geen voorzitter verkiezen.

--Gij hebt gelijk. Deze handelingen zijn onwettig en zonder mijne goedkeuring geschied. Michael Hahn is evenmin voorzitter der Kamer, als ik President der Unie ben. Mijne Kamer is slechts een club, en niets meer, maar Hahn voert graag een titel, en de zwarte leden zijn er op gesteld als leden eener wetgevende vergadering te worden aangesproken. Wij wachten op eene schikking. Als de President standvastig blijft, zal de andere partij spoedig genoeg tot onderhandelen komen. Ik zou wel drie leden kunnen vinden, om de Kamer voltallig te maken, maar ik wil den verlangden prijs niet betalen. Ik verlang eene eerlijke regeering, en het zou mij zelfs genoegen doen, indien de conservatieven in de Tweede Kamer de meerderheid hadden. Blanken zijn beter te voldoen dan zwarten.

--Waarom dan de Kamer laten vergaderen, beraadslagen en verslagen openbaar maken, alsof zij de wettige vertegenwoordiging ware?

Ik kan er niets aan doen. Onze tegenstanders zijn rijk, en wij zijn arm. De aanhangers van Mac-Enery, allen welgestelde lieden, kunnen hun traktement missen; onze partijgenooten, allen behoeftige lieden, moeten noodwendig betaald worden. Als wij geen voorwendsel kunnen vinden om hun drie dollars per dag te geven, dan kunnen zij niet in Nieuw-Orleans blijven. Binnen een week zouden er dertig van de vijftig gevlogen zijn. Ik laat ze vergaderen, over onverschillige zaken beraadslagen en hun salaris ontvangen; maar ik verbied hun, ernstige zaken te behandelen, zoo lang wij niet zeker zijn van den afloop.

--Gelooft gij dat wanneer de President er toe kan besluiten om Sheridan te ondersteunen, de nieuwe wetgevende macht inderdaad iets zal kunnen uitrichten?

--Ik hoop er het beste van; maar mijne taak valt mij zeer zwaar. Ik verlang hartelijk naar het oogenblik, waarop ik mij zal kunnen terugtrekken.

--Wel, niemand belet u immers om onmiddellijk Nieuw-Orleans te verlaten?

--Het besef van mijn plicht houdt mij terug. Ik ben een partijman. Vast overtuigd, dat de beginselen van mijne partij de beste zijn voor elk deel van Amerika, heb ik gedaan wat in mijn vermogen was, om ze ook hier in het Zuiden in toepassing te brengen. Mijn werk is nog niet voltooid; maar ik ben tien jaar ouder geworden. Ik heb wel verdiend te mogen rusten, maar ik mag niet terugtreden, zoo lang er nog eenige kans is om te voltooien wat ik hier in dezen staat heb aangevangen."

Hij spreekt op ernstigen, bijna weemoedigen toon.

"Wat is mijn leven in Nieuw-Orleans, dat ik zou verlangen hier te blijven? Als een vreemde indringer beschouwd, als een avonturier gescholden te worden, dat is nog het minste. Maar iedereen vermijdt en schuwt mij, behalve de schooier, die om een postje solliciteert. Geene dame richt ooit een woord tot mij. Geen fatsoenlijk man reikt mij immer de hand. Het gemeen jouwt mij uit; het is een wonder, dat ik nog niet vermoord ben, en ik zal blijde zijn als ik er het leven afbreng. Ik hoop dat ik eens zal kunnen heengaan, maar niet voor ik mijn werk heb volbracht."

Tooneel:--De Rotonde in het hotel Saint-Charles te Nieuw-Orleans: een marmeren vloer; open galerijen, rustende op dunne kolommen--Tijd:--Woensdag, 13 Januari 1875, ten acht uur des avonds.--Personen:--Generaal Sheridan met zijn staf; de luitenant-gouverneur Penn, senatoren, leden van het Congres, vreemde consuls, scheepgezagvoerders, korrespondenten van dagbladen, ordonnans-officieren, koeriers, telegraafbeambten, en voorts eene groote menigte, waaronder twee engelsche reizigers.--Temperatuur:--kookpunt van het kwik.

"Bereidt u voor op eene vechtpartij," zegt eene welbekende stem, als wij uit de eetzaal in de Rotonde komen. De zaak is aan den gang en moet nu tot eene beslissing komen. Treedt Grant terug, dan zal het vrede zijn; zoo niet, oorlog. Let op! Voor gij naar bed gaat, zal het uitgemaakt zijn."

De middenzaal of hal van ons hotel is een reusachtig vertrek--de rotonde van een gebouw, dat in Italië den naam van paleis zou dragen: zij dient tegelijk tot conversatiezaal, tot wandelplaats, tot divan, tot societeit en tot beurs. Hier komen handelaars om te koopen en te verkoopen; spelers om hunne schulden te vereffenen; duellisten om getuigen te zoeken; hier komt iedereen vooral ook om nieuws te vernemen en zijne kennissen te ontmoeten. Hier komen telegrammen aan uit alle oorden der wereld. Hier gaan de dagbladen van hand tot hand, en wordt ijverig over de politiek geredekaveld. Alle vreemdelingen nemen hun intrek in dit hotel, en de burgers van Nieuw-Orleans, die hen over zaken te spreken hebben, komen hen zoeken in deze hal, het centraal-punt der stad, waar ge bijna van alles krijgen en iedereen ontmoeten kunt.

Dezen avond vooral levert onze Rotonde een zeer eigenaardigen aanblik op. Generaal Sheridan, in burgerkleeding, staat bij een pilaar, zijn sigaar rookende en met zijn vrienden pratende. Is het bloot toeval of voorbedachtelijk, dat hij met zijn rug tegen dien pilaar leunt, zoodat hij van achteren tegen iederen aanval gedekt is? Rondom hem beweegt zich eene onrustige, opgewonden menigte van burgers, waaronder velen die beroemde historische namen dragen. Onder hen bevinden zich ook de generaals Ogden, Tailor en Penn. Die kreupele, die zich daar een weg door de menigte baant, is generaal Badger, nauwelijks van zijne wonden hersteld. De heeren nevens Sheridan, mede in burgerkleeding, zijn generaal Emory en kolonel Sheridan, een jonger broeder van den opperbevelhebber.

Bandieten! Hoe de zuidelijke trots en de zuidelijke drift opvlammen in het oog dier senatoren en generaals, als zij statig en ernstig de zaal doorgaan, zoowel door beleefdheid als door bedachtzaam overleg weerhouden van een aanval op den man, die hen roovers en vagebonden durft noemen, en die alleen op een enkel woord wacht om hen aan de galg te brengen! Met wat koude en verachtende hoogheid gaan deze aristokratische heeren langs den pilaar, waartegen Sheridan leunt!

"Vreest gij niet voor ongelukken? vraag ik aan generaal Penn.

--Niet bepaald, antwoordt hij. Men heeft ons het vuur na aan de scheenen gelegd, maar wij kunnen, zoo noodig, veel verdragen.

--Maar ik geloof dat velen van deze heeren gewapend zijn; en een of andere opgewonden dweeper zou, door drift vervoerd, lichtelijk tot eene algemeene uitbarsting aanleiding kunnen geven.

--Dat is zeker mogelijk; maar de Bond staat onder vaste leiding. Geen enkel lid draagt een wapen, zelfs geen zakmes, bij zich. Wij zijn sterk genoeg, om het zonder messen en pistolen af te doen. Komt het tot een strijd, dan zullen wij ons gedragen als soldaten, en niet als negers of Kickapoos. Maar het zal zoover niet komen--de President treedt terug."

Het geruisch der stemmen rijst en daalt onder den hoogen koepel, als de eb en vloed der zee op het strand. Nu stijgt het zoo hoog, dat het de militaire muziek daar buiten bijna geheel overstemt; dan weer verdooft het geheel, en de stilte is zoo volkomen, dat men het getik van de telegraafnaald duidelijk hoort. Eensklaps laat zich een tromgeroffel hooren. Aller oogen keeren zich naar de klok, als ware de wijzerplaat een aangezicht, waarop de geheimen van het kabinet van den President te lezen staan. Aller ooren zijn gewend naar den telegrafist, als school in zijn toestel een verborgen geest, die de mysteriën van het Kapitool ontsluieren kon. De berichten volgen elkander onafgebroken op, zoodat de beambten nauwelijks tijd hebben, ze te lezen: aldus vernemen wij, hier in de Rotonde, wat ten onzen behoeve wordt gezegd en gedaan, niet alleen te Charleston en Richmond, maar ook te New-York en te Saint-Louis, even spoedig als dit in de Broadway bekend wordt. Wij staan in rechtstreeksche verbinding met het Kapitool, zoodat wij kennis dragen van hetgeen daar voorvalt, nog eer de bewoners van Washington dit vernemen.

Wij hooren dat de President zeer verlegen is en elk oogenblik van besluit verandert. Gisteren was hij vast als een rots; heden morgen is hij kneedbaar als deeg. Hartstochtelijk en koppig van aard, wil hij zijn land regeeren op dezelfde wijze als hij zijn kamp regeerde, en het verbaast en verbijstert hem dat zijn landgenooten van geen militair bestuur gediend willen zijn.

De geweldige beweging, door de tijdingen uit Nieuw-Orleans in de steden van het Noorden en Westen verwekt, was voor den President een geheel onverwacht verschijnsel. Boston en New-York zijn onder de wapenen, even als Chicago en Philadelphia, Saint-Louis en Cincinnati. Eene algemeene blanke manifestatie antwoordt op de bedreiging van het caesarisme. Welsprekende woorden worden alom gehoord; de republikeinen vereenigen zich met de demokraten in de veroordeeling der politiek van President Grant. De eerwaardige Bryant verheft zijne stem in New-York; de liberale Adams spreekt uit naam van Massachusetts. Evarts leent zijn naam aan een stuk, dat weinig minder is dan een formeele aanklacht tegen den President en zijn kabinet. Kellogg en Packard, Antoine en Pinchback zijn vergeten, en al de toorn en verontwaardiging treft den hoofdschuldige in het Witte-Huis. Duizenden stemmen dringen er op aan dat de President in staat van beschuldiging zal worden gesteld. Men spoort aan tot afstand, men eischt dien als onvermijdelijk. Het gansche land is in opschudding, de geheele blanke bevolking sluit zich samen tot verdediging van het geschonden recht.

Gisteren scheen de President besloten, om zijn luitenant te handhaven. De Senaat noodigde hem uit, verslag te geven van hetgeen in Nieuw-Orleans voorviel, en mede te deelen, wat hij voornemens was te doen; want de rapporten van Forster, Phelps en Potter, waarin de onschuld der blanke bevolking van Nieuw-Orleans werd erkend en de schuld der verwarring enkel aan de militaire partij werd geweten, hadden een diepen indruk gemaakt. Wanneer zulke hartstochtelijke partij-mannen als Forster en Phelps zelfs geen woord ten voordeele van hunne politieke partijgenooten kunnen vinden, dan is de zaak wel ontwijfelbaar verloren;--en toch scheen President Grant besloten, op den ingeslagen weg voort te gaan, de verantwoordelijkheid voor hetgeen geschieden zou op zich te nemen, en Sheridan de vrije hand te laten. In dien zin zond hij een boodschap aan het Congres. Maar buiten de bureaux van het departement van oorlog, waar zijn adjudanten tieren en rooken, vond hij weinig personen, genegen om hem op dien weg te volgen. Senatoren van zijn eigen partij en van erkende ervaring en bekwaamheid, kwamen tot hem in zijn kabinet, om hem te waarschuwen dat hij zijn partij te gronde richtte, indien al niet zijn vaderland. Generaal Sherman aarzelt geen oogenblik zijne meening uit te spreken, en die meening is niet gunstig voor den President. De Vice-President der Unie, Wilson, komt openlijk in verzet, en sommige invloedrijke dagbladen dringen er op aan, dat Grant het Witte-Huis zal verlaten en het gezag in handen van Wilson overdragen. Nog meer: Hamilton Fish verklaart, dat als de President Sheridan ondersteunt en de handelingen van Durell en Packard goedkeurt, hij zijne betrekking als staatssecretaris zal nederleggen. Dit werkt. Fish toch is niet slechts de bekwaamste man in Grant's kabinet, maar ook een der bekwaamste mannen van geheel Amerika. Bristow, secretaris van financiën, schaart zich aan de zijde van Fish. Zonder deze leden, kan het kabinet van den President geen week stand houden; en zal de val van het kabinet niet wellicht de voorbode zijn van nog erger val?

De gouverneurs der machtigste staten voeren ook eene alles behalve geruststellende taal. "Een staat is verdwenen, zegt gouverneur Allen tot het volk van Ohio; een der souvereine staten van de Unie bestaat sedert gisteravond niet meer." Een souvereine staat! Waarom heeft de partij van Grant dan eigenlijk den oorlog gemaakt, indien niet om dit begrip van souvereiniteit der staten voor goed uit te roeien? En hier komt een gouverneur van een der groote staten, in een der rijke en dicht bevolkte steden van het Noorden, spreken van Louisiana als van een "souverein" lid der Unie! Tilden, gouverneur van New-York, voert nog dreigender taal. "Voor handelingen als deze, hebben onze engelsche voorvaderen Karel I op het schavot gebracht, en Jacobus II van den troon verdreven."

Blijkbaar is de politiek van den sabel aan een keerpunt gekomen: deze avond zal moeten uitmaken of zij een stap vooruit zal doen, dan wel vele stappen terugtreden. De uitkomst schijnt aan een zijden draad te hangen! Terwijl de President het voor en tegen overweegt, kan een enkel pistoolschot, door een dwaas afgevuurd, den burgeroorlog doen ontbranden. Sheridan is op alles voorbereid; en de verwoester der vallei van Shenandoah zou ongetwijfeld, zonder eenige aarzeling ook Nieuw-Orleans aan moord en verderf prijs geven. Heeft er eenmaal bloed gevloeid, dan zal de President de partij zijner officieren kiezen; maar wie kan zeggen, welke staten zich dan aan de zijde van het gouvernement zullen scharen? Sedert de jongste verkiezingen is de staat van zaken veranderd. Eene beweging ten gunste der blanken is begonnen; het zwaartepunt der politiek is verplaatst. In de nieuwe Kamer zullen de demokraten over eene aanzienlijke meerderheid beschikken. Komt het tot eene botsing, wie zal zeggen welke afmetingen en welke richting de blanke reactie dan nemen zal? Is het waarschijnlijk dat zij, die zeven weken geleden met het Zuiden stemden, nu de wapenen zullen opnemen om datzelfde Zuiden onder den voet te halen?

Van de galerij der Rotonde zien eenige dames nieuwsgierig neder op die golvende zee van donkere en gebaarde aangezichten, onophoudelijk naar de klok opgeheven. Onder die dames bevindt zich ook de verloofde van Sheridan, wier pleizierreisje haar hierheen heeft gevoerd. Arm kind! Zij ziet die gefronste wenkbrauwen, die dreigende gebaren; zij kan met zekerheid vermoeden dat al die mannen gewapend zijn. Zij weet ook dat allen haar minnaar haten met een onverzoenlijken haat, die zelfs niet door bloed kan worden uitgedelgd. Wie kan haar de verzekering geven, dat de avond niet met een algemeen bloedbad zal eindigen?

Een kreet gaat op van den lessenaar van den telegrafist.--Een bericht--een bericht--van Washington!

"Lees! lees!" schreeuwen honderden stemmen. Een der klerken springt op een bank, met het telegram in zijn hand; hij wuift er mede heen en weder, en roept vroolijk juichend: "Heeren, de President treedt terug!"

Eerst wil men het niet gelooven; bleek en sidderend vraagt de een den ander: "Treedt hij terug?" en het antwoord is: "Ja, hij treedt terug!"

Nu komt er ontspanning; een glimlach speelt om de lippen, de oogen stralen van vreugde, en allen beginnen luidkeels te praten en elkander de hand te drukken. Enkelen ijlen heen, om het heugelijk nieuws ook elders bekend te maken. De groepen ontbinden en verstrooien zich; sommigen wachten de nog steeds aankomende telegrammen af, om nadere bijzonderheden te vernemen.

"Het stuk is uit, zegt een wel bekende stem; Durell verstooten, Belknap verloochend, Sheridan alleen gelaten. De President wijst alle verantwoordelijkheid van zich af. Sheridan wordt niet gesteund, en zijn lastgevingon worden onwettig genoemd. Ja, inderdaad het stuk is uit. Sheridan kan nu tijd vinden voor zijn pleizierreisje, en dan kan hij huiswaarts keeren om bruiloft te vieren. Een derde verkiezing? Die is dood en begraven, 't Is gedaan. Exit Caesar!"

XXII. Georgië.--Zuid-Carolina.

Atlanta, de hoofdstad van Georgië, verrijst weder uit haar asch. Op zijn beruchten tocht van Chattanooga, vermeesterde Sherman de jonge schoone stad, ter nauwernood zeventien jaren oud, en verwoestte haar zoo volkomen, dat haar rivier vurige lava scheen, en van al haar vroegere heerlijkheid niets meer was overgebleven dan hier en daar een enkele rozenstruik. Atlanta viel als slachtoffer van den gruwelijken burgeroorlog: thans herrijst zij uit haar graf, even als Georgië zelf.

Op een heuvel gebouwd, omringd met een gordel van groenende esch- en pijnboomen, verheft zij fier haar torens en koepels boven het weelderig geboomte en overschouwt de omringende vlakte: wel maakt zij den indruk van eene hoofdstad, tot welken rang zij, na haar vreeselijke ramp, door een trotsch en dankbaar volk verheven werd. [12] De grond is uiterst vruchtbaar; weelderige akkers met katoen en rijst beplant, malsche weiden, strekken zich aan alle zijden uit. Maïs en tabak bloeien in frissche kracht, en boven het rijke landschap welft zich een hemel, zoo rein en blauw als die van Cyprus. Hier grazen runderen; elders wandelen herders met hunne kudden. Negers, met balen katoen op hun hoofd, gaan met langzamen loomen tred de stad in. Het is een echt landelijk, dichterlijk tafereel; in de hoofdtrekken engelsch, maar toch in vele bijzonderheden van vorm en kleur u meer herinnerende aan den Nijl dan aan de Trent.

Wit geschilderde houten huizen, met kolonnaden en tuinen, schuilen weg in den lommer der boschjes en groepeeren zich langs de hellingen der heuvelen. Rondom deze villa's spelen en dartelen knapen en meisjes met frissche rozen op de wangen, met oogen stralende van moed en levenslust. Dit is het onmiskenbare edele bloed van Oud-Engeland, zoo krachtig en vol in Georgië als in York en Somerset. Denk haar zwarte bevolking weg, en Georgië zou een engelsch graafschap kunnen zijn.

Doch ook in Georgië is de zwarte bevolking een zeer belangrijk, hoewel gelukkig geen alles overwegend element. In tegenstelling met Louisiana, Mississippi en Zuid-Carolina,--staten, waarin de zwarte bevolking het in getalsterkte van de blanke wint;--hebben in Georgië de blanke kiezers de meerderheid; maar die meerderheid is gering, en de zwarte bevolking is in verscheidene graafschappen zoo opeengehoopt, dat zij daar de verkiezing geheel beheerscht. Bij voorbeeld--in Baldwin-county, Early-county en Sumter-county zijn er ongeveer twee negers tegenover een blanke; in Baker-county, Camden-county, Columbia-county, Effingham-county en Troup-county, zijn er meer dan twee negers tegenover één blanke; in Liberty-county heeft men omstreeks drie negers tegen één blanke; in Bullock-county en Hurston-county is de verhouding ruim drie negers tegen één blanke; en in Lee-county vindt men vier negers tegen één blanke. Wanneer al de negers in deze en andere graafschappen zich aaneensloten en de leiding volgden van de carpet-baggers, zouden zij, met behulp van de bondstroepen, zoo goed als in Louisiana en Mississippi, ook hier negers tot rechters, sheriffs en magistraten kunnen benoemen, en zwarte senatoren naar Atlanta, indien al niet naar Washington, kunnen zenden. Het graafschap Lee zou zijn Antoine kunnen bezitten, al mocht ook Georgië zich niet kunnen beroemen op het bezit van een Pinchback. Voor het oogenblik echter zijn de meeste negers nog rustig aan den arbeid op hunne hoeven en in hunne woningen, en bemoeien zich gelukkig niet met politiek; maar elk oogenblik kan een wachtwoord van Vicksburg of Jackson, Shreveport of Nieuw-Orleans hen, als een alarmkreet, in beweging brengen en het bewustzijn hunner noodlottige macht in hen wakker roepen.

De zitting van 1875 wordt te midden van groote spanning en onrust geopend. Gelukkiger dan haar naburen, Florida en Zuid-Carolina, heeft Georgië haar onafhankelijkheid herkregen. Haar gouverneur, James M. Smith, is in het land zelf geboren. De wetgevende macht en de regeering zijn beiden in handen der conservatieven, en dus als zoodanig hoogst vijandig gezind jegens President Grant.

